Blik op de economie en samenleving van de toekomst

De Kim Putterslezing 2026, georganiseerd door de gemeente Vijfheerenlanden

10 juni 2026

Het gesproken woord geldt.


Geachte aanwezigen, van harte welkom allemaal,

Het is mij een eer u vandaag toe te mogen spreken. Niet alleen als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, maar deze keer zeker ook als dorps- en regiogenoot, en als iemand die zich dagelijks bezighoudt met de vraag hoe we samen een toekomstbestendige economie en samenleving kunnen realiseren.

De vraag hoe we samen richting geven aan die economie en samenleving is actueler dan ooit, maar de weg daarnaartoe is niet altijd even duidelijk. Eén ding is namelijk zeker: we bevinden ons midden in een periode van grote veranderingen. Een tijd van geopolitieke spanningen, technologische versnelling en een opwarmende aarde. Ook staan we voor grote uitdagingen. Denk bijvoorbeeld aan de vergrijzing van onze samenleving, de oplopende kosten van zorg en defensie en de toenemende druk op publieke infrastructuur en voorzieningen. Al deze ontwikkelingen veranderen de manier waarop we werken, ondernemen, leren, zorgen en samenleven.

We bevinden ons ook in verwarrende tijden. Een periode waarin oude systemen niet meer goed werken, terwijl nieuwe oplossingen nog niet volledig zijn ontstaan. Een periode met steeds meer gepolariseerde standpunten. In zulke tijden gaat verandering niet alleen over nieuwe technologie of beleid, maar ook over een andere manier van denken, samenwerken en het delen van macht in onze systemen. Dat vraagt iets van ons allemaal – overheid, bedrijven, werknemers en samenleving. We moeten opnieuw leren hoe we samen het gesprek aangaan, hoe we besluiten nemen, en op welke manieren we samen verantwoordelijkheid dragen.

Wederopbouw begon in het gijzelaarskamp

Laat ik daarvoor eerst terug in de tijd gaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn honderden politici, ondernemers, vakbondsbestuurders, kunstenaars en wetenschappers in een gijzelaarskamp in Sint-Michielsgestel beland. Zij waren een levend onderpand voor de Duitsers. Onder de gegijzelden waren Jan de Quay en Willem Drees, beiden later minister-president, industrieel Frits Philips, SDAP-voorman Willem Banning, Rotterdams burgemeester Pieter Oud, de latere Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. De bezetter dreigde bij verzetsdaden in het land gijzelaars te fusilleren. Een dreigement dat tot uitvoer werd gebracht. Toch ontmoedigde dit de gijzelaars niet. Sterker: het gijzelaarskamp werd een broeinest van cultuur, kunst, politiek, filosofie.

Vanuit hun verschillende achtergronden dachten ze samen na over de toekomst van onze samenleving, de economie en het bestuur van ons land, na de bevrijding. En ze ontdekten, ondanks de sterk aanwezige verschillen en voelbare verzuiling, wat hen daarbij verbond. Hieruit vloeide wat we vandaag de overlegeconomie en de polder noemen. Een week na de oorlog werd de daar bedachte Stichting van de Arbeid opgericht en vijf jaar later, in 1950, de Sociaal-Economische Raad. Vandaar dat wij afgelopen najaar ons 75-jarig jubileum op de locatie van het gijzelaarskamp vierden.

Het eerste SER-advies kwam al in 1950 tot stand. Waarover denkt u dat dit advies ging? Het zal u verbazen, maar het had ook toen al een geopolitieke achtergrond. Onze Amerikaanse bondgenoot vroeg Nederland om een bijdrage te leveren aan de Korea-oorlog. De regering vroeg de SER hoe we de benodigde middelen konden mobiliseren. De SER antwoordde dat we zonder kompas niet goed konden adviseren over zo’n concrete vraag. Hoofdstuk 1 van dat advies bevat dan ook de eerste versie van de SER-doelstellingen voor brede welvaart, waarbij sociale rechtvaardigheid en economische ontwikkeling hand in hand moeten gaan in een wereld van recht, vrede en veiligheid.

Van Wederopbouw naar Wederombouw; drie transities in kader brede welvaart

In 1945-1950 ging het om wederopbouw, nu gaat het om wederombouw. En opnieuw is er interactie tussen het kompas voor brede welvaart en de geopolitieke werkelijkheid. 
Bij de SER hanteren we brede welvaart als kompas bij het nadenken over de toekomst van Nederland. Niet als abstract doel, maar als een concreet kader waarin economie, samenleving en milieu in balans zijn – hier en nu, later én elders. Dus ook voor de volgende generatie. 

Brede welvaart betekent concreet werken aan:
  • Het bevorderen van ondernemerschap en waardig werk;
  • Het bevorderen van duurzame groei;
  • Het creëren van een inclusieve samenleving met een evenwichtige inkomensverdeling.

Deze balans lijkt in de praktijk niet altijd aanwezig. Uit de Monitor Brede Welvaart 2026 blijkt dat Nederland relatief sociaal en welvarend is, maar dat niet iedereen profiteert. Dat kan niet de bedoeling zijn: de economie van de toekomst moet een economie zijn waarin iedereen meedoet en waarin schaarse middelen en ruimte eerlijk worden verdeeld. Een tweede observatie is dat vrede en veiligheid minder vanzelfsprekend zijn dan voorheen. We ontkomen er niet aan om vrede en veiligheid meer in ons kompas voor brede welvaart te integreren. We moeten wendbaar zijn, zoals dat nu heet.

Anno 2026 gaat Wederombouw, in het kader van brede welvaart, gepaard met drie transities:

  • De energietransitie
  • De digitale transitie
  • De demografische transitie

(1) Energietransitie en verduurzaming

Het Klimaatakkoord vereist dat we in 2050 de CO2-uitstoot vrijwel nul hebben. Tegelijkertijd staan we voor andere uitdagingen: een overvol stroomnet, stijgende energieprijzen, en de noodzaak om, gezien de huidige geopolitieke spanningen, minder afhankelijk te worden van grondstoffen uit andere landen.

Het ‘slot op het fysieke domein’ moet eraf. Ons volle stroomnet hindert de energietransitie. En de stikstofproblematiek vertraagt vergunningverlening voor woningbouw, infrastructuur, industrie én landbouw. Dit heeft grote gevolgen op de korte én lange termijn. Concreet betekent dit: versnel de uitbreiding van het elektriciteitsnet, zorg dat mensen meer grip krijgen op hun energierekening en versnel de verduurzaming van de (maak)industrie.

Hierover heeft de SER aanbevelingen gedaan in het briefadvies ‘Verduurzaming maakindustrie’ en meer recent in zijn advies ‘Energie voor iedereen’ dat specifiek gaat over de energietransitie in de gebouwde omgeving, dus over de verduurzaming van woningen en bedrijfspanden. Dat vraagt om enerzijds aanzienlijke investeringen in innovatie en infrastructuur, in opleidingen en aantrekkelijk werk, en anderzijds om consistent beleid en aanpassing van beperkende regelgeving zodat mensen en bedrijven zelf ook mee kunnen doen. Met een ‘ventiel’ in energiecrisistijd, zoals een noodfonds, om mkb’ers en huishoudens in nood te ondersteunen. 
Technologische oplossingen alleen zijn niet genoeg; samenwerking tussen mensen, bedrijven, overheid én wetenschap is essentieel om praktische, haalbare en structurele oplossingen in te voeren. Van dakisolatie tot de omschakeling naar duurzame energiebronnen. Hoe groot de waarde van lokale ondersteuning daarbij is, heb ik mogen ervaren bij een energiehuis in de gemeente Houten. Vrijwilligers helpen daar inwoners met hun vragen over energiebesparing of verduurzaming van hun woning. Het zijn zulke initiatieven die mensen een duwtje in de rug kunnen geven, en die de grote transitie op kleine schaal mogelijk maken.

Wat nu nodig is, is opschaling en verbreding, zodat duurzame oplossingen breed worden toegepast en niet beperkt blijven tot enkele koplopers. En als we het hebben over koplopers is het melkveebedrijf dat ik vandaag bezocht in Lexmond een prachtig voorbeeld. Hoe daar energieneutraal gewerkt wordt, met ruim 800 zonnepanelen en andere moderne technologie, is heel inspirerend.

(2) Digitale transitie

Digitalisering en technologische innovatie bieden namelijk enorme kansen. Denk bijvoorbeeld aan een efficiëntere inzet van middelen en voertuigen, aan digitale personeelsplanning en aan automatisering van bedrijfsprocessen.

Heeft u een smartphone in uw broekzak? Die smartphone kan een hoop, maar geen tomaten kweken. In de agrarische sector doen ze dat met robots in de kas. Deze robots kunnen precies volgen hoe rijp de tomaat al is en wat die nodig heeft om goed te groeien: met zo min mogelijk arbeid, water, energie en pesticiden. En waar een installateur vroeger zijn bouwmaterialen op de bus meenam en op de bouwplaats nog op maat moest zagen, kan dat nu heel anders, zo zag ik enige tijd geleden bij een installatiebedrijf in Hardinxveld-Giessendam. Dankzij slimme toepassingen van digitalisering kunnen installateurs al vóór ze naar de klant gaan de materialen afwerken. 

Daarmee wordt het werk efficiënter en aantrekkelijker, máár tegelijk mogen we de sociale kant van innovatie niet vergeten, zoals de SER al eerder adviseerde. Te vaak ligt de focus op technologie, terwijl vergeten wordt dat het de mensen zijn die het moeten doen. Dat vraagt om leren en ontwikkelen: nieuwe vaardigheden voor werknemers én werkgevers, maar ook om gedrags- en cultuurverandering op de werkvloer. Bijvoorbeeld hoe zelfsturende teams zelf kunnen roosteren, hoe je op de werkvloer met elkaar samenwerkt en daarvoor ruimte schept. Als we hier geen aandacht aan schenken, dan benutten we de kansen van technologische innovatie niet of onvoldoende, wat risico’s op minder kwaliteit van werk, zeggenschap en autonomie in het werk vergroot.

In zijn advies ‘AI en werk’ roept de SER op tot een verantwoordelijke inzet van kunstmatige intelligentie, waarbij menselijke waardigheid, medezeggenschap en scholing van werkenden voorop moeten staan. Want niet iedereen heeft de kennis of ervaring om met geavanceerde systemen te werken. De scholingsmogelijkheden zijn ook nog te ongelijk verdeeld. Onmisbaar hierbij is de samenwerking tussen wetenschap, onderwijs en bedrijven. Alleen samen kunnen we ervoor zorgen dat mensen de vaardigheden leren die nodig zijn om te werken met AI en andere digitale technologieën — en die tegelijkertijd aansluiten bij wat de werkvloer vraagt.

We zien echter dat investeringen in technologie vaak niet van de grond komen, door gebrek aan kennis, financiële mogelijkheden, of de benodigde infrastructuur. Dit is vooral het geval in het midden- en kleinbedrijf. In kleinere bedrijven is er vaak geen capaciteit om innovaties toe te passen en er zijn meestal geen HR-afdelingen. Daarom moeten er platforms zijn waar je kennis deelt en van goede voorbeelden kunt leren. Brancheorganisaties kunnen daar een rol bij spelen, net als de overheid of wij bij de SER. Daarnaast kunnen bedrijven ook vaker samenwerken om de risico’s van investeringen gezamenlijk te dragen en om knelpunten op te lossen. Maar dit alles moet wel gebeuren, dat is nog veel te weinig het geval.

Het is daarom van groot belang dat digitalisering wordt gezien als een kans én als een verantwoordelijkheid. We moeten werkgevers en werknemers toerusten, ondersteunen en begeleiden, en het aantrekkelijk maken om erin te investeren, zodat zij mee kunnen doen in de nieuwe digitale economie. Wat mij betreft wordt dit komende maanden een belangrijk onderdeel van afspraken tussen kabinet en polder over de toekomst van onze economie en arbeidsmarkt met goed georganiseerde scholing en sociale zekerheid.

(3) Demografische transitie

Vandaag wil ik het vooral hebben over de demografische transitie, met doorwerkingen naar de arbeidsmarkt, mantelzorg en ouderenzorg.

Demografische transitie/ arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt verandert snel en ingrijpend. Banen verschijnen, veranderen en verdwijnen. Tegelijkertijd blijven personeelstekorten bestaan, mede door de vergrijzing. Al met al neemt de druk op zowel werkgevers als werknemers toe. Om deze uitdagingen op te lossen zal moeten worden ingezet op meerdere sporen. 

Zo is er een grote groep mensen die graag zou willen werken, of meer zou willen werken. Denk aan deeltijders, mensen met een migratieachtergrond of anderen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Investeringen in inclusie, werkzekerheid en vitaliteit zijn hierbij heel belangrijk. Onze ervaringen binnen SER Diversiteit in Bedrijf tonen aan dat investeringen hierin niet alleen ten gunste van werknemers komen. Ze vergroten ook de productiviteit, het innovatievermogen en de weerbaarheid van bedrijven. 
Daarnaast pleit de SER voor een gedeelde verantwoordelijkheid voor een leven lang ontwikkelen en van-werk-naar-werk. Om- en bijscholing vragen om een gezamenlijke inspanning van overheid, onderwijs, bedrijven en werkenden zelf.

Demografische transitie/ mantelzorg

Bij de demografische transitie moeten we steeds meer oog hebben voor het kunnen combineren van werk en zorgtaken. Dan spreken we al gauw van mantelzorg. Mantelzorg is onbetaalde, vaak langdurige zorg voor een naaste uit de directe omgeving. 

Wie van u vanavond is mantelzorger? En hoeveel mantelzorgers denkt u dat Nederland telt? 

Maar liefst 5 miljoen mensen verlenen mantelzorg, en 2 miljoen mensen combineren deze zorg met betaalde arbeid. Ook in deze zaal zullen dus veel mensen zijn die zorgen voor familie, buren of vrienden.

Door vergrijzing en beleidskeuzes als zo lang mogelijk thuis blijven wonen, neemt de druk op mantelzorg toe. Vanwege de grote vraag naar personeel geldt dat ook voor de druk op werk: iedereen is nodig. In de nabije toekomst zullen steeds meer mensen gedurende hun werkende leven met mantelzorgtaken te maken krijgen.

Hoe houden we dit in evenwicht? De combinatie van meer werken en meer zorgen leidt voor een groeiende groep tot overbelasting. Het kan leiden tot uitval, minder uren werken of stoppen met werken. Dit risico treft vrouwen harder dan mannen, met gevolgen voor de werk-zorgverdeling en de financiële positie van vrouwen. Vrouwen gaan vaak (nog) minder uren werken en offeren vaker hun vakantiedagen op voor mantelzorg, waardoor de tijd om zelf tot rust te komen verdampt.

In een recent SER-advies onderkennen we dat mantelzorg een breed maatschappelijk vraagstuk is geworden. Het is niet alleen een verantwoordelijkheid van werkenden en werkgevers. Het is hoog tijd om de ondersteuning van mantelzorgers eenvoudiger te maken. Het aanvragen van de juiste zorg en ondersteuning kost op dit moment te veel tijd en energie. En, we bepleiten een betere verlofregeling waardoor werkenden door het jaar heen een `ventiel’ hebben als er ineens meer mantelzorg nodig is.

Een tweede spoor is het blijven investeren in de gezondheid van mensen en het voorkomen van ziekte, kort gezegd preventie. En koester initiatieven waar mensen al voor elkaar zorgen in buurten, wijken en gemeenschappen. Daarmee wordt het netwerk rondom mensen die hulp en zorg nodig hebben robuuster, en komt niet alles op het bordje van de mantelzorger terecht. Want dat is wat echt telt: mantelzorgtaken kunnen delen helpt om mantelzorgen te kunnen volhouden. Samen zorgen en niet alleen, dat zou de opgave moeten zijn voor de komende jaren. Daarbij is een sterke zorgsector onmisbaar.

Demografische transitie/ ouderenzorg

Dit brengt mij bij het derde deel van de demografische transitie, de ouderenzorg. Nederland vergrijst en ontgroent. De naoorlogse babyboomgeneratie gaat richting de 80+. Over tien jaar spreken we van 90-plussers. 

Gelukkig weten we dat steeds meer 80- en 90-plussers nog heel vitaal zijn. Maar er is ook een groep voor wie dat niet geldt, mede door de grote sociaal-economische verschillen in gezondheid en in gezonde levensjaren. We moeten ons dus voorbereiden op een steeds grotere behoefte aan ouderenzorg, juist in een periode van een grote vraag naar personeel en een dreigende overbelasting bij mantelzorgers.   

Hoe houden we dit in evenwicht? 

Het antwoord moet bestaan uit drie delen. Het begint met het investeren in de gezondheid van mensen en het voorkomen van ziekte. Preventie raakt aan alle beleidsterreinen en is dus niet alleen een verantwoordelijkheid van de minister of wethouder van Volksgezondheid. Denk aan de invloed van werk, onderwijs en al dan niet geïsoleerde woningen op de gezondheid.
Daarbovenop komt het ondersteunen van initiatieven waar mensen dus al voor elkaar zorgen in buurten, wijken en gemeenschappen, en uiteraard ook achter de voordeur. Dit is het sociale domein, met een grote rol voor gemeenten en mantelzorgers.
Om de zaak in evenwicht te houden, moeten we ook kijken naar de manier waarop de collectieve ouderenzorg functioneert. Als handen schaars zijn, dan is het heel belangrijk dat het preventieve domein, het sociale domein en de ouderenzorg zo goed mogelijk op elkaar aansluiten. Hier valt naar mijn waarneming nog veel winst te boeken. Sterker nog, het is hoog tijd voor een overkoepelende toekomstvisie voor de zorg en ondersteuning voor ouderen. Ik doe daar vandaag graag een voorzet voor.
  • Ik zal eerst schetsen hoe het collectieve stelsel voor ouderenzorg is ingericht.
  • Daarna ga ik in op enkele problemen die het moeilijk maken om een wisselwerking te bereiken tussen ouderenzorg, preventie en het sociale domein. Ik zal dit ook illustreren met enkele praktijkvoorbeelden uit Vijfheerenlanden. 
  • Tot slot doe ik een voorzet voor een oplossingsricting.

Hoe steekt het stelsel voor ouderenzorg in elkaar?

Ouderen kunnen zorg en ondersteuning uit meerdere zorgwetten of zorgdomeinen ontvangen: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en/of de Wet langdurige zorg (Wlz).

De Wmo, Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg verschillen van elkaar in onderliggende visie, prikkels en sturing, marktwerking, bekostiging, eigen bijdrage systematiek en de wijze van toegang. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de Wmo 2015, de zorgverzekeraars voor de Zorgverzekeringswet en de zorgkantoren voor de Wet langdurige zorg. Ook de werkgebieden van zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten verschillen. 

Vanaf 2013 zijn onderdelen van de ondersteuning en zorg voor ouderen vanuit de toenmalige AWBZ naar de Wmo overgeheveld, waarmee dit meer onder de verantwoordelijkheid van gemeenten is komen te vallen (decentralisatie). De Wmo heeft tot doel om ouderen in staat te stellen om langer zelfstandig te blijven wonen en actief deel te nemen aan de samenleving. Gemeenten kopen deze ondersteuning en zorg in bij verschillende aanbieders en proberen door aanbestedingsprocedures de kosten te beheersen en de kwaliteit te verbeteren. Gemeenten hebben hierbij beleidsvrijheid. 

Persoonlijke verzorging en verpleging thuis (wijkverpleging) wordt vanuit de Zorgverzekeringswet geregeld. Concurrerende zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor de inkoop en onderhandelen met private zorgaanbieders over de prijs en kwaliteit van de in te kopen zorg. 

De Wet langdurige zorg regelt intensieve zorg aan onder andere kwetsbare ouderen. Deze ouderen hebben recht op verblijf en zorg in een verpleeghuis, maar zij kunnen deze verpleegzorg ook thuis krijgen. De Wet langdurige zorg wordt uitgevoerd door regionaal werkende zorgkantoren. 

Ouderenzorg valt dus onder drie verschillende wettelijke domeinen. Dit leidt tot drie verschillende inkopers van zorg: de zorgverzekeraars, het zorgkantoor en de gemeente. Deze zorginkopers kopen vaak onafhankelijk van elkaar zorg en ondersteuning in voor zorgbehoevende ouderen in hetzelfde gebied. 

Problemen van versnippering, decentralisatie en onoverzichtelijkheid

U voelt het al aankomen, er zijn heel veel kapiteins op dit schip die allemaal een andere kant opsturen. Dit leidt tot versnipperde ketens voor zorg en welzijn. Hoe kan je dan zorgen voor een goede wisselwerking tussen het preventieve domein, het sociale domein, mantelzorg en ouderenzorg? 

Ouderen met een complexe zorgvraag hebben vaak zorg nodig van verschillende zorgaanbieders. Sommige aanbieders worden aangestuurd vanuit de Wmo, andere vanuit de Zorgverzekeringswet en weer andere vanuit de Wet langdurige zorg. Maar bij welk loket moet je dan aankloppen? Het geheel is voor ouderen onoverzichtelijk geworden. Misschien herkent u deze bureaucratie wel uit uw eigen omgeving.

Versnippering zorgt ook voor hoge administratieve lasten. De verschillende wetten leiden tot verschillende rapportage-eisen. Dit is een belangrijke oorzaak voor de hoge administratieve lastendruk bij zorgprofessionals, ouderen en hun mantelzorgers.

In het versnipperde zorglandschap staan de financiële prikkels niet altijd goed. Iedereen heeft belang bij extra investeringen in preventie. Maar de partij die in preventie investeert, die ziet dat de opbrengsten vooral elders neerslaan. Zo zouden gemeenten extra kunnen investeren in de ondersteuning van ouderen in het sociale domein. Het gevolg van deze investering is dat ouderen langer thuis kunnen blijven wonen en dus langer een beroep doen op de gemeentelijke WMO-voorzieningen. Maar de kostenbesparing? Die slaat vooral neer in lagere uitgaven voor de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Hier kom je dus alleen verder als je echt samenwerkt.

Dit is meteen een mooie brug naar het laatste knelpunt, de decentralisatie van de ouderenzorg.
In de praktijk zorgt decentralisatie voor meer versnipperde zorgketens. Gemeenten kopen WMO-zorg in bij veel verschillende zorgaanbieders. Vaak gaat het om kortdurende contracten. Op deze manier is het moeilijk om te leren van de ervaringen die worden opgedaan; het vraagt eigenlijk om langjarige contracten. 
 
Er zijn ook regionale verschillen in financiering en beleidsuitvoering. Dit leidt tot ongelijkheid in de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. Sommige aanbieders van zorg en ondersteuning hebben te maken met meerdere gemeenten die ieder hun eigen inkoopvoorwaarden stellen. Sommige gemeenten vallen in meer dan één zorgregio, waardoor het moeilijk is om alle inwoners gelijk te behandelen.

Ervaringen in Vijfheerenlanden

Tegen deze achtergrond is het goed om in te gaan op enkele praktijkervaringen in Vijfheerenlanden.
Wellicht wist u dat Vijfheerenlanden in twee zorgregio’s ligt. De gemeente heeft voor de afstemming tussen zorg en welzijn dus te maken met twee verschillende zorgkantoren. Dit is niet alleen omslachtig, het maakt het ook moeilijk om alle inwoners gelijk te behandelen.
Een tweede knelpunt is dat de Wet langdurige zorg voorrang heeft op het gemeentelijke welzijnswerk. Dit kan leiden tot nare situaties. Zo komt het voor dat een inwoner niet langer thuis kan blijven wonen. Bij verhuizing naar een instelling is deze bewoner aangewezen op de dagbesteding die de instelling aanbiedt. Deze bewoner kan dan geen gebruik meer maken van de vertrouwde dagbesteding in het buurthuis. Gevolg: deze inwoner raakt niet alleen haar huis, maar ook haar sociale omgeving kwijt.

Oplossingsrichtingen

De problematiek van de zorg en ondersteuning van ouderen vraagt om een langetermijnvisie met meer samenwerking. Ik zie drie oplossingsrichtingen.

De eerste richting is om op vrijwillige basis de afstemming tussen de Zorgverzekeringswet, de Wmo en de Wet langdurige zorg te verbeteren. Ik geef twee voorbeelden van deze benadering.

  • Pak ongewenste neveneffecten van decentralisatie aan. Zo zou voor de gemeente Vijfheerenlanden de schaal van de zorgregio beter aan moeten sluiten op de gemeentegrenzen.
  • Bied ruimte voor experimenten met samenwerking tussen de Wmo, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. 

Je kan zeggen dat binnen het huidige stelsel al veel mogelijk is. Op veel plekken in het land werken zorgkantoren, zorgverzekeraars en gemeenten samen. Het grote voordeel van deze route is dat er geen ingewikkelde stelselwijziging nodig is. Uit het recente coalitieakkoord voor Vijfheerenlanden maak ik op dat de gemeente hier ook vol op inzet.
Er zijn ook nadelen:
Het is niet eenvoudig om binnen het huidige stelsel tot duurzame samenwerking te komen. Hoe duurzaam kan de samenwerking zijn als de onderliggende prikkels verkeerd blijven staan?

Een tweede oplossingsrichting is verplichte samenwerking tussen gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren op regionale schaal. Bij deze verplichte samenwerking gaat het om de vormgeving van complexe ouderenzorg in de regio. Eén regisseur krijgt dan een mandaat om professionals in de domeinen zorg en welzijn te laten samenwerken in het belang van ouderen met een complexe zorgvraag. Deze variant pakt verschillende knelpunten van het huidige stelsel aan. Nadeel is dat het vormgeven van verplichte samenwerking niet eenvoudig is.

De laatste, meest ingrijpende oplossingsrichting is een stelselwijziging. Denk daarbij aan een vergaande vorm van regionale verantwoordelijkheid voor complexe ouderenzorg. Voordelen daarvan zijn meer uniformiteit in het regionale zorgaanbod en daarmee meer gelijkwaardig zorgaanbod voor ouderen.
Het grote nadeel is dat een stelselwijziging een heel lange doorlooptijd heeft, zeker in Den Haag. Kunnen we daarop wachten?

Dames en heren,

U raadt het al. Vandaag ga ik geen voorkeur uitspreken voor één van de geschetste oplossingsrichtingen. Misschien wel allemaal tegelijk? Ik roep vooral op tot een samenhangende visie voor de langere termijn. Een stip op de horizon met draagvlak in de samenleving. Daarvoor moet een brede maatschappelijke dialoog worden gevoerd. Welke zorg voor ouderen willen wij als samenleving? Ik praat er zo meteen graag met u over door. Deze dialoog zal ook moeten gaan over hoe we dit kunnen financieren, en hoe we dit kunnen organiseren zodat het werkbaar blijft voor zorgprofessionals, zorgaanbieders, gemeenten en mantelzorgers. 

Koersen op brede welvaart is een permanente evenwichtsoefening

Ik begon mijn verhaal met een terugblik op de situatie van zo’n 80 jaar geleden. Tijd van wederopbouw. In de Troonrede van 1950 sprak koningin Juliana over de veerkracht waarmee ons volk de gevolgen van oorlog en bezetting te boven wist te komen en dat daar vertrouwen uit geput kon worden voor een toekomst van samenwerking, rechtvaardigheid en dialoog. 

In de laatste Troonrede sprak koning Willem-Alexander opnieuw over die veerkracht en dat vertrouwen. Want dat hebben we opnieuw nodig, maar nu voor de wederombouw van onze arbeidsmarkt, zorg en economie. Ook lokaal en regionaal. Ik wens u dat in uw nieuwe raads- en collegeperiodes toe. Vijfheerenlanden heeft inmiddels al een akkoord gesloten, nu wij in Den Haag nog! 

Dat lukt alleen als we elkaar blijven zien, naar elkaar luisteren en doorpakken. Dat vraagt geven en nemen, de dingen ook eens van een andere kant durven bekijken, en mensen meer betrekken. Dat doet me denken aan een paar dichtregels van Drs. P die ik citeer uit de mooie bundel “Dichter bij de polder” met prachtige gedichten en kunst over mijn geboortegrond in de Alblasserwaardse polder. 

Deze dichtregels komen voor mij dicht bij het polderen dat we deze dagen heel hard nodig hebben om de toekomst tegemoet te gaan, en ze staan op een bronzen plaquette bij de Pont van Kinderdijk:

We zijn hier aan de oever van de machtige rivier
De andere oever is daarginds, en deze hier is hier
De oever waar we niet zijn noemen wij de overkant
Die wordt dan deze kant zodra we daar zijn aangeland
En dit heet dan de overkant, onthoudt u dat dus goed
Want dit is van belang als u oversteken moet
Dat zou nog best eens kunnen, want er is hier veel verkeer
En daarom vaar ik steeds maar vice versa heen en weer

Heen en weer
Heen en weer
Heen en weer
Heen en weer

Ik wens u een raadsperiode toe waarin dat tot veel goede oplossingen leidt!

Dank u wel.