SERmagazine

Digitale economie: Benutten we de kansen genoeg?

De digitale transformatie in Nederland verloopt goed. Ons land staat zelfs in de top drie van een Europese ranglijst. Maar deze positie is niet vanzelfsprekend, stelt Hans van Waayenburg, gepokt en gemazeld in de ict-wereld en nieuw raadslid van de SER namens de werkgevers.

Dorine van Kesteren

Nederland behoort tot de drie EU-landen met de krachtigste digitale economieën, blijkt uit de jaarlijkse, toonaangevende Digital Economy and Society Index (DESI) van de Europese Commissie. In deze ranglijst gaat het onder meer om de staat van de digitale infrastructuur in een land, de digitale vaardigheden van de bevolking, de digitalisering van de overheid en de online activiteiten van het bedrijfsleven. Hans van Waayenburg, die sinds februari namens VNO-NCW en branchevereniging Nederland ICT in de SER zit, is niet verbaasd over de top 3-notering. ‘De grote kracht van ons land is de infrastructuur. Maar liefst 98 procent van de Nederlanders heeft toegang tot het digitale netwerk: hierin zijn we nummer één in Europa. Daarnaast beschikken wij over een relatief hoogopgeleide beroepsbevolking.’

Boven Nederland staan Finland en Zweden. Als het gaat om de digitalisering van de overheid, moet ons land alleen Estland en Finland boven zich dulden. ‘In Estland wordt al sinds het einde van de jaren negentig veel geïnvesteerd in ict. Inmiddels kunnen mensen al hun overheidszaken digitaal regelen, inclusief het aanvragen van identiteitsbewijzen. Finland loopt voorop op het vlak van cloudoplossingen, e-health – 50 procent van de bevolking maakt daar gebruik van – en heeft het hoogste aantal vrouwen dat werkzaam is in de ict.’

De Nederlandse overheid krijgt nog weleens het verwijt dat zij zou grossieren in mislukte ict-projecten. Van Waayenburg, in het dagelijks leven directievoorzitter van ict-dienstverlener Capgemini Nederland, ergert zich daaraan. ‘In mijn vorige functie, als ceo van Sogeti Groep, heb ik in meer dan zestien landen gewerkt. Neem van mij aan: iederéén heeft moeite met grote ictprojecten. De trend in de markt is dan ook om dit soort projecten op te knippen in kleinere tranches, zodat de faalkans kleiner wordt. De besluitvorming loopt wat trager dan in de private sector, maar dat wil niet zeggen dat de overheid achterloopt. Kijk eens hoe je vandaag de dag belastingaangifte doet en vergelijk dat met tien jaar geleden.’

5G-netwerk

De huidige hoge positie van ons land is geen garantie voor de toekomst, waarschuwt Van Waayenburg. ‘We moeten uitkijken dat we geen last krijgen van de wet van de remmende voorsprong. Bij de aanleg van het 5G-netwerk gaan we minder snel dan de landen om ons heen. Dat komt door de trage politieke besluitvorming. De overheid stelt de frequenties waarop het netwerk moet gaan draaien, niet snel genoeg ter beschikking aan telecomaanbieders in de markt.’

Verder scoort het Nederlandse bedrijfsleven niet briljant bij de internethandel. Het Nederlandse midden- en kleinbedrijf loopt qua online verkoop achter op het EUgemiddelde. ‘Je zou kunnen zeggen dat we onze digitale kennis en kunde nog niet maximaal benutten. Het is de taak van het bedrijfsleven om daar stappen te zetten. De overheid moet zorgen voor een goede infrastructuur en investeren in onderzoek en innovatie. Vervolgens is het aan de bedrijven om te kijken hoe ze daar hun voordeel mee kunnen doen.’

De rol van de digitale platforms zal de komende jaren volgens Van Waayenburg alleen maar groter worden. ‘Met technologie vraag en aanbod bij elkaar brengen, is een niet te stuiten ontwikkeling. Mensen denken dan vaak alleen aan Uber en Booking.com, maar er ontstaan steeds meer platforms in bepaalde nichemarkten. De staalwereld bijvoorbeeld werkt aan een handelsplatform voor de grote bedrijven in die sector. De bestaande platforms gaan ook experimenteren en hun dienstverlening uitbreiden. Denk aan Uber, dat naar eigen zeggen in gesprek is met Europese supermarkten om een bezorgdienst voor boodschappen op te zetten.’

Digitale skills

De digitale vaardigheden van de beroepsbevolking vormen een ander punt van zorg. Door de snelle technologische ontwikkelingen gaat een deel van de bestaande taken verdwijnen. Ondertussen neemt in vrijwel alle functies de vraag naar digitale competenties toe, bleek onlangs uit onderzoek van CentERdata en Berenschot. ‘Aan de ene kant maakt dit het gemakkelijker om over te stappen naar een ander beroep of een andere sector. Aan de andere kant is het voor mensen die zo’n overstap willen maken – bijvoorbeeld omdat ze vrezen in de toekomst hun baan te verliezen – wel noodzakelijk om deze skills bij te spijkeren.'

Met ict kunnen scholen het onderwijs verbeteren

Dit ‘leven lang ontwikkelen’ ziet Van Waayenburg als een verantwoordelijkheid van de werkenden zelf, de overheid en het bedrijfsleven. ‘Bij Capgemini kunnen de medewerkers hun leven lang, op ieder gewenst moment, een opleiding kiezen van een uitgebreide “menukaart”. Wij streven naar een cultuur waarin een leven lang leren normaal wordt en stimuleren de medewerkers om gebruik te maken van deze faciliteiten. Die wil en bereidheid is er over het algemeen wel. Maar we kijken ook buiten de grenzen van ons eigen bedrijf. Wereldwijd helpen we laagopgeleide en kansarme volwassenen en kinderen met opleidingsprogramma’s om hun digitale vaardigheden te verbeteren. Dit noemen we digitale inclusiviteit.’

Het is volgens Van Waayenburg een taak van de overheid om het onderwijs digitaler te maken, zodat nieuwe generaties schoolverlaters volledig kunnen functioneren in de digitale wereld. ‘Met ict kunnen scholen het onderwijs verbeteren. In Estland begint het bij de jeugd: Estse kinderen leren programmeren op school en schoolgebouwen zijn ingericht op de omgang met digitale tools. Ik pleit ook in ons land voor zo’n consequente aanpak, hoewel ik me realiseer dat het lerarentekort een belemmerende factor is.’

Gefragmenteerd

Aan de ambities van het kabinet zal het in ieder geval niet liggen. Vorig jaar presenteerde staatssecretaris Keijzer van EZK een strategische agenda om van Nederland dé digitale koploper van Europa te maken. Van Waayenburg: ‘Ik zie voldoende visie en plannen, die tot stand komen in harmonie tussen overheid, bedrijfsleven en brancheverenigingen. Maar soms zijn de initiatieven te gefragmenteerd. Met digitale veiligheid bijvoorbeeld houden zoveel verschillende instanties zich bezig. Alleen al drie ministeries. Dat kan veel efficiënter en meer gefocust. Daarnaast kan het tempo omhoog. Zo liggen er enorme kansen in de gezondheidszorg. Op termijn kunnen medische controles bestaan uit interacties met sensoren, camera’s en robotscanners, in plaats van fysiek contact met dokters en verpleegkundigen. Denk bijvoorbeeld aan het project Hospital to Home van Philips. Deze ontwikkelingen worden opgehouden door regelgeving en discussies over wie wat moet betalen – en dat is jammer.’

Een coalitie van onder meer VNO-NCW, het ministerie van EZK, MKB-Nederland en de bedrijven IBM, Philips en Ahold Delhaize, riep deze zomer het kabinet op om een actieplan op te stellen rond kunstmatige intelligentie. Zo zou er een nationaal fonds moeten komen om (nieuwe) bedrijven te financieren die zich hiermee bezighouden. Dat is hard nodig, schreven de partijen, omdat Nederland anders de boot gaat missen. ‘Een verstandige oproep, aangezien kunstmatige intelligentie bepalend is voor de welvaart en het welzijn in de toekomst.’

Niet op zichzelf

Digitalisering staat niet op zichzelf, maar is verweven met ons hele leven, besluit Van Waayenburg. Hij kan het niet vaak genoeg zeggen: er bestaat geen maatschappelijk probleem, geen beleidsterrein en geen vak waaraan de technologische ontwikkelingen voorbijgaan. ‘Hetzelfde geldt voor de opgaven die bij de SER op de agenda staan. Of het nu gaat over de arbeidsmarkt, economie of duurzaamheid. Of neem een vraagstuk als laaggeletterdheid. In de praktijk hebben mensen die moeite hebben met lezen, schrijven of rekenen, vaak ook moeite met de computer, tablet en smartphone. Dit heeft grote gevolgen voor hun werk, gezondheid en financiën. Tegelijk kunnen digitale middelen juist helpen om deze mensen te scholen. Met mijn achtergrond hoop ik in de SER een inhoudelijke bijdrage te kunnen leveren aan dit soort vraagstukken.’