Speech Kim Putters O&O fonds conferentie

Speech tijdens de conferentie over de toekomst van werk, georganiseerd door de samenwerkende O&O-fondsen samen met de SER.

30 juni 2026

Het gesproken woord geldt.


Dames en heren, beste aanwezigen,

Fijn dat u vandaag bij de SER bent. Dit is niet de eerste keer dat de samenwerkende O&O-fondsen hier samenkomen in de Raadszaal in Den Haag. En ik vermoed: het zal ook niet de laatste keer zijn. Dat is goed. Want de vragen waar u aan werkt, zijn niet met één conferentie opgelost.

Maar er is wel iets veranderd. Niet zozeer de ambitie om mensen te helpen zich te ontwikkelen. Maar wel de arbeidsmarkt die krapper is geworden. Met minder mensen moeten we meer werk verrichten. Werk verandert sneller. De onzekerheid voor mensen en bedrijven is groter. En de maatschappelijke opgaven zijn urgenter dan ooit.

Denk aan bijvoorbeeld de energietransitie, AI, aan de noodzaak om Nederland innovatief, productief en concurrerend te houden. De noodzaak van het bouwen aan de economie van de toekomst. Een economie waarin arbeid schaars zal blijven en waarin we, door de demografische ontwikkelingen, met minder mensen meer maatschappelijke en economische waarde zullen moeten creëren

Al die ontwikkelingen komen uiteindelijk samen in één heel concrete vraag: 'hoe organiseren we het werk van vandaag én morgen zo dat mensen hun vaardigheden goed kunnen (blijven) inzetten?'

SER perspectief

Bij de SER kijken we naar die vraag vanuit brede welvaart. Goed en efficiënt werk is essentieel voor een goed draaiende economie, maar werk is zeker niet alleen een productiefactor. Werk geeft mensen inkomen, maar ook structuur, sociale contacten, erkenning en het gevoel bij te dragen aan onze samenleving. Als werk verandert, raakt dat dus niet alleen de economie. Het raakt ook bestaanszekerheid, toekomstvertrouwen en de kwaliteit van leven.

In een structureel krappe arbeidsmarkt wordt de arbeidsmarkt niet groter. De opgave is dus ook: slimmer werken, en nieuwe technologie zo inzetten dat mensen worden ondersteund in plaats van overvraagd, en daardoor uitvallen. Dat vraagt om technologische én sociale innovatie: dus ook kritisch kijken naar hoe we werk organiseren.

Aristoteles en ontwikkeling

Voor zo’n goed draaiende economie is vanuit SER de overtuiging dat een Leven Lang Ontwikkelen een absolute noodzakelijkheid is. Geen nice to have, maar een must have.

En dat gaat over meer dan scholing alleen. Het gaat ook over hoe wij naar mensen kijken: niet alleen naar wat iemand vandaag kan, maar ook naar wat iemand kan worden.

Hier zijn de ideeën van Aristoteles nog steeds interessant. Hij verwees al naar de potentie die in dingen en mensen besloten ligt, in plaats van wat ze op dit moment zijn. Een mens valt niet samen met het diploma dat ooit is behaald, de functie die nu op het visitekaartje staat of de vaardigheden die vandaag al zichtbaar zijn. In ieder mens zit een mogelijkheid tot verdere ontwikkeling.

Die ontwikkeling ziet er niet voor iedereen hetzelfde uit. Soms gaat het om bijscholing in het eigen vak. Soms om nieuwe taken binnen hetzelfde bedrijf. En soms om omscholing naar een heel andere sector.

Die laatste beweging wordt steeds belangrijker. Want we hebben niet alleen tekorten binnen sectoren. We hebben ook een verdelingsvraagstuk tussen sectoren. Hoe voorkomen we dat sectoren elkaar leegtrekken? En hoe zorgen we dat mensen tijdig van werk naar werk kunnen bewegen?

Wendbaarheid als nieuwe sociale zekerheid

Dat vraagt om een andere manier van kijken naar sociale zekerheid. Leven lang ontwikkelen helpt om mensen wendbaar te houden, overstappen van werk naar werk makkelijker te maken en de druk op het stelsel van sociale zekerheid te verminderen. Wendbaarheid wordt daarmee zelf een vorm van zekerheid: door eerder te investeren in inzetbaarheid, loopbaanadvies en scholing, voorkomen we dat mensen pas in beeld komen wanneer zij zijn vastgelopen of hun werk verliezen.

Wat mij betreft is LLO ook key op het gebied van arbeidsmarkt en de economie van de toekomst. In de gesprekken tussen werkgevers en werknemers, en binnenkort hopelijk ook met het kabinet.

Rol O&O-fondsen

Als ik naar u als O&O-fondsen kijk, zie ik vooral hoe dicht u op de beroepspraktijk staat. U kent de bedrijven. U kent de uitdagingen en spreekt de taal van de sector. De SER ziet daarom een belangrijke rol voor O&O-fondsen in het bevorderen van de bewustwording dat leren en ontwikkelen een vanzelfsprekend onderdeel is van werken in de beroepspraktijk.

O&O-fondsen hebben bovendien toegang tot organisaties via de dienstverlening die zij beschikbaar stellen. Daarmee vervullen O&O-fondsen een cruciale rol in het systeem van leren en ontwikkelen.

Boven-sectorale samenwerking

Maar juist omdat uw positie zo sterk en belangrijk is, mag de vraag vandaag ook scherp zijn. Lukt het ons voldoende om over de grenzen van sectoren heen te kijken? Ik begrijp heel goed dat dit ingewikkeld is. O&O-gelden worden opgebracht door werkgevers en werknemers binnen sectoren.

Maar de arbeidsmarkt houdt zich niet netjes aan sectorgrenzen. De tekorten in de techniek, bouw, onderwijs en defensie staan niet los van elkaar. En mensenlevens lopen ook niet langs de lijnen van onze instituties. Daarom is boven-sectorale samenwerking een praktische noodzaak.

Dat sluit ook aan bij de recente aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid over van-werk-naar-werkafspraken. Daarin worden cao-partijen opgeroepen om afspraken zo in te richten dat zij, waar passend, ook bovensectorale mobiliteit stimuleren.

De SER denkt dat O&O-fondsen een centrale rol kunnen vervullen bij het mogelijk maken van mobiliteit van krimp naar krapte. De sectorale ontwikkelpaden zijn daarbij een belangrijk initiatief. De volgende vraag is hoe O&O-fondsen deze aanpak, waar dat passend is, ook kunnen benutten voor boven-sectorale mobiliteit. Door te onderzoeken hoe bijvoorbeeld de sectorale ontwikkelpaden kunnen bijdragen aan overstappen tussen sectoren.

Rollen overheid en O&O

Tegelijkertijd moeten we de rol van de overheid niet buiten beeld houden. Zeker bij om- en bijscholing naar tekortsectoren zijn publieke randvoorwaarden nodig. Denk aan individuele leerrechten of leerrekeningen, en aan gerichte subsidies voor omscholing om overstappen naar werk waar de maatschappelijke behoefte groot is te bevorderen

Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat leven lang ontwikkelen veel meer chefsache moet worden binnen de overheid. Juist omdat het raakt aan zoveel domeinen; onderwijs, economie,
sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid, is samenhang nodig in plaats van versnippering. Ook binnen de overheid zullen we meer over de schotten heen moeten samenwerken.

Maar dat mag geen excuus worden om te wachten. Als we wachten tot alle beleidsvragen zijn opgelost, verliezen we kostbare tijd. De overheid kan drempels verlagen, maar O&O-fondsen zitten dichter op de praktijk en kunnen morgen al stappen zetten. De vraag is dus niet: wie is als eerste aan zet? De vraag is hoe we sectorale middelen, publieke instrumenten en regionale uitvoering zo verbinden dat mensen daadwerkelijk in beweging kunnen komen. Van werk naar werk. Van krimp naar krapte. En van onzekerheid naar nieuw perspectief.

Werkcentra

Daar komt de recente transitie in de regionale arbeidsmarktinfrastructuur bij. De nieuwgevormde Werkcentra zijn bedoeld als herkenbare regionale toegangspoort voor werkzoekenden, werkenden en werkgevers. Eén plek waar vragen over werk, scholing en personele vraagstukken samenkomen. Publieke en private partijen werken daar samen: gemeenten, UWV, onderwijs, SBB, werkgevers- en werknemersorganisaties.

Maar ook hier geldt: structuren werken alleen als ze in de praktijk worden ingevuld. Daarom is het essentieel dat sectorale en regionale initiatieven beter met elkaar verbonden worden. O&O-fondsen hebben een aanbod voor en kennis en toegang tot bedrijven. Werkcentra hebben regionale zichtbaarheid, bereik en verbinding met werkenden, werkzoekenden en werkgevers.

Als die twee werelden naast elkaar blijven bestaan, maken we het systeem opnieuw ingewikkelder. Dan ontstaan er weer losse loketten, losse regelingen en losse routes.

Slot

Vandaag gaat het dus niet alleen over al het moois wat O&O-fondsen hebben weten te bewerkstelligen. Dat staat voor mij niet ter discussie. Vandaag gaat het vooral over de volgende stap.

  • Hoe laten we technologische innovatie samengaan met sociale innovatie?
  • Hoe maken we overstappen tussen sectoren makkelijker?
  • Hoe verbinden we sectorale kracht met regionale toegang?

Mijn oproep aan u is daarom: gebruik de dialoogtafels straks om concreet te worden.

Hierbij is het essentieel om niet alleen te bevestigen dat samenwerking belangrijk is. Dat weten we al. Maar benoemen waar samenwerking nu nog onvoldoende lukt. En welke bouwstenen nodig zijn voor een gezamenlijke actieagenda. Waar u bereid bent om over de eigen sectorgrens heen te kijken. Want als wij te langzaam bewegen, worden we ingehaald door de werkelijkheid van de arbeidsmarkt.

Ik wens u allen veel inspiratie en daadkracht toe. Dank u wel.