SER-advies

SER-advies: ‘Zorg voor een duidelijke route naar volwaardig werk voor nieuwkomers’

Werk moet leidend worden in het beleid voor nieuwkomers. Dat betekent: zo snel mogelijk beginnen met taal, opleiding, werkervaring en begeleiding. Dat is de strekking van het SER-advies ‘Van aankomst naar toekomst: Naar volwaardige arbeidsdeelname van nieuwkomers’. De verhalen van Ahmad en Yana laten zien waarom één doorgaande lijn van aankomst naar volwaardig werk nodig is.

Mensen met een vluchtachtergrond vinden vaker en sneller betaald werk als ze vroeg kunnen beginnen met taal, opleiding, werkervaring en begeleiding. Daarom moet er één doorgaande lijn zijn vanaf het moment dat een nieuwkomer in Nederland aankomt totdat diegene duurzaam en passend werk heeft, vindt de SER. In het advies Van aankomst naar toekomst wordt de term 'nieuwkomer’ gebruikt voor asielzoekers, statushouders en Oekraïense ontheemden.

Lees het SER-advies

Op dit moment lopen verschillende doelen voor nieuwkomers door elkaar: inburgerings- en taaleisen, snel uitstromen uit een uitkering en mensen naar tekortsectoren begeleiden. Zowel voor nieuwkomers zelf als voor gemeenten is onduidelijk welk doel voorrang heeft en in de praktijk kunnen niet alle doelen tegelijk worden uitgevoerd. Waardig werk moet daarom leidend zijn in het beleid voor nieuwkomers, met ruimte om te leren en door te groeien. Dat kan alleen als gemeenten de verantwoordelijkheid krijgen om nieuwkomers naar werk te begeleiden, stelt de SER. Oekraïense vluchtelingen moeten bovendien recht krijgen op dezelfde (taal)ondersteuning als asielzoekers en statushouders.
Werk moet voor nieuwkomers niet alleen financieel aantrekkelijk zijn, maar ook veilig en eerlijk. De Arbeidsinspectie moet genoeg capaciteit hebben om daarop te controleren, adviseert de SER. Ook hebben nieuwkomers goede informatie nodig over de organisatie van de arbeidsmarkt en hun rechten.

Kansen voor tekortsectoren

Sectoren met grote personeelstekorten hebben baat bij de inzet van nieuwkomers, stelt de SER vast. Zij kunnen daar ook financieel aan bijdragen. Werkgevers- en werknemersorganisaties gaan daarover samen afspraken maken. Zij kunnen bijvoorbeeld samen met het Rijk de zogeheten voorschakeltrajecten betalen. Die trajecten zijn bedoeld om de vaardigheden van werknemers te verbeteren.

Tekortsectoren die al ervaring hebben met ontwikkelpaden en het aantrekken van nieuwkomers, kunnen een voorbeeld voor andere sectoren zijn. Landelijke sociale partners willen ook cao-afspraken hierover stimuleren.

Naast de verantwoordelijkheden van gemeenten en de inzet op tekortsectoren doet de SER in het advies nog een derde aanbeveling: bestaande afspraken en instrumenten om nieuwkomers in een directe lijn naar werk te begeleiden, moeten beter worden uitgewerkt en ingezet. Daarvoor moeten overheid, werkgevers, vakbonden, onderwijs en andere berokken partijen beter samenwerken, zowel landelijk als regionaal of lokaal.

Kansen en hindernissen op de weg naar werk

Hoe ziet de weg naar werk er voor een nieuwkomer uit? Dat hangt af van de persoonlijke kenmerken en gedrevenheid van de nieuwkomer, maar ook van de manier waarop de betreffende regio inburgering en werk(ervaring) heeft geregeld. Bovendien zijn de verschillen per sector groot. De verhalen van Ahmad en Yana laten zien welke hindernissen er op de weg naar werk kunnen zijn.

Ahmad uit Syrië | Foto: Hans Visser

‘Werken is leven’ – een Syrische techneut

Ahmad uit Syrië woont sinds 2020 in Nederland. Het eerste jaar mocht hij nog niet werken en geen opleiding doen. “Dat was zwaar. Ik wilde doorgaan, niet stilstaan.” Wie niet aan de slag mag, blijft volgens hem nadenken over wat hij heeft meegemaakt. Na een klein jaar kreeg hij werk in een restaurant, op twee uur reizen van zijn woonplaats. Hij nam het met beide handen aan. Pas nadat Ahmad een verblijfsvergunning kreeg, kon hij Nederlands leren en werk zoeken in zijn eigen vakgebied, de techniek.

Het niveau van het taalonderwijs is wisselend, is zijn ervaring. Op de eerste school waar hij kwam, zaten allerlei niveaus door elkaar. Op de tweede zaten leerlingen van ongeveer hetzelfde niveau, die elkaar motiveerden. Met het vereiste taaldiploma op zak kon Ahmad werk zoeken. In de techniek lukte dat eerst niet. “Ik denk dat ik wel honderd keer heb gesolliciteerd bij allerlei bedrijven.” Ahmad besloot dan maar een opleiding in de ict te volgen, maar in de eindfase daarvan bleek er toch plek in de technieksector: bij netbeheerder Stedin. Ahmad had via zijn contactpersoon bij de gemeente en de Refugee Talent Hub al eens eerder gesolliciteerd bij Stedin, maar toen was zijn Nederlands nog niet goed genoeg. Nu was het dat wel.

Op het moment van het gesprek werkt Ahmad zo’n vijf maanden bij Stedin in een leer-werktraject voor monteur elektra en gas. Tot zijn grote tevredenheid. “Het is hier helemaal top.” Hij kijkt zelfs al naar een andere functie binnen Stedin. De samenwerking met collega’s en hun belangstelling voor hem voelen als een warm bad. Een kleine tien jaar na zijn aankomst in Nederland heeft Ahmad zijn plek gevonden. Werken is daarin voor hem een cruciale factor: “Werken is leven.”

Yana uit Oekraïne | Foto: SER

‘Ik wil iets betekenen’ – een Oekraïense arts

Yana is een Oekraïense arts die zowel in chirurgie als in psychiatrie is gespecialiseerd. Ze werkte al vijftien jaar als arts toen ze na de Russische invasie in 2022 met haar gezin moest vluchten. Met hun drie kinderen – van wie de jongste op dat moment vijf maanden was – belandden ze in Amsterdam.

Ze voelden zich welkom in Nederland, vertelt Yana, onder meer doordat ze ook een kinderwagen en andere spullen kregen. Nu, een paar jaar later, speelt het trauma van de oorlog nog geregeld op. “Mijn kinderen hebben bommen zien vallen. Ze hebben nog steeds last van hard geluid.”

Terwijl haar kinderen zich langzaam thuis gingen voelen op school en daar Nederlands leerden, volgde voor Yana een zoektocht naar werk. Werk begint met taal: een goede beheersing van Nederlands is voorwaarde om als arts te mogen werken. Haar buurman en een aantal vrijwilligers van een buurthuis hielpen haar in eerste instantie op weg. Het duurde een jaar, vertelt Yana, voor ze erachter kwam dat er ook officiële taallessen waren. Ze moest moeite doen om in te stromen op lessen op haar niveau. Via de gemeente lukte dat niet. Met hulp van een organisatie die Oekraïense ontheemden ondersteunt, kon ze later wel beginnen met taallessen op haar niveau. Inmiddels heeft ze taalniveau B1.2 afgerond.

Met het juiste taalniveau op zak is het, na vele sollicitaties, ook gelukt om werk te vinden. Yana werkt als tandartsassistent en als psychiatrisch assistent in een kliniek. Daar heeft ze vooral organisatorische taken en werkt ze aan protocollen. Haar grote wens is om uiteindelijk in een brandwondencentrum te kunnen werken. “Dat werk vind ik geweldig. Ik wil heel graag verzorgen en helpen.” Ook een baan in het OLVG in Amsterdam spreekt haar aan. “Ik droom vaak dat ik daar in een witte jas aan het werk ben.” Ze heeft een leerwerktraject in het OLVG aangeboden gekregen, maar daarvoor zou ze vijf dagen per week aan het werk of naar school zijn. In de dagelijkse praktijk van het jonge gezin is dat nu niet haalbaar.

Het vinden van betaald werk had ook een schaduwzijde: verdere taallessen voor Oekraïners worden dan niet meer gefinancierd. Om op een hoger niveau als arts te kunnen werken, heeft Yana echter formeel taalonderwijs nodig, tot niveau B2 of zelfs C1. Voor statushouders zijn er wel taalvoorzieningen er tot niveau B2. “Wij moeten alles zelf uitzoeken.” Ze blijft zoeken naar mogelijkheden, onder andere via het netwerk dat ze inmiddels in de zorg heeft en via Oekraïense collega-artsen. “Ik wil geen tijd meer verspillen. Ik wil graag iets betekenen.”