Van denken naar samen doen: bouwen aan het Brabant van morgen
Keynote van Kim Putters bij de gemeentemiddag van Provincie Brabant
2 oktober 2026
Het gesproken woord geldt.
Gewaardeerde gasten,
Allereerst van harte gefeliciteerd. U bent raadslid geworden, of opnieuw gekozen voor een nieuwe raadsperiode. Daarmee heeft u het vertrouwen gekregen om namens inwoners mee te beslissen over de plek waar zij wonen, werken, naar school gaan, hun kinderen grootbrengen, voor hun ouders zorgen, elkaar ontmoeten en oud worden.
Dat is een bijzondere verantwoordelijkheid.
Want als raadslid krijgt u niet alleen een plek aan de bestuurstafel. U krijgt ook de mogelijkheid om mee vorm te geven aan de samenleving van uw gemeente. Aan de keuzes die vandaag nodig zijn, maar ook aan de richting waarin uw gemeente zich de komende jaren ontwikkelt. Sommige besluiten zijn morgen al zichtbaar, andere werken veel langer door en bepalen mede hoe mensen wonen, hoe kinderen opgroeien, hoe mensen kunnen werken en meedoen en hoeveel vertrouwen mensen hebben in de gemeenschap waarvan zij deel uitmaken.
En juist die werkelijkheid van mensen is voor mij het vertrekpunt. Als we kijken naar de vraagstukken die voor ons liggen, gaat het uiteindelijk steeds om dezelfde vraag: hoe zorgen we ervoor dat mensen hier goed kunnen leven, zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen, nu én in de toekomst?
Dat is ook de gedachte achter brede welvaart.
Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven van mensen, hier en nu, maar ook later en elders. Het helpt ons om niet alleen naar economische groei of afzonderlijke beleidsdoelen te kijken, maar naar het geheel van wat mensen nodig hebben om goed te kunnen leven en naar de vraag wat onze keuzes betekenen voor de generaties die na ons komen. Bij Tilburg University proberen we daar vanuit de universiteitsbrede Academische Werkplaats (Be)sturen op Brede Welvaart samen met praktijkpartners aan te werken. Niet door vanuit de wetenschap te vertellen hoe het moet, maar door samen kennis te ontwikkelen: door te reflecteren op de praktijk, praktijkverhalen in het onderwijs te brengen, te onderzoeken wat werkt en stap voor stap te leren hoe je kunt sturen op een inclusieve, rechtvaardige en duurzame samenleving.
Denken vanuit het perspectief van brede welvaart sluit mooi aan bij de metafoor die ik vandaag wil gebruiken, die van de kathedralenbouwers.
De kathedraalbouwers zijn ooit door de provincie Noord-Brabant bedacht als thema voor een lezingenreeks. Ik heb die lezing zelf al eens mogen geven. Het beeld spreekt mij aan omdat een kathedraal door vele mensen wordt gebouwd, over vele jaren heen. Niemand maakt hem alleen en niemand maakt hem in één bestuursperiode af. Iedere generatie bouwt voort op wat er al staat.
Ook in het openbaar bestuur is dat zo. En daarom wil ik vandaag drie vragen centraal stellen: waarom bouwen we, met wie bouwen we en hoe bouwen we?
Het waarom: bouwen aan brede welvaart
U weet beter dan ik dat niet alles tegelijk kan: er is beperkt geld, beperkte ruimte, beperkte capaciteit en soms beperkt draagvlak. De vraag is dus niet óf u keuzes moet maken, maar hoe u ervoor zorgt dat die keuzes bijdragen aan de samenleving die u op langere termijn wilt realiseren. En dan blijkt al snel dat de onderwerpen die wij bestuurlijk zo gemakkelijk uit elkaar trekken, in het leven van mensen helemaal niet los van elkaar bestaan. Juist daarom zou brede welvaart geen abstract begrip moeten blijven, maar bestuurders moeten helpen om in de dagelijkse praktijk betere afwegingen te maken. Voor mij is brede welvaart geen extra beleidsinstrument. Ik zie het eerder als een richtinggevend kompas dat helpt om bij concrete besluiten steeds voor ogen te houden aan welke samenleving we willen bijdragen. Dat zie je bijvoorbeeld heel duidelijk bij mantelzorg.
Zo’n 2,7 miljoen mensen combineren in Nederland betaald werk met mantelzorg. Voor de meeste mensen gaat dat goed, maar voor een groeiende groep leidt de combinatie tot overbelasting. Het SER-advies Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving laat zien dat we mantelzorg daarom niet als een individueel probleem moeten of kunnen benaderen. Het moet makkelijker worden om werk en mantelzorg te combineren, ondersteuning moet eenvoudiger worden en gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vinden van passende ondersteuning. In dit advies hebben we bewust aanbevelingen langs twee sporen gedaan: enerzijds gericht op hoe mantelzorgers het best ondersteund kunnen worden op de werkvloer, bijvoorbeeld door meer ruimte te bieden voor maatwerk in de combinatie van werk- en zorgtijden, het gesprek tussen werkgevers en werkenden te versterken en waar mogelijk afspraken in cao’s te maken, en door het mantelzorgverlof beter als ventiel te laten functioneren in crisissituaties. Anderzijds gaan de aanbevelingen over hoe het systeem rondom de mantelzorger – de formele zorg, het sociaal domein en de gemeenschap – beter kan worden ingericht, bijvoorbeeld door respijt- en logeerzorg beter te organiseren en de aansluiting tussen mantelzorg en formele zorg te versterken. Zo kijken we zowel naar wat er nodig is om mantelzorgers in hun werkende leven beter te ondersteunen als naar wat er in de bredere context nodig is om de druk van mantelzorg op langere termijn hanteerbaar te houden.
In het leven van werkende mantelzorgers gaat het dus juist over hoe verschillende domeinen elkaar raken en soms ook met elkaar kunnen botsen.
Dat is brede welvaart in de praktijk. Het gaat niet alleen over de vraag of iemand kan blijven werken, maar ook over gezondheid, inkomen, zorg voor een naaste en de kwaliteit van het dagelijks leven.
Hetzelfde zien we bij de energietransitie.
Daar gaat het al snel over techniek, infrastructuur en verduurzaming. Maar uiteindelijk zijn het mensen die die transitie moeten meemaken én waarmaken.
Neem Corry. Zij woont in een enkelsteensboerderij in Friesland en heeft een AOW-uitkering. De kachel staat zeer laag omdat het onbetaalbaar is om de boerderij voldoende te verwarmen. Daardoor ontvangt ze ook geen bezoek meer thuis. De gemeente wil helpen en stuurt informatie over verduurzamingsmogelijkheden. Maar die zijn gekoppeld aan ingewikkelde subsidies en vragen vaak om voorfinanciering. De hulp is goed bedoeld, maar voor Corry zijn de drempels om er daadwerkelijk gebruik van te maken enorm.
Of Joyce. Zij woont met haar drie dochters in een huurwoning van een woningcorporatie in Rotterdam. De woning staat op de lijst om verduurzaamd te worden, maar dat duurt nog een paar jaar. Ondertussen zijn de energieprijzen zo hoog dat zij de rekening eigenlijk niet meer kan opbrengen. Ze moet kiezen tussen koken en de woning warm houden. Er ontstaan vocht- en schimmelproblemen, met gezondheidsproblemen voor het gezin en in het bijzonder voor haar jongste dochter, die astma heeft.
En het gaat niet alleen om huishoudens. Denk ook aan de kleine ondernemer van wie de bedrijfsvoering wordt verstoord wanneer renovatiewerkzaamheden aan het bedrijfspand plaatsvinden. Ook daar gaat het om de vraag of mensen en ondernemers de verduurzaming daadwerkelijk kunnen meemaken en waarmaken, en welke gevolgen de transitie voor hen heeft.
Drie heel verschillende situaties, maar in alle gevallen is het handelingsperspectief beperkt. Mensen willen wel verduurzamen, maar kunnen het niet zelfstandig organiseren.
Dat is een belangrijke boodschap uit het SER-werk rond de energietransitie in de gebouwde omgeving. Als beleid veel verantwoordelijkheid bij huishoudens en kleine ondernemers legt, moeten we ook kijken of zij daadwerkelijk in staat zijn om die verantwoordelijkheid te nemen. Er is soms een ’duwtje in de rug nodig’, zonder alles voor mensen te hoeven regelen. Denk aan betere informatie over de kosten en over waar mensen terechtkunnen voor hulp en ondersteuning. Bijvoorbeeld een Energiehuis waar iedereen zo binnen kan lopen voor advies. En het gaat om meer dan energie. Een gezonde en warme woning raakt aan gezondheid, sociale contacten en de ontwikkeling van kinderen. Daarom is ook rechtvaardigheid zo belangrijk: wanneer mensen het beleid als onrechtvaardig ervaren, kan dat het draagvlak voor verduurzaming onder druk zetten, En mensen die niet kunnen meedoen, mogen niet structureel de voordelen van verduurzaming mislopen terwijl zij wel met de lasten en risico’s worden geconfronteerd.
Deze voorbeelden laten in de kern dezelfde opgave zien: achter ieder beleidsdossier zit een mens met een leven waarin verschillende vraagstukken samenkomen.
Met wie bouwen we?
Als we deze opgave serieus nemen, verandert ook de manier waarop we samenwerken. Want die samenhang vraagt om samenwerking tussen organisaties, met inwoners en met maatschappelijke partners. Maar minstens zo belangrijk: samenwerking binnen de eigen organisatie, tussen collega’s en beleidsterreinen. Het draait om elkaar zien en horen! De mantelzorger heeft behoefte aan goed werkgeverschap, maar ook aan zorg, ondersteuning en misschien passend wonen. De energietransitie raakt aan wonen, armoede, gezondheid en economie. En gezondheid raakt aan vrijwel ieder beleidsterrein.
De inwoner ziet deze bestuurlijke schotten niet. Wij hebben ze zelf gemaakt.
Maar samenwerken betekent ook dat we onszelf de vraag stellen: wie horen we eigenlijk?
We nodigen gemakkelijk de mensen uit die we kennen, die georganiseerd zijn en die de weg naar het gemeentehuis weten te vinden. Maar daarmee is de samenleving nog niet vertegenwoordigd.
Juist bij de SER vinden we het belangrijk om nieuwe perspectieven, kennis en ervaringen binnen te halen.
Dat maakt het beeld van een maatschappelijk vraagstuk rijker en daarmee ook het advies relevanter en sterker. De Participatiewijzer helpt ons om steeds opnieuw scherp te krijgen wie we nog niet horen en welk perspectief we missen. De wijzer biedt verschillende vormen en methoden om mensen en perspectieven te betrekken, afhankelijk van het doel en de fase van een traject. Denk bijvoorbeeld aan gesprekken met ervaringsdeskundigen, een dialoogtafel of een stakeholderforum, zoals het SER Jongerenplatform. Ook denkt de SER aan de inzet van een burgerberaad, waarbij een representatieve groep burgers via loting wordt samengebracht om zich gezamenlijk in een vraagstuk te verdiepen en daarover advies uit te brengen.
Bovendien kan elke vorm op verschillende manieren worden uitgevoerd: als eenmalige activiteit in een adviestraject, of juist in een serie van elkaar opvolgende activiteiten. Zo kan een dialoogtafel worden ingezet aan het begin van het traject om perspectieven te begrijpen en later opnieuw om mogelijke oplossingen of een conceptadvies te bespreken. Ook kunnen verschillende vormen met elkaar worden gecombineerd. De Participatiewijzer helpt om hierin bewust keuzes te maken: welke vorm past bij het doel, wie willen we bereiken en op welk moment is welke vorm het meest passend?
Dat gaat dus niet alleen over participatie. Het gaat ook over representatie. Wie aan tafel zit, bepaalt mede welk beeld van de werkelijkheid uiteindelijk in een advies of besluit terechtkomt. Eenmaal aan tafel gaat het erover of je ook echt mee mag praten en de inbreng serieus gewogen wordt. Die spelregels moet je helder maken!
Hoe bouwen we?
Brede welvaart vraagt vervolgens om een andere manier van werken. Niet ieder vraagstuk kan door één bestuurder, één afdeling of één organisatie worden opgelost.
Dat betekent niet dat iedereen overal verantwoordelijk voor is. Integendeel. Juist een heldere rolverdeling is belangrijk. Maar vanuit die rol moeten we weten wie we nodig hebben en wanneer we moeten samenwerken.
Bij mantelzorg ligt een deel van de oplossing bij werkgevers, een deel bij de overheid en een deel bij de zorg. Bij de energietransitie kunnen gemeenten en woningcorporaties veel betekenen, maar ook huishoudens, kleine ondernemers en energiecoöperaties.
De kunst is dus niet om alles gezamenlijk te doen. De kunst is om samen te werken waar de werkelijkheid daarom vraagt en helder te zijn over ieders rol en over wat er in de samenwerking van elkaar wordt verwacht.
En daar hoort ook iets anders bij: blijvend leren.
De Academische Werkplaats bij Tilburg University werkt juist vanuit dat idee. Samen met praktijkpartners kijken we wat werkt, waar het schuurt en hoe we stap voor stap verder kunnen komen. Soms betekent dat een instrument ontwikkelen. Soms betekent het een praktijkervaring inbrengen in het onderwijs. Soms betekent het simpelweg samen reflecteren op een keuze die in de praktijk anders uitpakt dan op papier.
Dat is geen snelle oplossing. Maar brede welvaart vraagt ook niet om één snelle oplossing. Het vraagt om leren, bijstellen, over je eigen grenzen heen durven kijken en samen durven optrekken.
De fundering: vertrouwen
Onder al die verbindingen ligt namelijk iets wat misschien nog belangrijker is: vertrouwen.
Vertrouwen ontstaat niet doordat een overheid zegt dat zij betrouwbaar is. Het ontstaat in de ervaring van mensen. Word ik serieus genomen? Kan ik iemand vinden die mij helpt? Wordt uitgelegd waarom een keuze wordt gemaakt? Wordt er geluisterd als iets niet werkt?
Corry laat zien hoe goedbedoeld beleid toch op afstand kan blijven wanneer mensen niet in staat zijn om er gebruik van te maken.
Daar wordt vertrouwen gewonnen of verloren: in de dagelijkse praktijk.
Goed bestuur betekent daarom niet dat iedereen zijn zin krijgt. Het betekent dat mensen merken dat hun perspectief ertoe doet, dat keuzes uitlegbaar zijn en dat bestuurders verantwoordelijkheid nemen wanneer de praktijk daarom vraagt. U kunt daaraan een belangrijke bijdrage leveren in de komende jaren!
Voor wie bouwen we?
En dan komen we bij de vraag die misschien het moeilijkst is: voor wie bouwen we eigenlijk?
Als raadslid kijkt u begrijpelijkerwijs naar de komende vier jaar. Maar veel besluiten werken veel langer door.
Daarom vind ik het generatiedenken zo belangrijk.
Het SER Jongerenplatform vroeg daar al in 2019 nadrukkelijk aandacht voor en pleitte voor een generatietoets: kijk bij nieuw beleid niet alleen naar de effecten voor mensen van vandaag, maar ook naar de gevolgen voor huidige en toekomstige generaties en naar de stapeling van beleid. Ik heb daar zelf onlangs ook over geschreven in het FD en over gesproken bij het Prinsjesdagontbijt. Op 30 oktober aanstaande spreek ik er opnieuw over. En ik vind het zelf bemoedigend dat ook in de Eerste Kamer wordt nagedacht over hoe het perspectief van toekomstige generaties structureler kan worden meegenomen bij wetgeving en begrotingen. Dat laat zien dat het generatieperspectief steeds meer onderdeel wordt van het gesprek over hoe we onze democratie en ons bestuur op de lange termijn willen inrichten.
Want toekomstige generaties kunnen vandaag niet aan tafel zitten. Zij kunnen niet inspreken, geen amendement indienen en geen bezwaar maken tegen een besluit dat hun leven over twintig of dertig jaar beïnvloedt.
Dat maakt de verantwoordelijkheid van bestuurders groter, niet kleiner.
En juist hier past het verhaal van Yana.
Yana is een Oekraïense arts en chirurg met vijftien jaar ervaring. Toen zij naar Nederland kwam, wilde zij hier graag weer aan het werk. Maar haar route naar haar beroep bleek ingewikkeld. Taal, opleiding, erkenning van kwalificaties, begeleiding en werk lopen via verschillende systemen.
Voor Yana zijn dat natuurlijk geen verschillende beleidsterreinen. Zij wil haar leven opnieuw opbouwen en haar kennis, ervaring en talenten inzetten. Juist daarom is het belangrijk om niet alleen naar afzonderlijke regelingen te kijken, maar naar de route die iemand in de praktijk moet afleggen.
Dit sluit ook aan bij het recente SER-advies over nieuwkomers, waarin wordt gepleit voor één doorgaande lijn vanaf het moment dat iemand in Nederland aankomt tot aan duurzaam en passend werk. Taal, opleiding, werkervaring en begeleiding zouden daarbij meer met elkaar moeten worden verbonden. De vraag is dus hoe we ervoor zorgen dat iemand als Yana niet jarenlang tussen verschillende systemen en regelingen blijft bewegen, maar stap voor stap verder kan komen. Door werk meer centraal te stellen en dit waar mogelijk te combineren met taal en inburgering, ontstaat sneller perspectief. Dat is niet alleen goed voor de nieuwkomer zelf – die actief kan deelnemen, in het eigen levensonderhoud kan voorzien en zijn of haar talenten kan ontwikkelen – maar ook voor werkgevers, die kampen met grote personeelstekorten, en voor de samenleving als geheel. Zo komen individuele kansen en maatschappelijke belangen samen en draagt dit bij aan brede welvaart.
Dat is ook brede welvaart. Het gaat over inkomen en arbeid, maar ook over zelfstandigheid, gezondheid, sociale contacten en erbij horen. En het gaat over de samenleving die gebruikmaakt van de talenten en ervaringen die mensen al meebrengen. Het verhaal van Yana maakt daarmee iets zichtbaar wat ook in de andere voorbeelden steeds terugkomt: mensen leven niet in afzonderlijke terreinen. Dat vraagt van ons dat we bij besluiten van vandaag niet alleen kijken naar wat het nu oplevert, maar ook naar welke samenleving we daarmee op langere termijn willen vormgeven.
Brede welvaart gaat daarom ook over rentmeesterschap. We kunnen de toekomst niet voorspellen. Maar we weten wel dat er mensen na ons komen en dat zij voortbouwen op de keuzes die wij vandaag maken.
De bouwers van vandaag
U hoeft de komende vier jaar niet alle antwoorden te hebben. U hoeft ook niet te weten hoe Brabant er over dertig jaar precies uitziet. Wat u wel kunt doen, is een bepaalde manier van kijken meenemen.
Kijk naar het leven van mensen en niet alleen naar de beleidsterreinen. Kijk bij een keuze niet alleen naar het doel, maar ook naar het handelingsperspectief van mensen. Zoek samenwerking over grenzen heen wanneer de werkelijkheid daarom vraagt. Zorg dat niet alleen de bekende stemmen worden gehoord, maar ook de mensen die anders gemakkelijk buiten beeld blijven. En houd bij besluiten van vandaag de generaties van morgen in beeld.
De SER-adviezen laten zien hoe concreet dat kan zijn. De mantelzorger die werk en zorg moet combineren. Corry en Joyce, die laten zien dat verduurzaming alleen werkt als mensen ook kunnen meedoen. Yana, die laat zien hoeveel er kan worden gewonnen wanneer haar talent daadwerkelijk zijn weg naar de arbeidsmarkt vindt. En het SER-advies over gezond opgroeien, wonen en werken, dat ons eraan herinnert dat gezondheid niet ergens aan het einde van de beleidscyclus ontstaat, maar in de omstandigheden waarin mensen dagelijks leven.
Dat is voor mij de kern van brede welvaart.
Niet een extra beleidsprogramma. Niet een nieuwe bestuurslaag. Maar een manier om steeds opnieuw te kijken naar de vraag: wat betekenen onze keuzes voor het leven van mensen, voor de samenleving als geheel en voor degenen die na ons komen?
En misschien is dat uiteindelijk ook waarom de metafoor van de kathedraalbouwers zo mooi blijft.
Niet omdat één van ons het bouwwerk afmaakt. Dat doet niemand.
Wel omdat iedere generatie de verantwoordelijkheid heeft om iets goeds door te geven aan de volgende. Soms bouwen we verder op een fundament dat anderen hebben gelegd. Soms moeten we een steen verplaatsen omdat we zien dat iets anders moet. En soms zetten we zelf een eerste steen waarvan we weten dat anderen hem pas veel later zullen zien. En ik hoop dat u de komende jaren samen met inwoners, collega’s, maatschappelijke partners, ondernemers en andere overheden verder bouwt aan een Brabant waarin mensen kunnen leven, werken, opgroeien en meedoen — vandaag én morgen.
Want misschien is dát wel het mooiste bouwwerk dat we samen kunnen achterlaten: een samenleving waarin mensen vertrouwen hebben in elkaar, in hun gemeenschap en in de democratie.
Ik sluit af met de inspirerende woorden van spoken-wordartiest Amanda Gorman bij de inauguratie van president Joe Biden, alweer bijna zes jaar geleden.
Die woorden wens ik u en ons toe:
For there is always light.
If only we’re brave enough to see it.
If only we’re brave enough to be it.
Dank voor uw aandacht.