Speech van Kim Putters bij de CVI-conferentie 2026

20 mei 2026

Het gesproken woord geldt.


Dank voor de uitnodiging om vandaag met u te spreken.
Op een conferentie over innovatie. Over de vraag hoe het mbo zichzelf vernieuwt, hoe de vakopleidingen van morgen eruitzien - en hoe dat bijdraagt aan de economische en maatschappelijke kracht van Nederland.

Ik begin met een vraag.

Wie heeft de afgelopen week iets gemaakt, gerepareerd, gebouwd of geïnstalleerd - of samengewerkt met iemand die dat deed?

Iedereen. Dat is uw wereld. De wereld van het mbo.

Een wereld die ik te weinig terugzie in de debatten over de toekomst van Nederland. En dat terwijl de mbo-vakman en de mbo-vakvrouw onmisbaar zijn voor alles waar Nederland op draait én trots op kan zijn.

Ik wil u vandaag meenemen langs drie blokken. 

Het fundament én het imago

Neem ASML. Misschien het meest bewonderde bedrijf van Nederland. Symbool van hightech innovatie, van Nederlandse vindingrijkheid. Beurswaarde van meer dan driehonderd miljard euro.

Maar wie bouwt die lithografiemachines? Wie assembleert de precisieonderdelen die tot op de nanometer nauwkeurig moeten kloppen? Wie zorgt ervoor dat die complexe apparaten dag na dag blijven draaien?

Dat zijn mbo'ers. Mechatronica-technici. Precisietechnici. Logistiek medewerkers. Zij werken in grote aantallen bij ASML en bij de tientallen toeleveranciers in de Brainportregio.

Zonder mbo-vakmanschap geen ASML. Zonder ASML is de Brainport-regio een heel ander verhaal.

Datzelfde geldt voor de energietransitie. Voor de zorg. Voor de bouw. Voor de voedselketen. Voor de scheepvaart. Het mbo is het fundament onder de Nederlandse economie - en het fundament onder de Europese ambitie om als continent technologisch zelfstandig te zijn.

En toch. Er is een hardnekkig beeld dat het mbo 'lager' is. Dat wie het écht kan, naar het hbo of de universiteit gaat. Dat het mbo een vangnet is voor wie het elders niet redt.

Dat beeld klopt niet. Uit OECD-data weten we dat 94 procent van de 25- tot 29-jarigen met een mbo-diploma in Nederland werk heeft. Dat is het hoogste percentage van alle OECD-landen. Een prestatie van formaat. Geen aanleiding voor excuses - maar voor trots.

Maar imago verandert niet met campagnes. Imago verandert met verhalen. Met zichtbaarheid. Met de bereidheid om zélf die trots uit te stralen - als bestuurder, als docent, als student, als instelling.

Innovatie in het vak én in het onderwijs

Die trots alleen is niet genoeg. Want het imago van het mbo verbetert uiteindelijk alleen als de inhoud sterk is. En die inhoud – de vakopleidingen, de didactiek, de samenwerking met het bedrijfsleven – is volop in beweging.

Laat me twee punten uitlichten.

Het eerste is de koppeling tussen leren en werken. Het mbo heeft een uniek voordeel ten opzichte van andere onderwijssectoren: de bbl- en bol-leerweg, de samenwerking met leerbedrijven, het leren in de praktijk. Dat is geen bijzaak - dat is het hart van het mbo. Juist die verbinding tussen school en bedrijf is de plek waar innovatie concreet wordt. Bedrijven zien nieuwe technieken en werkwijzen; scholen beschikken over de pedagogische en didactische expertise om die kennis te vertalen naar leerbare competenties. Mits die kruisbestuiving goed georganiseerd is, maakt het mbo zichzelf tot een innovatiemachine.

Het tweede punt is de professionalisering van docenten, uw professionalisering en dat van uw mensen. U kunt de mooiste kwalificatiestructuur ontwerpen - maar uiteindelijk staat er een docent, staat u voor de klas. Die docent moet de technologische ontwikkelingen bijhouden. Die docent moet weten wat er in het bedrijfsleven speelt. En die docent moet in staat zijn om studenten voor te bereiden op een beroep dat over vijf jaar er anders uitziet dan nu.

Investeren in uw professionalisering, in de professionalisering van mbo-docenten is geen kostenpost. Deze investering levert het rendement van de innovatiekracht van het mbo.

En dan is er AI. Ik hoor in sommige kringen over kunstmatige intelligentie vooral zorgen. Zorgen over baanverlies, over het verdwijnen van vakmanschap, over studenten die niet meer leren omdat de computer het voor hen doet.

Die zorgen begrijp ik. Maar ik weiger ze het laatste woord te geven.

De timmerman die met AI-ondersteunde planning werkt, kan complexere projecten aan. De verpleegkundige die met AI-diagnostiek werkt, heeft meer tijd voor de persoonlijke zorg voor de patiënt. De installateur die met augmented reality instructies ontvangt, kan ook systemen installeren die hij of zij nog nooit eerder heeft gezien.

AI maakt de vakman en de vakvrouw niet overbodig. AI maakt hen machtiger - maar alleen als zij geleerd hebben om met AI te werken. Alleen als zij begrijpen wat AI kan en wat AI niet kan. Alleen als zij in staat zijn de uitkomsten van AI-systemen te beoordelen, te corrigeren en in de praktijk toe te passen.

Dat is een nieuwe kerncompetentie. En het mbo is bij uitstek de plek om die competentie te ontwikkelen.

Tegelijkertijd verandert AI ook het onderwijs zelf. Adaptieve leertechnologie kan studenten op hun eigen niveau laten werken, kan vroeg signaleren waar iemand vastloopt en kan docenten ontlasten in administratieve taken. Zodat zij meer tijd hebben voor wat werkelijk telt: de begeleiding, de coaching, het gesprek.

Maar ook hier geldt: dit vraagt om investering. In infrastructuur, in studietijd en ontwikkeling, in scholing van docenten, in het gesprek met docenten en in een heldere visie op hoe technologie het onderwijs versterkt - en niet vervangt. Technologische innovatie kan niet zonder sociale innovatie, zoals de SER in 2019 adviseerde. Dat geldt ook voor AI in het onderwijs. De menselijke relatie tussen docent en student is en blijft het fundament.

En dan wil ik u iets uitdagends voorleggen. Iets wat misschien schuurt.

Er is in het onderwijs - in het hele onderwijs, niet alleen in het mbo - een neiging om de wereld vanuit de school te willen bedienen. Elk maatschappelijk probleem dat zich aandient, belandt vroeg of laat op het bordje van een onderwijsinstelling.

Laaggeletterdheid: het onderwijs lost het op. Krapte op de arbeidsmarkt: het onderwijs leidt meer op. Sociale ongelijkheid: het onderwijs brengt kansen. Klimaattransitie: het onderwijs vormt de nieuwe generatie.

Ik wil dit niet bagatelliseren - al die verbindingen zijn reëel. Maar er zit een keerzijde aan dit patroon.

Het onderwijs is niet de enige partij die verantwoordelijk is voor de samenleving, voor de prestaties van de beroepsbevolking of voor de innovatie op de werkvloer. Die verantwoordelijkheid is gedeeld. Met werkgevers, die evengoed kunnen investeren in de ontwikkeling van hun medewerkers. Met sectoren, die zelf in staat zijn om de aansluiting tussen opleiding en praktijk te organiseren. Met de overheid, die de randvoorwaarden schept. En met de samenleving als geheel, die bepaalt wat zij van haar professionals verwacht.

Wat ik zie, is dat die gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk toch vaak eenzijdig uitpakt. Het bedrijfsleven verwacht gediplomeerde instromers die meteen inzetbaar zijn. De politiek verwacht dat het onderwijs tekorten opheft. En het onderwijs - ook het mbo - neigt ertoe die verwachtingen te internaliseren, terwijl de oplossing voor een deel buiten de schoolmuren ligt.

Mijn uitdaging aan u is dan ook deze: trek de school naar buiten. Niet alleen door studenten stages te laten lopen of door leerbedrijven te werven. Maar door de verantwoordelijkheid voor opleiding en innovatie structureel te delen. Door samen met bedrijven te bepalen wat een goede vakopleiding inhoudt. Door gezamenlijk te investeren in de professionalisering van docenten en van werkbegeleiders in het bedrijf en in de gezamenlijke opleiding van de studenten. Door als instelling de regisseur te zijn van een leernetwerk - in plaats van de enige uitvoerder.

Het mbo heeft daarin ten opzichte van andere onderwijssectoren al een voorsprong: de samenwerking met leerbedrijven is ingebakken in de systematiek. Maar die voorsprong mag groter. De volgende stap is dat mbo-instellingen die samenwerking niet alleen faciliteren, maar ook actief organiseren en sturen. Dat zij de regie nemen over een bredere coalitie van partijen die allemaal belang hebben bij goede vakopleidingen en een innovatieve beroepsbevolking.

Dat vraagt lef. Het vraagt de bereidheid om verantwoordelijkheden los te laten die u gewend bent te dragen - en andere partijen uit te nodigen, of zelfs te dwingen, om hun deel op zich te nemen. Neem het initiatief om bij de vorming van de jeugd betrokken partijen – bedrijven, maatschappelijke organisaties – uit te nodigen en maak afspraken over de gedeelde ambities voor de jeugd en deel die toe. Neem de regie voor de vorming. Dat is geen zwakheid. Dat is kracht.

De spilpositie: opleiden én vormen

De vraag hoe we verantwoordelijkheid voor opleiding en innovatie verdelen, raakt direct aan een bredere spanning die ik in gesprekken met mbo-bestuurders, werkgevers en beleidsmakers telkens tegenkom.

Aan de ene kant is er de druk om zo snel mogelijk op te leiden voor de grootste tekorten. De bouw, de zorg, de techniek - zij schreeuwen om gekwalificeerde mensen. De politiek vraagt om instroom, werkgevers vragen om gediplomeerden. De urgentie is reëel.

Aan de andere kant is er de opdracht van het onderwijs - ook het beroepsonderwijs - om mensen te vormen als mensen. Als burgers. Als professionals die niet alleen hun vak verstaan, maar ook kunnen reflecteren, communiceren en bijdragen aan een democratische samenleving.

Ik geloof niet dat dit een keuze is. Ik geloof dat dit een én-én-opgave is.

Een installateur die alleen weet hoe hij een warmtepomp installeert, maar niet kan uitleggen waarom hij dat op een bepaalde manier doet, die niet kan samenwerken met een bezorgde klant en die niet kan schakelen wanneer de situatie anders is dan verwacht, die installateur is onvolledig opgeleid.

Juist de combinatie van kwalificatie, socialisatie en persoonlijke vorming maakt de mbo-professional waardevol. En het is precies die combinatie die het mbo onderscheidt van een gerichte vakopleiding.

De SER omschrijft haar missie als het bevorderen van brede welvaart: samenleving, economie en milieu in balans, hier en nu, later en elders. Die brede welvaart vraagt om vakmanschap én wendbaarheid. De beroepen van 2035 zijn niet de beroepen van vandaag. De professional die over tien jaar succesvol is, heeft niet alleen de technieken van nu geleerd - die professional is ook in staat mee te bewegen met nieuwe technologie, veranderende werkmethoden en andere klantverwachtingen.

Wendbaarheid is geen zachte vaardigheid. Wendbaarheid is een kerncompetentie. En het mbo is de aangewezen plek om haar te ontwikkelen.

Tot slot: leven lang ontwikkelen. De arbeidsmarkt verandert sneller dan ooit. Iemand die vandaag zijn mbo-diploma haalt, kan daar over tien jaar niet meer volledig op varen.

De SER pleit ervoor dat publieke onderwijsinstellingen - waaronder mbo-instellingen - een wettelijke taak krijgen bij leven lang ontwikkelen. Niet omdat de private markt tekortschiet, maar omdat sommige doelgroepen, sectoren en regio's alleen bediend worden als er ook publieke instellingen zijn die die taak op zich nemen.

U kent de regionale arbeidsmarkt. U heeft de contacten met het bedrijfsleven. U heeft de pedagogische expertise. En u heeft toegang tot de groepen die het meest baat hebben bij een tweede of derde kans op ontwikkeling. Dat is geen last - dat is een unieke positie.

Afsluiting

Ik sluit af met de kern van wat ik u vandaag wilde meegeven.

Het mbo is de spil van de Nederlandse arbeidsmarkt. Niet de sluitpost. Niet het vangnet voor wie het elders niet redt. Maar de kern van ons economisch en maatschappelijk bestel.

Zonder mbo-vakmensen stopt de energietransitie. Stopt de zorg. Stopt de bouw. Stopt de technologische innovatie die Nederland zijn positie in de wereld geeft.

Dat verdient erkenning. Dat verdient investering. Dat verdient respect, van de politiek, van werkgevers, van de samenleving als geheel.

En dat vraagt ook van u - van de mensen die elke dag het mbo maken - de bereidheid om te blijven innoveren. Om te blijven zoeken naar beter onderwijs, betere vakopleidingen en betere kansen voor elke student.

De toekomst van Nederland ligt niet alleen in de boardrooms en de universiteiten.

De toekomst van Nederland ligt ook - en misschien wel in de eerste plaats - in de hands-on vakmensen die u opleidt.

Dank u wel.