Home | Publicaties | SERmagazine | 2018 | Februari 2018 | Afscheid kroonlid Mirjam van Praag

Afscheid kroonlid Mirjam van Praag

‘Ondernemerschap is aan te leren’

In het werk van econometrist Mirjam van Praag staat de mens centraal. Als hoogleraar houdt zij zich bezig met de mens achter de ondernemer. Als kroonlid dacht zij onder meer na over sociale ondernemingen, ambachtslieden en migrantenjongeren. Na ruim zeven jaar neemt ze afscheid van de SER.

Dorine van Kesteren

Ze begint op 1 maart als collegevoorzitter van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Een stap verder weg van het hardcore onderzoek – in haar ogen haar fijnste onderdeel van het wetenschappelijk werk. Maar nog altijd midden in de universitaire wereld.

Er liggen op dit moment heel taaie problemen op tafel
 

Haar loopbaan vertoont grote gelijkenissen met die van haar vader, econometrist en oud-hoogleraar Bernard van Praag, die ook enige tijd kroonlid van de SER is geweest. ‘Ik heb mijn best gedaan om het anders te doen dan hij’, lacht ze. ‘Ik wilde echt geen econometrie studeren, stel je voor! Daarom heb ik uitgebreid gekeken naar andere studies. Maar uiteindelijk vond ik econometrie toch het allerleukste, omdat in dit vak de cijfers toepasbaar zijn op de mens. En ik heb allerlei banen gehad in het bedrijfsleven, maar mijn hart bleek toch bij de wetenschap te liggen. Als kind zag ik al dat mijn vader mooi en interessant werk had.’

Mooi moment

De laatste tijd was het kroonlidmaatschap moeilijk praktisch in te vullen, omdat Van Praag iedere week in Kopenhagen was voor haar baan als hoogleraar Ondernemerschap aan de Copenhagen Business School. ‘Nu de nieuwe job bij de VU zich aandient, is het een mooi moment om te stoppen bij de SER. Na ruim zeven jaar had ik soms ook wel wat aha-erlebnissen en déjà-vu’s. Bijna vier termijnen van twee jaar zijn een mooie periode voor een kroonlid, denk ik.’

Wat is uw meest memorabele SER-moment?

‘Bij de verkenning over de benutting van het arbeidspotentieel van migrantenjongeren hadden we een bijeenkomst in de raadszaal georganiseerd. Daar waren vele ambitieuze, eloquente, hoogopgeleide migrantenjongeren aanwezig, die toch moeilijk een baan konden vinden. Ik zag zoveel power in de zaal: dat was echt een eyeopener, vrolijk stemmend en bedroevend tegelijk.

Bij deze verkenning was ik betrokken als voorzitter, net als bij de SER-adviezen over de ambachtseconomie en sociale ondernemingen. Het zijn alle drie belangrijke onderwerpen. Het mooie is… als je deze problemen oplost, loopt de economie soepeler en neemt de productie toe. Tegelijk worden ook het inkomen en de welvaart beter verdeeld als migrantenjongeren gemakkelijker aan het werk komen, als sociale ondernemingen goed functioneren en als de mensen die handenarbeid verrichten, meer erkenning krijgen.’

En het dieptepunt?

‘Als je in de beslotenheid van een commissie plannen of ideeën ontwikkelt, kom je met elkaar in een bepaalde sfeer. Dan krijg je vleugels en denk je: dit gaat echt de goede kant op. Maar bij de volgende vergadering zijn de achterbannen geraadpleegd. Die zijn niet bij het denkproces in die commissiekamer aanwezig en denken soms ook aan andere of bredere belangen. En dan zet je toch weer een paar stappen terug. Ik begrijp heel goed dat het zo werkt hoor, maar dit was weleens frustrerend.’

Ik zie allerlei vormen van modernisering bij de SER: snellere adviestrajecten, meer eigen initiatief
 

Het overleg tussen de sociale partners verloopt momenteel vrij moeizaam. Waar ligt dat aan?

‘Er liggen nu eenmaal heel taaie problemen op tafel. In onze samenleving is een tweedeling tussen vast en flex ontstaan. Aan de ene kant is het logisch dat werkgevers hun behoefte aan flexibiliteit oplossen met een flexibele schil. Aan de andere kant geloof ik er heilig in dat werknemers veiligheid en voldoening nodig hebben, en dat vraagt een bepaalde mate van continuïteit. Iedereen vindt dat de verschillen tussen vast en flex kleiner moeten worden, dat is het punt niet. De vraag is alleen: hoe?’

U bent inmiddels heel bekend met het Deense model. Zou dat de oplossing zijn?

‘In het Deense model kunnen mensen vrij gemakkelijk worden ontslagen, waardoor werkgevers ook gemakkelijker mensen aannemen. Tegelijkertijd is er goede, snelle van-werk-naar-werk-begeleiding. Als iemand werkloos wordt, wordt hij binnen twee weken gescreend. In Nederland kan dat drie maanden duren.

Hoe hoger iemand is opgeleid, hoe groter de kans dat hij een succesvolle ondernemer wordt
 

Daarnaast volgen veel Denen een opleiding naast het werk; het hoogste percentage van de beroepsbevolking in Europa. Dat is goed voor de arbeidsmobiliteit.

Maar nadelen zijn er ook. Het systeem is duur en het sociale vangnet niet zo comfortabel als in Nederland. Maar liefst 17 procent van de werkenden valt erbuiten, bijvoorbeeld omdat ze niet lang genoeg in Denemarken wonen en werken. En de loondoorbetaling bij ziekte duurt maar 31 dagen.’

Toch maar niet doen dus?

‘Of het wenselijk is om dit systeem over te nemen, is een politieke keuze. Je moet ook bedenken dat we het Deense model niet zomaar kunnen implementeren in Nederland, omdat het is gebouwd op een heel andere cultuur en historie. Denemarken kent een enorm hoge organisatiegraad: 80 procent van de werknemers is lid van een vakbond. Daarbij komt dat de sociale partners van oudsher veel meer verantwoordelijkheden hebben. Binnen wettelijke grenzen regelen zij bijvoorbeeld zelf de ontslagbescherming, duur en hoogte van de uitkeringen en de loondoorbetaling bij ziekte. Bij ons valt dat allemaal onder de nationale wetgeving, die door de centrale wetgever wordt vastgesteld.’

Hoe kijkt u naar de SER?

‘Veel mensen realiseren zich niet hoe bijzonder het is om adviezen uit te brengen waar iedereen het mee eens is. Het SER-model is nog steeds heel sterk. Als organisatie functioneert de SER goed. Het secretariaat is een prachtig onderzoeks- en adviesbureau. Misschien wel wat ondergewaardeerd, omdat dit niet algemeen bekend is. En de SER gaat met zijn tijd mee. Ik zie allerlei vormen van modernisering: snellere adviestrajecten, meer eigen initiatief. Het Energieakkoord, waarbij maar liefst 43 partijen betrokken zijn, is een geweldig voorbeeld van een vernieuwende methode om de samenleving bij de adviestrajecten te betrekken.’

Over welk onderwerp zou de SER zich volgens u moeten buigen?

‘De organisatie van de toekomst. Veel bedrijven en overheidsinstellingen kennen vandaag de dag nog een twintigste-eeuwse hiërarchie, waarin medewerkers weinig vertrouwen, waardering en autonomie ervaren. Dat werkt niet meer. Een nieuw organisatiemodel is goed voor zowel werkgevers als werknemers, omdat de tevredenheid, productiviteit, creativiteit én innovatie toenemen. Typisch een SER-onderwerp, toch?’

Uw onderzoeksterrein is ondernemerschap. Vanwaar uw interesse voor de mens achter de ondernemer?

‘Ik was altijd al geïnteresseerd in de keuzes die mensen maken op de arbeidsmarkt en de vraag waarom de een daarin succesvoller is dan de ander. Vijfentwintig jaar geleden was er nog maar weinig onderzoek gedaan naar ondernemers. Mijn promotoren zagen er niet veel in, maar ik vond het heel interessant om te onderzoeken wie er ondernemer wordt en wat een ondernemer succesvol maakt. Een van mijn belangrijkste conclusies is dat hoe hoger iemand is opgeleid, hoe groter de kans is dat hij een succesvolle ondernemer wordt. Het is dus een mythe dat school tijdverspilling is voor mensen die ondernemer willen worden. Uit mijn onderzoek blijkt verder dat mensen ondernemerschap kunnen léren. Het is dus geen aangeboren talent. Niettemin is er ook een genetische component.’

Een bepaalde risicobereidheid als karaktereigenschap?

‘Dat klopt. De meeste mensen vinden het erger om 1000 euro te verliezen dan dat ze het leuk vinden om 1000 euro te winnen. Uit onze experimenten met duizenden managers en ondernemers blijkt dat ondernemers minder last hebben van deze verliesaversie. Ze blijven ook minder lang hangen in een verlies. Ze breiden het verlies niet uit naar de rest van hun leven – mijn hele leven is mislukt – en ook niet in de tijd – vanaf nu gaat alles mislukken. Nee, ze parkeren het en gaan weer verder.’

Hoe gaat het met het ondernemerschap in Nederland?

‘Op zichzelf goed, maar nu we weten dat mensen niet als ondernemer worden geboren, mag er wel meer aandacht komen voor het onderwijs in ondernemerschap. Al op de basisschool kan je kinderen ondernemersvaardigheden bijbrengen: pro-activiteit, creativiteit, anderen motiveren...

Er mag meer aandacht komen voor het onderwijs in ondernemerschap
 

Daarnaast is het belangrijk om de studenten op universiteiten en hogescholen bewust te maken van de keuze om ondernemer te worden. Zeker omdat dit de hoogopgeleide mensen zijn die sowieso al een grotere kans maken om een goede ondernemer te worden.

Zelf heb ik het Amsterdam Center for Entrepeneurship (ACE) opgericht, waarin onder meer de Vrije Universiteit, Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam participeren. Aanvankelijk lag de focus op onderzoek, later hebben we diverse master- en minoropleidingen in ondernemerschap opgezet. Nu die allemaal gewoon vanuit de faculteiten lopen, ondersteunt ACE studenten en onderzoekers die een wetenschappelijke uitvinding willen vermarkten. Want een slimme, ambitieuze postdoc natuurkunde met een mooie uitvinding weet natuurlijk niet per se iets van marketing en intellectueel eigendom.’

Dat moet u als bestuurder van de universiteit straks allemaal missen.

‘Inderdaad, hoewel ondernemendheid, valorisatie en sociale innovatie zeker bestuursthema’s zijn op universiteiten. En gelukkig houd ik een kleine aanstelling in Kopenhagen. Mijn promovendi en studenten laat ik niet in de steek.’

Wie is Mirjam van Praag?

Mirjam van Praag (1967) studeerde econometrie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1996 promoveerde zij aan dezelfde universiteit. Na banen bij Procter & Gamble, Intomart en The Boston Consulting Group ging zij in 1998 de wetenschap in. Zij werkte achtereenvolgens als universitair hoofddocent organisatieeconomie en hoogleraar Ondernemerschap en organisatie aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 2014 bekleedde zij de Maersk Mc-Kinney Moller-leerstoel aan de Copenhagen Business School. Op 1 maart 2018 begint zij als collegevoorzitter van de VU.

SERmagazine nr. 2 - februari 2018
SERmagazine

Inhoudsopgave