Werk en onderwijs

Vluchtelingen met verblijfsvergunning mogen in Nederland gewoon aan het werk. In de praktijk is het voor vluchtelingen vaak wel lastiger om een (fulltime) baan te vinden. Hoe staat het ervoor met de integratie van vluchtelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt?

Aandeel werknemers onder statushouders neemt toe

Het CBS volgt periodiek de maatschappelijke positie van statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning hebben gekregen. De meest recente publicatie van deze cohortstudie CBS 2026 Asiel en Integratie is gepubliceerd in mei 2026. Uit de CBS-studie blijkt dat na negen jaar 56 procent van alle 18- tot 65-jarige statushouders werk heeft. De meeste werkende statushouders werken in deeltijd (54 procent) en met een tijdelijk contract (72 procent). Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; maar ook de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten worden kleiner. Van de werkenden, werkt bijna 5 procent als zelfstandige.

Statushouders die hun asielvergunning in 2024 ontvingen, gaan vaker en sneller aan het werk, vooral jonge mannen.

Werkende asielzoekers ‍

In Cohort Asiel en migratie van 2026 zijn voor het eerst aantallen opgenomen rondom werkende asielzoekers die in COA verblijven of administratief geplaatst zijn en nog geen vergunning hebben. Asielzoekers zonder vergunning mogen alleen werken als hun werkgever voor hen een tewerkstellingsvergunning (TWV) heeft. Sinds eind november 2023 is de 24‑weken eis opgeheven die stelde dat asielzoekers maximaal 24 weken in een periode van 52 weken mochten werken. Het aantal asielzoekers in COA dat (nog) geen vergunning heeft en een baan heeft als werknemer neemt flink toe in de meest recente cohorten (2023 en 2024). Dit kan te maken hebben met het afschaffen van de eerdergenoemde 24‑weken eis.

Aandeel werknemers onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, in het aantal maanden na ontvangen asielvergunning, maximaal 10 jaar (120 maanden)

  bron: CBS, Asiel en Integratie, 2026

Aandeel uitkeringsgerechtigden daalt verder

Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 89 procent van de 18-tot 65-jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een uitkering. Drie jaar later – vier-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit percentage verder gedaald. Tien jaar na het ontvangen van een verblijfsvergunning krijgt 31 procent van
cohort 2014 een uitkering.

In dit onderzoek is ook gekeken naar werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar die komen, zoals verwacht mag worden wegens het ontbreken van een arbeidsverleden in Nederland. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014, ontvangt 94 procent een bijstandsuitkering, 5 procent een werkloosheidsuitkering en 1 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Aandeel uitkeringsgerechtigden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning ontvingen, in het aantal maanden na ontvangen asielvergunning, maximaal 10 jaar (120 maanden)

 

 bron: CBS, Asiel en Integratie, 2026

Steeds meer statushouders volgen onderwijs

Als statushouders langer in Nederland zijn volgen ze vaker onderwijs. Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgde 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Op 1 oktober 2018, vier jaar na het verkrijgen van een vergunning voor cohort 2014, was dit gestegen naar 39 procent. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit percentage hoger voor recentere cohorten: voor de cohorten 2017 tot en met en 2021 is dit aandeel tussen 45 en 54 procent. Ook niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar oud (met name jongeren tussen 18 en 22 jaar) volgen vaker onderwijs naarmate ze langer in Nederland zijn.

Onderwijspositie vier jaar na verkrijgen vergunning, naar onderwijssoort, leeftijd en vergunningscohort, voor Cohort van 2014

  

Bron: CBS, Asiel en Integratie, 2026

Hoge onderwijsdeelname voor nieuwste cohorten alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv’s) ‍

Amv’s volgen de afgelopen jaren steeds vaker onderwijs. Zo volgde 57 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2015 onderwijs. Van latere cohorten volgde tussen 69 en 80 procent onderwijs een jaar na het verkrijgen van een verblijfsvergunning, met uitzondering van cohort 2024 (61 procent).'

Toename mbo ‍

Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vooral onderwijs op mbo-niveau. Het aandeel onderwijsvolgende statushouders (vanaf het niveau voortgezet onderwijs) uit 2014 dat een mbo-opleiding volgt steeg van 12 procent in 2015 naar 55 procent in 2024.

Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding ‍

De meeste amv’s gaan naar het mbo. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit in alle cohorten voor tussen de 74 en 86 procent van de onderwijsvolgende amv’s (vanaf het niveau voortgezet onderwijs) het geval.

Steeds hoger mbo-niveau

‍Van de statushouders volgde in de eerste jaren het grootste deel een opleiding op niveau 1 (Mbo-1), daarna is er een stijging van de overige niveaus. Op 1 oktober 2015 deed 68 procent van de statushouders uit cohort 2014 die een mbo-opleiding volgde niveau 1. Op 1 oktober 2025 is dit nog 10 procent. In 2025 volgden de meeste statushouders uit cohort 2014 een mbo-opleiding op niveau 4 (41 procent). 

Werk belangrijkste inkomstenbron

Voor 4 op de 10 statushouders tien jaar na verkrijgen verblijfsvergunning ‍is werk de belangrijkste inkomstenbron. Veel statushouders hebben in de eerste maanden na het krijgen van hun vergunning nog geen inkomen. Dit komt doordat ze vaak nog in een opvanglocatie wonen en leefgeld krijgen.

Na tien jaar is voor 25 procent van de statushouders uit cohort 2014 een uitkering de belangrijkste inkomstenbron en voor 40 procent is werk de belangrijkste inkomstenbron. Het aandeel statushouders met werk als belangrijkste inkomstenbron neemt toe als statushouders langer in Nederland zijn. Mannelijke statushouders hebben vaker werk als belangrijkste inkomstenbron dan vrouwelijke statushouders.

De belangrijkste inkomstenbron is leeftijdsafhankelijk

Jonge statushouders, tot 25 jaar, gaan vaak nog naar school. Vanaf 25 jaar is werk vaak de voornaamste inkomstenbron en vanaf 45 jaar is een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. De meeste amv’s gaan de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog naar school. Na tien jaar is het percentage amv’s uit cohort 2014 met werk als belangrijkste bron van inkomsten gegroeid tot 59 procent en het deel dat naar school gaat gedaald tot 11 procent.

 Bron: CBS (2026) Asiel en integratie 2025. Cohortonderzoek asielzoekers en statushouder 

Opleiding onder Syriërs

Het grootste deel van de statushouders die bij het krijgen van hun vergunning 12 tot 18 jaar oud zijn volgt in eerste instantie onderwijs in een internationale schakelklas (ISK). Van de jonge Syriërs volgt 44% onderwijs in de ISK in het jaar nadat zij hun verblijfsvergunning kregen.

Naarmate de 12-18-jarige statushouders ouder worden en langer in Nederland wonen, stijgt het aandeel jonge statushouders dat onderwijs volgt op het mbo. In eerste instantie volgen zij voornamelijk onderwijs op mbo-1-niveau.

In de jaren die volgen stroomt een substantieel deel van de statushouders via mbo-1 of het vmbo door naar de hogere mbo-niveaus. Met het behalen van een diploma op mbo-2-4-niveau is een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt behaald. Vier jaar nadat zij hun vergunning kregen, volgt 38% van de Syriërs die toen 12 tot 18 jaar oud waren onderwijs op mbo-2-4-niveau. Onder de overige statushouders is dit met 30% wat lager.

Het overgrote deel van de niet-leerplichtige statushouders die 18 tot 30 jaar oud waren toen zij hun vergunning kregen, volgt geen onderwijs in Nederland. Wel stromen zij steeds vaker op een later moment alsnog het onderwijs in. Dit is voor een deel te verklaren doordat zij eerst het verplichte inburgeringstraject volgen. Pas daarna komen zij in aanmerking voor het bekostigd onderwijs.

Grafiek onderwijspostiie Syriërs in Nederland

Bron: SCP, Syrische statushouders op weg in Nederland: de ontwikkeling van hun positie en leefsituatie, 2020.


Geactualiseerd augustus 2026