SERmagazine

Ambassadeurs in het buitenland aan het woord: Voortrekkers in duurzaam ondernemen

Nederland wil een voortrekkersrol spelen bij duurzame economische groei in het buitenland. Voor de Nederlandse ambassades is duurzame ontwikkeling dan ook een topprioriteit.

Corien Lambregtse

Ze is nog maar een half jaar ambassadeur in Vietnam, maar voelt zich er als een vis in het water. Elsbeth Akkerman had hiervoor banen bij de ministeries van EZK en LNV. ‘Een rode draad in mijn loopbaan is duurzaamheid. In mijn vorige banen was ik er meer beleidsmatig mee bezig, nu gaat het ook over de praktijk.’

Een van de mooie dingen aan Vietnam is volgens haar dat het ondernemerschap er overal voelbaar is. ‘Het land is enorm in ontwikkeling. De grote uitdagingen liggen op gebieden als waterveiligheid, landbouw, stedenbouw en infrastructuur. De problemen van honger en armoede zijn opgelost, maar de klimaatverandering heeft hier grote impact.’

Net als Nederland heeft Vietnam de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) van de Verenigde Naties omarmd. Die doelen gaan onder meer over armoedebestrijding, goede gezondheidszorg, onderwijs, gezond drinkwater, gendergelijkheid, goede arbeidsomstandigheden en veilige steden.

‘In Vietnam ligt de focus op economische ontwikkeling. Het land heeft op dat punt iets in te halen. Maar de Vietnamese overheid wil wel dat die groei gepaard gaat met aandacht voor mens en milieu, en vraagt dat ook van bedrijven. Dit biedt grote kansen voor Nederlandse bedrijven. Juist omdat er in Nederland al veel langer aandacht is voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en duurzaamheid. En ook omdat wij handel en investeringen als belangrijke drivers voor ontwikkeling zien.’

SDG-washing

Roel Nieuwenkamp is ook pas sinds een half jaar ambassadeur: in Argentinië. Daarvoor werkte hij onder meer voor de OESO. Zo was hij vijf jaar lang voorzitter van het Internationale Comité voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en het bijbehorende internationale klachtenmechanisme. ‘Het komt dus vooral door mijn vorige functie dat ik alles weet over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). Hier in Argentinië ben ik nog maar net begonnen. Onder mijn voorzitterschap zijn de vernieuwde OESO-richtlijnen voor IMVO uitonderhandeld. Door deze richtlijnen worden alle internationaal opererende bedrijven in OESO-landen geacht na te gaan in hoeverre zij ergens in hun productieketen betrokken zijn bij misstanden op het gebied van mensenrechten, milieu of dierenwelzijn. Dat onderzoek naar risico’s wordt due diligence genoemd.’

Het werken aan SDG’s en IMVO ligt volgens hem in elkaars verlengde. ‘Een bedrijf dat de SDG’s serieus neemt, moet ook onderzoek doen naar de risico’s in zijn productieketen. Anders ontstaat er SDG-washing. Vergelijkbaar met iets als greenwashing: duurzaamheid suggereren zonder er echt veel aan te doen. Een voorbeeld is een autobedrijf dat elektrische auto’s op de markt brengt om het klimaat te redden, maar even buiten beschouwing laat dat het kobalt voor de batterijen in Congo wordt gedolven door kinderen van vijf jaar. De positieve impact op de ene doelstelling wordt daarmee teniet gedaan door de negatieve impact op de andere doelstelling.’

Akkerman is het met Nieuwenkamp eens dat het werken aan IMVO en de SDG’s niet iets vrijblijvends is. ‘In 2015 hebben 193 landen in de Verenigde Naties de SDG’s ondertekend. Daarmee hebben zij zich verplicht aan deze doelen te werken. Elk jaar rapporteren landen hoe ver ze zijn met de implementatie van de doelen. Een land dat achterblijft, heeft echt wel wat uit te leggen.’

Complex onderzoek

Het onderzoek naar risico’s in de productieketen is voor bedrijven een hele opgave, weet Nieuwenkamp. ‘De supply chain kan heel ver en diep gaan. Het kan voor een bedrijf ontzettend lastig zijn om precies te achterhalen welke grondstoffen waar vandaan komen, hoe die grondstoffen worden gedolven en verwerkt. Daar zijn honderden, soms tienduizenden leveranciers bij betrokken. Geen enkel internationaal opererend bedrijf kan garanderen dat de productie 100 procent duurzaam is. Je weet bovendien niet of er ergens in de keten illegale dingen gebeuren.’

Het feit dat due-diligence-onderzoeken ingewikkeld zijn, is volgens hem echter geen argument om het onderzoek na te laten of op te geven. ‘Het is van groot belang dat bedrijven onderzoeken wat de grootste risico’s in hun keten zijn en of zij daar invloed op kunnen uitoefenen. Daar moeten ze vervolgens mee aan de slag gaan. Ook al kunnen ze niet alles tegelijk en hebben ze niet overal invloed op, ze moeten laten zien dat ze de risico’s aanpakken.’

Bedrijven zijn daartoe moreel verplicht. Nieuwenkamp: ‘Organisaties en ook individuen kunnen bij de OESO een klacht indienen als een bedrijf in hun ogen betrokken is bij misstanden. De OESO Nationale Contact Punten doen daar vervolgens onderzoek naar en bieden bemiddeling aan. Als blijkt dat een bedrijf inderdaad fout zit, heeft het betreffende bedrijf een groot probleem. Je ziet dat investeerders signalen over misstanden steeds serieuzer nemen. Een bedrijf dat het niet goed doet op het gebied van IMVO, kan problemen op het gebied van financiering verwachten.’

IMVO-convenanten

Met de IMVO-convenanten geeft Nederland volgens beide ambassadeurs een goed voorbeeld, omdat bedrijven daarmee aangeven dat zij werk maken van due diligence. In 2016 werd het eerste IMVO-convenant afgesloten: het convenant Duurzame Kleding en Textiel. Eind 2018 werd het achtste convenant afgesloten: het convenant Pensioenfondsen. Binnen de convenanten werken bedrijven, overheden, maatschappelijke organisaties en vakbonden samen aan de verduurzaming van een sector.

Akkerman: ‘Het is typerend voor Nederland dat er ook een sociale dialoog wordt gevoerd over de manier waarop risico’s in een keten kunnen worden aangepakt. Bij de SDG’s doet Nederland het trouwens ook op die manier. Bij de Nederlandse rapportage over de implementatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen, bij de VN in New York in 2017, waren zowel de overheid als het bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties betrokken.’

Volgens Nieuwenkamp zijn de IMVO-convenanten een goede manier om de samenwerking tussen overheid, bedrijven, vakbonden en maatschappelijke organisaties te bevorderen. ‘Er zijn risico’s waarop een individueel bedrijf geen invloed kan uitoefenen, maar als je het met z’n allen doet, kun je een vuist maken.’

Verbindingen leggen

De Nederlandse ambassades steken er veel energie in om verbindingen te leggen tussen het land waar de ambassade gevestigd is en Nederlandse bedrijven die daar zaken willen doen. Akkerman: ‘Wij hebben veel gesprekken met bedrijven. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is altijd een belangrijk onderwerp. Bedrijven zijn verplicht om zich te houden aan het principe do no harm. Maar de ideale situatie is: do well by doing good. Dat gaat nog een stuk verder.’

In landen waar de wetgeving of de handhaving van de wetgeving niet op orde is, hebben bedrijven een extra verantwoordelijkheid. Akkerman: ‘Als je misstanden signaleert, moet je de leverancier daarop aanspreken. En als je als individueel bedrijf te klein bent om invloed uit te oefenen, doe het dan samen met anderen. Of schakel een internationale organisatie in, zoals de ILO, de overheid of de ambassade. Wij kunnen namens de Nederlandse overheid hierover het gesprek aangaan.’

Nederlandse bedrijven kunnen het goede voorbeeld geven, zegt ze. ’Probeer iets te betekenen voor de omgeving en voor het milieu. Zorg ervoor dat de medewerkers in een fabriek een leefbaar loon krijgen.’


Adviesaanvraag Ontwikkeling door duurzaam ondernemen

De SER werkt op dit moment aan een adviesaanvraag van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) over de rol van SDG’s en IMVO, in het kader van de ontwikkeling van duurzaam ondernemen. In het nieuwe beleid van het ministerie van BHOS wordt een expliciet verband gelegd tussen de SDG’s, IMVO, verduurzaming van mondiale waardeketens en publiek-private samenwerking. Dit verband moet bij de implementatie van het beleid verder uitgewerkt worden. Het kabinet heeft de SER een verkennend advies gevraagd met als centrale vraag: wat is de visie van de SER op de verhouding tussen de SDG’s, IMVO, verduurzaming van mondiale waardeketens en publiek-private samenwerking en wat betekent dit voor bedrijven en overheid? Het advies wordt in het najaar van 2019 verwacht.

SERmagazine maart 2019