Navigeren op het smalle pad

Speech van Kim Putters bij het Prinsjesdagontbijt

11 september 2026

Het gesproken woord geldt.


Het is mij een eer om u op deze vroege ochtend toe te mogen spreken. Natuurlijk staat deze periode in het teken van Prinsjesdag. Maar ik wil beginnen met een historisch moment waar ik als voorzitter van de SER ongeveer een jaar geleden, samen met onze collega’s, bij stilstond in het Brabantse Sint-Michielsgestel. Tijdens de oorlog waren daar honderden bestuurders, ondernemers, vakbondsleiders, wetenschappers en kunstenaars gegijzeld. Zij waren een levend onderpand voor de Duitsers, bedoeld als drukmiddel bij verzetsdaden. Helaas werden ook verschillende gijzelaars gefusilleerd. Onder de gegijzelden waren bijvoorbeeld Jan de Quay en Willem Drees, beiden later minister-president, industrieel Frits Philips, SDAP-voorman Willem Banning, Rotterdams burgemeester Pieter Oud en de latere Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. Als ik zo de zaal inkijk, zie ik een gezelschap dat qua maatschappelijke verantwoordelijkheid eigenlijk niet zo veel verschilt van de mensen die destijds in Sint-Michielsgestel gevangen zaten. Nu gelukkig onder heel andere omstandigheden.

Ondanks hun gevangenschap lieten de gijzelaars zich niet ontmoedigen. Integendeel, er gebeurde daar iets bijzonders. Vanuit hun verschillende achtergronden dachten zij samen na over de toekomst van onze samenleving, onze economie en het bestuur van ons land na de bevrijding. Ondanks de sterke verzuiling ontdekten zij wat hen verbond: het besef dat zij, om de puinhopen van de oorlog achter zich te laten, elkaar keihard nodig hadden. Het manifest dat uit het kamp voortkwam, verwoordde die ambitie treffend: “Wij willen samenbrengen, wie bij elkaar hooren en dan tezamen met anderen een nieuw Nederland bouwen.” Ook over de manier waarop dat nieuwe Nederland moest worden gebouwd, bestond een gezamenlijke overtuiging: met een florerende economie als motor voor welvaart. Nederland wilde daarbij een sociale markteconomie zijn: geld verdienen, maar wel onder goede voorwaarden, zoals een fatsoenlijk inkomen, redelijke werktijden en goede zorg. En met sterke systemen die helder maakten wie waarvoor verantwoordelijk was en hoe dat werd betaald. Zo werd de Stichting van de Arbeid meteen na de oorlog opgericht en de Sociaal-Economische Raad een paar jaar later.

En daarmee komen we terug naar deze tijd. Want ook Prinsjesdag gaat in essentie over de toekomst: over de plannen voor het komende jaar en over de richting waarin we ons land willen bewegen. Maar juist het samenkomen, ondanks alle verschillen, waarvan men in Sint-Michielsgestel de noodzaak zo sterk voelde, bleek op weg naar deze Prinsjesdag een stuk ingewikkelder.

Dit is zorgelijk, want de toenemende politieke versnippering op lokaal, regionaal en landelijk niveau maakt vaste meerderheden schaarser. Dat heeft mede geleid tot de minderheidsconstructie van het huidige kabinet. Het vraagt om meer overleg, meer verbinding en de bereidheid om over politieke grenzen heen toenadering te zoeken. Het biedt ook een kans. De opgaven waar we voor staan zijn immers te groot om vanuit één perspectief of één belang te benaderen. Toch lijkt ‘What’s in it for me’ steeds de boventoon te voeren, terwijl wat we nodig hebben is ‘what’s in it for us’. En juist in een tijd van toenemende polarisatie is het misschien wel moeilijker dan ooit om samen te polderen.

Dit hoeft geen ontmoediging te zijn. De titel van deze speech, ''Navigeren op het smalle pad'', verwijst naar een passage uit het evangelie volgens Matteüs. In de Bijbel wordt het leven vaak vergeleken met het bewandelen van een pad. De brede weg is de gemakkelijke weg; de weg van de minste weerstand. Het is verleidelijk als bestuurder om vooral de eigen achterban te bedienen, moeilijke keuzes vooruit te schuiven en de confrontatie met verschillen te vermijden. Het bewandelen van het smalle pad vraagt om een bewuste keuze. Een keuze om het gemeenschappelijk belang voorop te stellen, samen te bouwen aan een toekomst die verder reikt dan de korte termijn en verbinding te zoeken met anderen, ook als dat niet de gemakkelijkste weg is. En, het kán, want de urgentie wordt naar mijn mening breed gedeeld. We belanden echter steeds in patstellingen over hoe we dit moeten doen. Hoe doorbreken we dat?

Om te verkennen hoe we samen dit smalle pad kunnen bewandelen, staan in deze speech daarom twee onderwerpen centraal. Hoe komen we, ondanks alle verschillen, toch tot verbinding? En de meer fundamentele vraag: waar houdt die verbinding op? Waar liggen de grenzen van het polderen? Wat is uiteindelijk niet onderhandelbaar? Als we dat scherper hebben, moeten we stilstand kunnen voorkomen.

Polderen en de overlegeconomie in deze tijd

Om deze vragen te beantwoorden, wil ik weer even teruggrijpen naar de geschiedenis van het polderen: naar kamp Sint-Michielsgestel. Wat daar mogelijk hielp om tot elkaar te komen, was het gedeelde besef van urgentie. Nederland stond voor een enorme opgave: na de oorlog moest het land opnieuw worden opgebouwd. Polderen werd de manier om gezamenlijk vorm te geven aan de samenleving en economie van de toekomst.

De urgentie van vandaag zit niet in de wederopbouw na een oorlog, maar vergis u niet: ze is er niet minder om. Ook in deze tijd staat Nederland voor grote opgaven. Grote structurele veranderingen stapelen zich op: de gevolgen van klimaatverandering worden steeds zichtbaarder, terwijl de aandacht voor klimaatbeleid afneemt. De vergrijzing zet onze zorg en andere publieke voorzieningen onder druk. En we staan nog maar aan het begin van de impact die kunstmatige intelligentie zal hebben op werk, de economie en onze samenleving.

Om met deze veranderingen om te kunnen gaan, hebben we slagkracht en gevoel van gezamenlijke verantwoordelijkheid nodig. En bovenal de bereidheid om het langetermijnbelang voorop te stellen, ook wanneer dat op korte termijn iets van ons vraagt. Vanuit mijn rol als SER-voorzitter zie ik namelijk dat deze transities vragen om stevige hervormingen van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid, én van de systemen die daaronder liggen zoals ons belastingstelsel, de zeggenschapsstructuren van ons sociale stelsel en het investeringsklimaat, zodat we beter voorbereid zijn op de uitdagingen van deze tijd. Daaronder liggen fundamentele vragen: wat zijn bijvoorbeeld de banen van de toekomst? Welke vormen van leren en ontwikkelen zijn nodig om mensen daarop voor te bereiden? Hoe richten we het socialezekerheidsstelsel zo in dat het niet alleen een vangnet biedt, maar mensen ook toerust om mee te bewegen met deze veranderingen? En hoe zorgen we ervoor dat arbeidsmarkt, onderwijs en sociale zekerheid niet langer als afzonderlijke beleidsterreinen worden benaderd, maar als onderdelen van één samenhangend systeem?

Je komt er niet meer uit met een setje spreadsheets, waarbij de getallen onder de streep voor het komende begrotingsjaar precies op nul uitkomen. Het vraagt om een meerjarig plan dat kabinetsperiodes overstijgt, een integrale aanpak, het doorbreken van beleidskokers en een andere manier van meerjarig begroten rond transities op terreinen als energie, klimaat, zorg en economie. Dit kunnen overheid, markt en samenleving niet afzonderlijk realiseren. Juist waar systemen complex zijn en belangen uiteenlopen, is het nodig om verantwoordelijkheid te delen, elkaar aan te spreken en samen naar oplossingen te zoeken. Kortom: we zullen moeten polderen. Juist het voeren van dat fundamentele gesprek over hoe we met deze transities omgaan, is wat mij betreft waar we als polder de komende tijd voor aan zet zijn. En mag de “Geest van Gestel” daarbij een les zijn: toen Nederland, net als vandaag, voor fundamentele uitdagingen stond, bleek polderen dé manier om tegenstellingen te overbruggen en samen te werken aan een toekomstbestendige samenleving. Als dat toen lukte, biedt dat ook nu perspectief.

Deze eerste les roept echter ook een fundamentele vraag op: als we met verschillende partijen samen het gesprek aangaan, waar liggen dan de grenzen? Kun je altijd met iedereen over alles onderhandelen? Mijn antwoord is: nee.

Het ‘ononderhandelbare’: de sociale markteconomie

Ook om dit antwoord verder toe te lichten, kunnen we teruggaan naar Kamp Sint-Michielsgestel en het toekomstbeeld dat daar ontstond: de sociale markteconomie. Want juist het behouden en toekomstbestendig maken van de sociale markteconomie zou wat mij betreft de kern moeten zijn van het fundamentele gesprek over de hervormingen waar ik het zojuist over had. Een sociale markteconomie betekent dat de markt van vraag en aanbod niet ongebreideld zijn gang kan gaan. We maken met elkaar juridische, politiek-bestuurlijke en maatschappelijke afspraken. Afspraken die ervoor zorgen dat onze economie niet alleen welvarend is, maar ook sociaal rechtvaardig en ecologisch duurzaam. En waarin we nadrukkelijk rekening houden met de belangen van toekomstige generaties. Geen race to the bottom rond schaarse menskracht, financiële middelen en ruimte of natuur. Dit moet het morele ijkpunt zijn voor de inrichting van onze samenleving en economie en dat is wat mij betreft niet onderhandelbaar.

De reden waarom dit juist nu zo belangrijk is, heeft te maken met de eerdergenoemde grote transities: technologische ontwikkelingen, klimaatverandering en vergrijzing. Tegelijkertijd verschuiven de geopolitieke machtsverhoudingen, met een steeds belangrijkere rol voor China en India, een onzekere positie van Europa en toenemende internationale spanningen. Tegen deze achtergrond zal de Nederlandse economie zich moeten aanpassen aan een nieuwe, meer gefragmenteerde wereldorde. Ook Mario Draghi benadrukte dat forse investeringen in innovatie en de interne markt noodzakelijk zijn om Europa economisch sterk en concurrerend te houden. Peter Wennink benadrukte dat voor de Nederlandse positie met zijn rapport van afgelopen december. Ook de SER heeft hier in de afgelopen paar jaar vaak op gewezen. Wat ons betreft staan hierbij drie fundamenten centraal. Die zie ik op dit moment nog te weinig terug in de discussies. Mijn oproep is dan ook om deze volgende drie fundamenten bij de Algemene Politieke Beschouwingen nadrukkelijk aan de orde te stellen.

Ten eerste, wanneer we nadenken over de toekomst van de economie, is de reflex nog vaak om vooral te kijken naar smalle welvaart op de korte termijn en naar wat nu meetbaar is: hoe houden we onze economische groei, concurrentiekracht, koopkracht en materiële welvaart op peil? Financieel-economische indicatoren domineren ons denken hierin nog altijd, terwijl we weten dat welvaart door een breder palet aan factoren wordt bepaald, zoals gezondheid, sociale contacten, werk en veiligheid. Ook bij de op zich terechte wens om regeldruk te verminderen zien we daarbij blikvernauwing. Vanuit de SER hebben we onlangs een brief aan het kabinet gestuurd over de Europese Omnibus-pakketten. Onze zorg is dat het terugdringen van regeldruk ten koste dreigt te gaan van een zorgvuldige afweging over welke regels we kunnen afbouwen en welke juist nodig blijven voor goede arbeidsomstandigheden, verduurzaming en de bescherming van werknemers. De agenda van de toekomst moet dus gaan over brede welvaart, bij al deze onderwerpen.

In de tweede plaats is het cruciaal om hierin de participatie van partijen die geen vaste plek hebben binnen de klassieke instituties goed vorm te geven. Ook binnen de SER houden we ons bezig met de vraag wie er aan tafel zit en wie niet. Daarom hebben we een aantal jaar geleden besloten om bij ieder advies een participatietraject in te zetten, zodat ook stemmen buiten de traditionele overlegstructuren worden gehoord. Van de mantelzorgers tot de milieubeweging en de jongere generaties.

Een derde belangrijk aspect bij het maken van ingrijpende keuzes is dat we de lange termijn nadrukkelijker moeten meewegen. Dat geldt zowel voor de overheid als voor de polder. De besluiten die we nu nemen, bepalen immers ook de welvaart en de vrijheid van toekomstige generaties. Daarom moeten we onze systemen rondom de sociale markteconomie nú zo inrichten dat ook zij kunnen rekenen op een samenleving waarin welvaart en vrijheid nog steeds vanzelfsprekend zijn. Ons SER-jongerenplatform pleitte in 2019 bijvoorbeeld al voor een generatietoets bij grote beleidsdossiers. De huidige Eerste Kamer verkent of ze de nieuwe Senaat het advies meegeeft om naast de toetsing van wetgeving op uitvoerbaarheid, rechtmatigheid en doelmatigheid een vierde toetsingscriteria te hanteren. Namelijk, de lange termijn en de betekenis voor volgende generaties. Ik ben het daar van harte mee eens.

We zijn die bredere blik op welvaart, de inrichting van échte samenwerking met een langetermijnvisie op de samenleving de afgelopen decennia te veel kwijtgeraakt, met de beweging naar meer marktwerking in de publieke sector, de toenemende concentratie van economische macht en steeds verdergaande internationalisering van markten. We moeten niet klakkeloos kiezen voor het Amerikaanse model, waarin markt en schaal vaak leidend zijn, of voor het Chinese model, waarin grootschalige productie en staatsturing een grote rol spelen. Wij hebben in Europa een eigen traditie: de sociale markteconomie. Een model dat niet alleen redeneert vanuit economische groei, maar ook vanuit mensen, leefomgeving en een rechtvaardige verdeling van welvaart. Vasthouden aan de uitgangspunten van ons eigen model is dus belangrijk. Het schept ook heldere kaders waarbinnen bedrijven zekerheid en stabiliteit hebben voor hun investeringen. Weten waar je aan toe bent, is cruciaal.

Maar ik wil hierin nog een stap verder gaan. Want om ons model toekomstbestendig te houden, is alleen vasthouden niet genoeg: we moeten ook aan de slag. De economisch relatief gunstige tijden van de afgelopen decennia zijn onvoldoende benut om de onderliggende ’dragende’ systemen van de sociale markteconomie toekomstbestendig te maken. De fundamenten waarop ons model rust, de heipalen als het ware, vertonen inmiddels betonrot. Ze zijn te complex geworden en produceren geen rechtvaardige uitkomsten meer. Mensen lopen erin vast. Denk aan ons belastingstelsel en de toeslagen of de WIA of het onderwijs. Dat betekent niet dat het bouwwerk morgen instort. Dat gaat nog wel een tijdje mee, maar op een gegeven moment houdt het op. Er staat ons de komende tijd dus nog het nodige te doen. Dat is wat mij betreft ook een oproep om tot een breed gedragen sociaal-economisch akkoord te komen over de toekomst.

Leiderschap en innerlijk kompas

Dat brengt me bij het laatste deel van deze speech. Ik wil eerlijk zijn over de persoonlijke opdracht die daar ook bij hoort. Zoals ik eerder betoogde: het toekomstbestendig maken van onze sociale markteconomie vraagt om gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid, het bedrijfsleven en het maatschappelijk veld. Juist daarom zullen we moeten blijven polderen, ook al wordt dat in een samenleving met groeiende tegenstellingen steeds moeilijker.

Daarmee kom ik nu bij het ‘hoe’. De samenleving verandert in snel tempo en dat vraagt van instituties dat zij ruimte bieden aan nieuwe stakeholders, commitment tonen en hun koers voortdurend bijstellen, zonder het grotere doel uit het oog te verliezen. Dat is geen kleine opgave; het vraagt om een fundamentele cultuurverandering.

Ook op persoonlijk niveau is dat niet eenvoudig, maar daar begint het wel! Verder kijken dan je eigen achterban. Je openstellen voor andere perspectieven en niet steeds kiezen voor het snelle resultaat, maar voor wat op de lange termijn nodig is. Het smalle pad dus. Dat vraagt veel. Het vraagt om leiderschap. En dat raakt ons allemaal hier in de zaal.

Voor mij begint leiderschap bij iets heel fundamenteels: het gebruik van een moreel kompas. Dat morele kompas gaat over de vraag waar je het uiteindelijk voor doet. Niet alleen voor je eigen mensen, maar ook voor het grotere geheel. Vanuit welke waarden en welk mensbeeld richten we ons leven en ons werk in? “What’s in it for us?” Econoom Geert Noels verwoordt dat treffend: "De moraliteit van onze leiders is bepalend voor de fairness die we mogen verwachten in onze maatschappij."

Voor mij is dat kompas niet alleen een metafoor, maar ook iets heel concreets. Dit kompas kreeg ik van mijn partner. Het is het kompas dat hij als welpje bij de scouting gebruikte. Toen hij het mij gaf, zei hij: "Bewaar dit maar in je binnenzak voor de momenten waarop je moeilijke gesprekken moet voeren of lastige keuzes moet maken, zodat het je eraan herinnert om op je eigen kompas van goed doen voor de samenleving te blijven varen."

Ik heb dit kompas op verschillende momenten in mijn loopbaan nodig gehad. Bijvoorbeeld tijdens mijn werk bij het SCP gedurende de coronacrisis. Daarover heb ik vorige week nog gesproken tijdens mijn openbare verhoor door de parlementaire enquêtecommissie. Juist in die periode, toen de cijfers over het virus het politieke en publieke debat domineerden, was het belangrijk om ook aandacht te blijven vragen voor de verhalen achter die cijfers: van eenzame ouderen, jongeren met psychische problemen en ondernemers die zich machteloos voelden. Dat voelde soms als roeien tegen de stroom in, maar juist op zulke momenten helpt een kompas. Het zijn de momenten waarop je je rug recht moet houden en moet blijven handelen vanuit de waarden die voor jou richtinggevend zijn.

Daarom roep ik u op om met dat morele kompas in de hand het smalle pad te blijven bewandelen. En denk daarbij ook aan de ‘Geest van Gestel’. Aan mensen met verschillende achtergronden, overtuigingen en belangen die elkaar juist in moeilijke tijden wisten te vinden. Niet omdat zij overal hetzelfde over dachten, maar omdat zij een gezamenlijke verantwoordelijkheid voelden voor de toekomst van ons land. Denk aan de dragende systemen die voor welvaart, vrijheid en rechtvaardigheid voor iedereen zorgen. En aan leiders die dat in hun moreel kompas verankeren en deze systemen durven te hervormen.

Dat is uiteindelijk waar déze Prinsjesdag meer dan ooit over zou moeten gaan. Ik zeg tegen het kabinet, het parlement en de polder: het gaat niet alleen over begrotingen, koopkrachtplaatjes of politieke strategie, maar vooral over de vraag welke samenleving wij samen willen zijn en hoe we de toekomst tegemoet gaan. Een samenleving waarin de waarden van de sociale markteconomie ons kompas blijven vormen. Waar arbeidsmarkt en sociale zekerheid rechtvaardig werken voor iedereen, met systemen die eenvoud nastreven.

En om nog eens te onderstrepen waarom dit zo belangrijk is voor het vertrouwen en draagvlak in de samenleving, sluit ik af met een citaat van oud-minister-president Willem Drees, uitgesproken tijdens de instellingsvergadering van de SER in 1950, en een grote opdracht bij elke Prinsjesdag:

“Een sociaal-economische politiek die door ons volk niet begrepen wordt, kan op den duur nimmer succes hebben. Ze kweekt misverstand en wanbegrip, waarmede wantrouwen veelal gepaard gaat.”

Einde citaat.

De sociale markteconomie is geen verworvenheid uit het verleden, maar een opdracht voor de toekomst: economisch sterk, sociaal rechtvaardig en duurzaam voor mens en leefomgeving. Dit is een opdracht voor ons allemaal, en vraagt erom te navigeren op een smal pad.

Dank u wel.