SERmagazine

Rijksbouwmeester Francesco Veenstra: ‘Woontorens zijn de oplossing niet’

In de strijd tegen de woningnood wil het kabinet dat er in Nederland tot 2030 minimaal 900.000 nieuwe woningen worden bijgebouwd. De toekomstvisie van rijksbouwmeester Francesco Veenstra reikt verder. Hij hamert op kwaliteit in plaats van kwantiteit. ”De 22ste eeuw begint nu.”

Interview Francesco Veenstra

Tekst: Dorine van Kesteren

Rijksbouwmeester Francesco Veenstra: ‘Woontorens zijn de oplossing niet’
Rijksbouwmeester Francesco Veenstra | Foto: Arenda Oomen

Het woord ‘wooncrisis’ neemt hij liever niet in de mond. “We moeten oppassen dat we niet alles een crisis noemen.” Nee, volgens Francesco Veenstra is ons land ‘in transitie’. “Dat klinkt heel anders, hoopvoller. Deze transitie heeft invloed op alles: hoe wekken we energie op, hoe verplaatsen we ons, welk voedsel verbouwen we, waar krijgt de natuur de ruimte, hoe gaan we om met bodem en water, waar gaan we wonen, werken en recreëren? Om deze vragen te beantwoorden, moeten we ver vooruitkijken. Want alles wat we nu doen of laten in de ruimte – huizen bouwen, wegen aanleggen, zonne- en windparken ontwikkelen –, heeft consequenties voor de toekomst.”
Architect Veenstra, die samen met twee rijksadviseurs voor de fysieke leefomgeving het College van Rijksadviseurs vormt, wil een verhaal bedenken voor de toekomst van Nederland. “Wij schetsen scenario’s voor 2100 en verder. Vervolgens bedenken we wat er in het hier en nu nodig is om daarnaartoe te kunnen bewegen. Ons motto is: de 22ste eeuw begint nu. Dit past precies bij de woorden van SER-voorzitter Kim Putters: we moeten de oplossingen voor de korte en lange termijn aan elkaar verbinden.”

Betaalbaarheid

Het meest prangend op dit moment is het woningtekort. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de woningbouwproductie in Nederland behoorlijk constant, met uitschieters naar boven in de jaren zeventig – 140.000 woningen per jaar – en naar beneden tijdens de financiële crisis. Tussen 2010 en 2015 zijn er ruim 200.000 woningen minder gebouwd dan gebruikelijk – precies het aantal dat we nu missen. De gevolgen zijn bekend: te weinig aanbod, hoge prijzen van koop- en huurwoningen, starters die worden weggevaagd van de woningmarkt.
Veenstra: “Betaalbaarheid van wonen is een snelgroeiend probleem. De grondprijs wordt bepaald door de marktdruk in een bepaalde regio. Het kabinet laat het overgrote deel van de nieuw te bouwen woningen landen in het westen – waar de woningen al duur zijn. Daardoor worden de grondprijzen alleen maar nóg hoger. Maar je kunt er ook voor kiezen om te bouwen in andere delen van het land. Dan komt er meer balans in de grondprijzen én in de huizenprijzen.”

Hardnekkig misverstand

Een betere doorstroming helpt ook. Een groot deel van de ongeveer 5 miljoen eengezinswoningen in Nederland wordt niet bewoond door gezinnen, maar door alleenstaanden. “Veel ouderen willen best verhuizen, maar hebben geen goed alternatief. Daarom is het zaak om voldoende woningen voor eenpersoonshuishoudens te bouwen, met meerdere kamers op een kleiner woonoppervlak, dicht bij de grond, in bestaande buurten, zodat mensen in hun eigen buurt kunnen verhuizen. Op die manier komen de eengezinswoningen vrij voor gezinnen.”
Betekent het verdichten van bestaande wijken niet automatisch dat we de lucht in moeten bouwen? “Dat denken veel mensen, maar dat klopt niet. Omdat dit een hardnekkig misverstand is, hebben we de verdichting in steden en dorpen van de afgelopen vijftien jaar onderzocht. Toen bleek dat er in die periode ongeveer een kwart miljoen woningen zijn toegevoegd zonder de hoogte in te gaan. Die woningen zijn met grote precisie in stadswijken en dorpsstraten ingepast. Daar dragen ze ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Doordat huishoudens gemiddeld steeds kleiner worden, neemt de bevolking in veel bestaande buurten sluipenderwijs af. Als er bewoners bijkomen, worden voorzieningen en scholen weer levensvatbaar, komt er weer leven op straat.”

‘Oudere woonwijken zijn vaak weids opgezet: met veel loze, ongebruikte openbare ruimte’

Niet in het weiland

Ook nu is er nog genoeg ruimte voor verdichting in steden en dorpen, aldus Veenstra. “In onderzoeken circuleren getallen tussen de 800.000 en 1 miljoen woningen. En dan hoef je geen woontorens neer te zetten. Torens zijn geen oplossing: al die mensen, gestapeld op een kleine oppervlakte, leggen druk op het maaiveld, op de mobiliteit en de buitenruimte, zodat het complex wordt om een gebied goed in te richten. Wat dan wel? Inbreiding, bijvoorbeeld. Woonwijken uit de jaren vijftig en zestig zijn vaak heel weids opgezet, met veel loze, ongebruikte openbare ruimte. Een andere optie is de transformatie van binnenstedelijke bedrijventerreinen tot woningbouwlocaties.”
Het is volgens de rijksbouwmeester niet noodzakelijk om uit te wijken naar het weiland. Beslist: “Wij zetten niet in op nieuwe vinex-locaties. Je zult er niet aan ontkomen dat je weleens buiten de stad bouwt – misschien ook wel juist om steden goede contouren te geven, na de grillige uitbreidingen in de jaren negentig – maar dat is niet de manier om de woningbouwopgave te realiseren.”

Het kabinet heeft zeventien zogeheten NOVEX-locaties aangewezen waar de komende jaren 400.000 woningen moeten verrijzen. Die woningen moeten ook goed bereikbaar zijn – de reden dat er geld beschikbaar komt om deze nieuwe grootschalige wijken te ontsluiten. “Het Rijk legt de focus op deze locaties, om te zorgen dat daar versneld en in samenhang met mobiliteit en natuurontwikkeling wordt gebouwd. Dat is prima, maar dat wil niet zeggen dat er elders niets gebeurt. Er wórdt nu al gebouwd: gemiddeld 70.000 woningen per jaar, door het hele land.”

‘Laten we bedenken hoe een woning generaties lang van waarde kan zijn’

Nabijheid

Veenstra benadrukt dat kwaliteit minstens zo belangrijk is als kwantiteit. “Als we het hebben over woningbouw, dan ligt de focus meestal op het bouwen en ontwikkelen. Dit proces duurt vijf tot tien jaar, afhankelijk van het soort project. Maar het wonen zelf, dat begint nadat het huis is opgeleverd, duurt veel langer. Soms zelfs honderden jaren, zoals in onze historische binnensteden. Laten we dus nadenken over de vraag hoe een woning voor al die opvolgende generaties van waarde kan zijn. Idealiter wonen we in de toekomst op plekken die worden gekenmerkt door nabijheid. Waar voorzieningen en verenigingen in de buurt zijn en gemeenschappen een schaal hebben waar mensen met elkaar in contact kunnen komen en blijven.”
Hij vervolgt: “Er ligt een enorme opgave om na te denken over de inrichting van de samenleving – van oudsher het domein van de SER. In wat voor land willen wij leven? Denk bijvoorbeeld aan de dominantie van de auto. Meer dan de helft van de onbebouwde oppervlakte in onze steden bestaat uit parkeerplaatsen en autowegen. Stel dat het lukt om dat te halveren, hoeveel ruimte komt er dan niet vrij voor groen en om op straat te wandelen, fietsen, sporten en elkaar te ontmoeten? Of denk aan de goederenstromen. Is het niet veel beter om de opslag van goederen kleinschaliger te organiseren, dichter bij de steden en dorpen, zodat al die enorme distributieloodsen in de open ruimte kunnen verdwijnen?”

Wenkend perspectief

Transities kosten tijd – en die tijd moet je ook nemen, besluit Veenstra. “Je kan niet verwachten dat mensen van de ene op de andere dag anders gaan leven. Daar is misschien wel de duur van een generatie voor nodig. Natuurlijk zijn er aanjagers en voorlopers, maar het gaat erom dat de grote middengroepen in beweging komen. Het is de taak van de overheid om deze mensen aan de hand te nemen. Dit kan door hun een wenkend perspectief te bieden van hoe Nederland er over tien, twintig of dertig jaar gaat uitzien. Dat is een kwestie van leiderschap en verbeelding. En aan die verbeelding proberen wij als ruimtelijk domein een bijdrage te leveren.”


Word gratis abonnee

Abonnement op het SERmagazine aanvragen? Wekelijks verschijnen nieuwe artikelen van het online SERmagazine op de SERsite. Je kunt je ook gratis abonneren op de papieren versie, die vijf keer per jaar verschijnt. Vul dit aanvraagformulier van de SER in en ontvang het papieren SERmagazine thuis.
Abonneer nu gratis


CV Francesco Veenstra

Francesco Veenstra (1973) is opgeleid aan de Rotterdamse Academie van Bouwkunst. Meer dan twee decennia werkte hij bij architectenbureau Mecanoo in Delft. In 2017 richtte hij Vakwerk Architecten in Delft op. Na twee jaar voorzitterschap van de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus (BNA) werd hij op 1 september 2021 Rijksbouwmeester en voorzitter van het College van Rijksadviseurs. Veenstra is nog steeds partner/architect van Vakwerk.

Een passende woning voor iedereen

De werkgroep woningmarkt van de SER commissie Sociaal-Economische Aangelegenheden verkende de knelpunten op de woningmarkt. Hoe versterk je de bouw- en plancapaciteit en verminder je de afhankelijkheid van de conjunctuurbeweging? SERmagazine 5 zoomt in op de woningmarkt.