Column

‘Zonder Europa was er geen Charter Diversiteit geweest’

Alice Odé, projectleider bij SER Diversiteit in Bedrijf, zorgde er mede voor dat er een Charter Diversiteit in Nederland kwam. Dat ging niet zonder slag of stoot. Voorbeelden van buurlanden die al wel zo'n Charter hadden trok aarzelende politici over de streep.

Column van:

Alice Odé
Alice Odé,
Projectleider SER Diversiteit in Bedrijf, 
g.a.ode@ser.nl

Diversiteit schuurt soms

Niet alleen onderwerpen als de coronapandemie of klimaatverandering zijn grensoverstijgende thema’s. Dat geldt ook voor diversiteit en inclusie (D&I). Europa telt daarom 26 Charters Diversiteit in verschillende lidstaten, met in totaal zo’n 12.000 ondertekenaars. Ze committeren zich aan het promoten van diversiteit en het creëren van gelijke kansen op de werkvloer

Poserend groepje lachende vrouwen, van verschillende leeftijden en verschillende etnische achtergronden.
Foto: Shutterstock / Southworks

Die stevige Europese inbedding is extreem belangrijk. Overal in Europa kan op het vlak van gelijke kansen nog een slag gemaakt worden. En ik denk dat we zo veel van elkaar kunnen leren. Toen ik echter zeven jaar geleden opperde een Nederlands charter te lanceren, aarzelde de politiek. Nederland liep al zo voorop als het ging om emancipatie en integratie, dachten de politici. Dan hadden wij toch geen charter diversiteit nodig? Door Europa ‘in te trekken’, kon ik hard maken dat die behoefte er wel degelijk was. Onze buurlanden hadden namelijk al wél een charter opgetuigd, vanuit de gedachte dat er een wereld te winnen is op het vlak van D&I. Via het Franse charter kreeg ik binnen no time van 7 multinationale bedrijven de bevestiging dat zij met plezier zouden ondertekenen bij de lancering van een Nederlands Charter. Zonder deze Europese samenwerking was er in Nederland geen Charter Diversiteit gekomen. De huidige wisselwerking tussen Europese ondertekenaars is net zo krachtig als toen het geval was. We inspireren en informeren elkaar. Ingegeven door actualiteit wordt de discussie soms écht op het scherp van de snede gevoerd. 

Hoe bewaak je bijvoorbeeld inclusie in tijden van een pandemie? Of neem de landen waar Russen een etnische minderheid vormen. Hoe voorkom je marginalisatie van deze groep op de werkvloer?
Wat alle charters gemeen hebben, is dat zij inclusie en diversiteit in brede zin en op meerdere dimensies willen bevorderen: van arbeidsvermogen, etnisch-culturele diversiteit en gender tot leeftijd en LHBTI+. Die gezamenlijkheid maakt het charter aantrekkelijk voor multinationale ondertekenaars die internationaal denken.

Ondanks het gezamenlijke karakter, verschilt de aanpak per land. In Nederland hebben we een poldercharter; het is een zaak van werkgevers en werknemers. Het Duitse charter is meer gefocust op de top van het bedrijfsleven. België kent twee charters, een voor Wallonië en een voor Vlaanderen, allebei met een andere aanpak. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De monitoring wordt overal anders ingevuld. Die ruimte voor lokale invulling heeft zijn voordelen. Als ik héél eerlijk ben, zou ik de charters soms willen stroomlijnen naar Nederlands model: een vrij ‘streng’ plan van aanpak waarmee we resultaten boeken. Maar dan fluit ik mijzelf terug. Ieders manier mag er zijn: dat is de basis van inclusie.


Meer lezen? SERmagazine verschijnt ook 5 keer per jaar als papieren tijdschrift.

Abonneer nu gratis