SERmagazine

Monitor Leercultuur: leergierigheid in cijfers

Zijn we op ons vijftigste nog net zo leergierig als toen we tien waren? Om bij te blijven in ons werk zou dat wel goed zijn. De SER pleit al jaren voor ‘een leven lang ontwikkelen’. Maar hoe meet je een leercultuur eigenlijk? Onderzoeksinstituut TNO ontwierp er samen met de SER een monitor voor.

Tekst: Berber Bijma

Aan het woord:

Wouter van der Torre
Wouter van der Torre,
Wouter van der Torre, onderzoeker TNO
Hardy van de Ven
Hardy van de Ven,
Hardy van de Ven, onderzoeker TNO
 
 

Leer je van je taken en van je leidinggevende? Vind je leren belangrijk en lukt het je? Krijg je voldoende ontwikkelingsmogelijkheden aangeboden? De antwoorden op veel van dit soort vragen zijn samengebracht in de Monitor Leercultuur, die de SER en TNO samen hebben ontwikkeld.

Antwoorden uit bestaande onderzoeken samengebracht

Voor de monitor zijn geen nieuwe enquêtes uitgezet, maar antwoorden uit bestaande onderzoeken samengebracht, vertelt TNO-onderzoeker Wouter van der Torre, die samen met collega-onderzoeker Hardy van de Ven en vertegenwoordigers van de SER aan de monitor werkte. Van der Torre: “TNO en CBS voeren regelmatig onderzoek uit onder grote groepen werknemers en onder zelfstandig ondernemers. Daarnaast heeft TNO een eigen werkgeversonderzoek. Uitkomsten van die drie onderzoeken hebben we samengebracht in de Monitor Leercultuur.”

Bij een leercultuur is leren vanzelfsprekend

Eerst maar eens over die term zelf: leercultuur. Klinkt best breed en vaag. Hoe vang je zoiets in cijfers? “‘Cultuur’ is inderdaad een vrij abstract concept en daardoor lastig te meten”, beaamt Van der Torre. “Cultuur gaat niet alleen over gedrag, maar ook over de overtuigingen en de normen en waarden die daarachter zitten: hoe belangrijk vind je het om nieuwe dingen te leren, hoe gemotiveerd ben je daarvoor? In de monitor hanteren we deze omschrijving: ‘Een leercultuur houdt in dat leren en ontwikkelen binnen een gemeenschap vanzelfsprekend is voor iedereen en voor een belangrijk deel is geïntegreerd in dagelijkse activiteiten’.”

De keuze voor de term ‘gemeenschap’ is bewust, want leren doet een mens niet alleen op het (eigen) werk, zegt Van der Torre. “Leren vindt ook plaats over organisatiegrenzen heen, bijvoorbeeld in samenwerkingsprojecten of evaluaties met klanten. En privé leren we ook, bijvoorbeeld door kinderen op te voeden of vrijwilligerswerk te doen.”

Indicatoren

In de Monitor Leercultuur zijn de belangrijkste indicatoren bijeengebracht die laten zien in hoeverre doorgaand leren en ontwikkelen vanzelfsprekend is en ook daadwerkelijk gebeurt. Die indicatoren zijn:

  1. leergedrag (formeel en informeel leren),
  2. gevoelde urgentie en
  3. stimulerende factoren (randvoorwaarden in de organisatie).

We leren veel informeel

In de Monitor Leercultuur is een reeks factoren samengebracht die samen een beeld geven van de leercultuur. Het concrete leergedrag is uiteraard een belangrijke factor, vertelt Hardy van de Ven. “Leren doen we zowel formeel – met bijvoorbeeld opleidingen, trainingen en cursussen – als informeel. Informeel leren doe je bijvoorbeeld door de taken die je op je werk hebt, of door het contact met je leidinggevende. Wie eenmaal volwassen is, besteedt veel meer tijd aan informeel leren dan aan formeel leren. Dat wil niet zeggen dat informeel leren beter of belangrijker is dan formeel leren; sommige dingen leer je nu eenmaal niet op de werkvloer, maar wel in een training. Beide manieren van leren vullen elkaar aan.”

Zowel het formeel als het informeel leren is de laatste jaren wat afgenomen. Van der Torre: “Mensen volgen minder vaak cursussen en trainingen, maar wel iets vaker opleidingen van zes maanden of langer. Wat betreft informeel leren geven werkenden aan dat het aandeel leerzame taken in hun werk is afgenomen. Aan die uitkomsten zie je dat het met de leercultuur dus niet automatisch de goede kant op gaat.”

‘Er is nog weinig beleid en sturing op informeel leren’

Vergeleken met andere Europese landen scoort Nederland hoog met formeel leren, maar zitten we in de middenmoot met informeel leren. “Er is nog weinig beleid en sturing op informeel leren. Dat is daarom een van de aandachtspunten voor beleid die we in de monitor formuleren.”

Ook belangrijk: wíl je leren?

Naast de vraag ‘Ben je daadwerkelijk aan het leren’ is ook belangrijk: ‘Wíl je leren?’ In de monitor heet dat de ‘urgentie’. Van de Ven: “Daarbij gaat het om vragen als: sluit je opleiding aan bij je werk, heb je behoefte aan scholing, hoe belangrijk vind je het om leermogelijkheden te hebben? Uit de monitor blijkt onder meer dat 91 procent van de werkenden leermogelijkheden belangrijk vindt – hoogopgeleiden overigens vaker dan laagopgeleiden – en dat 85 procent tevreden is over de geboden mogelijkheden.”

Van der Torre: “En tegelijk zien we dus dat mensen in de praktijk steeds minder leren, zowel formeel als informeel. Die trend is al vóór de coronacrisis ingezet. Hoe dat precies komt, weten we niet.”

“We halen in onze onderzoeken alleen data op en onderzoeken niet de oorzaken van de trends die we zien”, vult Van de Ven aan.

Vrijheid en verantwoordelijkheid als trigger om te leren

Of werkenden wel of niet blijven leren, hangt niet alleen af van hun eigen houding en capaciteiten, maar ook van de context van het werk, zeggen Van de Ven en Van de Torre. Gaat de leidinggevende in gesprek over ontwikkelmogelijkheden, is er binnen een bedrijf perspectief om door te groeien, hoeveel mogelijkheden biedt het werk zélf om nieuwe dingen te leren?

Over dat laatste zegt Van de Torre: “We zien dat mensen die veel autonomie en variatie in hun werk ervaren, meer leren van hun werk. Vrijheid en bevoegdheden krijgen om de doelen te realiseren waarvoor je verantwoordelijk bent, zorgen voor een trigger om te experimenteren en dus om te leren.” Weinig verrassend: hoogopgeleiden profiteren het vaakst van de combinatie van verantwoordelijkheid en autonomie. Dat gaat evenwel niet automatisch goed. “Ook zij hebben stimulerende factoren op en in het werk nodig om daadwerkelijk nieuwe dingen te leren.”

‘Steeds sneller nieuwe dingen leren is waarschijnlijk onvermijdelijk’

Voor alle sectoren geldt dat technologische ontwikkelingen steeds sneller gaan. “We moeten dus ook steeds sneller nieuwe dingen leren”, zegt Van der Torre. Is ons brein daartoe in staat: steeds sneller leren? “Daar zit inderdaad een grens aan, maar we kunnen wel een steeds groter deel van onze tijd besteden aan leren. Met het oog op de steeds snellere ontwikkelingen is dat in de toekomst waarschijnlijk onvermijdelijk.”


Dit artikel staat ook in de laatste editie van SERmagazine, over Leven Lang Ontwikkelen.

Neem ook een gratis abonnement


Hoe kunnen we de leercultuur verbeteren?

De Monitor Leercultuur geeft diverse aandachtspunten voor beleid, waaronder:

  • Overheid en sociale partners moeten de juiste randvoorwaarden creëren zodat mensen die wíllen leren, daar snel mee aan de slag kunnen.
  • Meer sturing is nodig op het stimuleren, herkennen en erkennen (vastleggen) van informeel leren, bijvoorbeeld in een skillspaspoort.
  • Kwetsbare groepen wat betref leercultuur zijn laagopgeleiden, 50-plussers en uitzendkrachten.

De komende jaren moet blijken of de toegenomen aandacht voor leren en ontwikkelen zorgt voor veranderingen in de leercultuur en wat de effecten van de coronacrisis zijn. TNO en de SER pleiten voor doorontwikkeling van de Monitor Leercultuur, zodat die de komende jaren nog meer informatie oplevert waar beleid op kan worden gebaseerd.