Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2009 | Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkplek

Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkplek

Advies nr. 2009/01 - 20 maart 2009

Werkgevers en werknemers willen samen met de overheid het omgaan met nanodeeltjes op de werkplek aanpakken. Uitgangspunt hierbij zijn de veiligheid en gezondheid van de werknemers Omdat de risico’s van nanodeeltjes nog onbekend en onzeker zijn, moeten ze behandeld worden als gevaarlijke stoffen. De consequentie hiervan is dat het beleid en de uitvoeringsmaatregelen gericht moeten zijn op het voorkomen of minimaliseren van de blootstelling van werknemers aan nanodeeltjes.

Download:Volledig advies (2920 kB)Samenvatting (106 kB)

Samenvatting


Het advies Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkvloer is het antwoord van de commissie Arbeidsomstandigheden van de SER op de adviesaanvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van 5 september 2008. Deze adviesaanvraag richt zich op de vraag hoe om te gaan met de onzekerheden over de risico’s van nanotechnologie en dan vooral van synthetische, slecht afbreekbare nanodeeltjes in de beroepsmatige omgeving (1).

De veiligheid en de gezondheid van de werknemers die op de werkvloer met nanodeeltjes werken, staan voor de commissie centraal. Primair is de werkgever daarvoor verantwoordelijk uit hoofde van zijn zorgplicht, neergelegd in de Arbowet.
Uitgangspunt is dat stoffen met onzekere of onbekende risico’s, waartoe ook nanodeeltjes behoren, behandeld moeten worden als (zeer) gevaarlijke stoffen. Dat houdt in dat het beleid en de uitvoeringsmaatregelen in die gevallen gericht moeten zijn op het voorkomen of minimaliseren van de blootstelling van werknemers.

De huidige Arbowet en -regelgeving vormen de basis voor het treffen van beschermende maatregelen. Ook de Europese stoffenwetgeving (REACH) is daarbij van groot belang. Momenteel vindt in Europees verband overleg plaats over hoe nanodeeltjes in het kader van REACH moeten worden beoordeeld. Daar dit overleg nog niet is afgerond en gezien de onbekende en onzekere risico’s die aan het werken met nanodeeltjes kleven, acht de commissie toepassing van het voorzorgbeginsel in beleid en uitvoeringsmaatregelen nodig.
De commissie heeft daartoe geïnventariseerd wat het voorzorgbeginsel in algemene zin inhoudt en welke gemeenschappelijke elementen in de verschillende nationale en internationale omschrijvingen van dit procesbeginsel zijn aangetroffen.
Voor de toepassing van het voorzorgbeginsel als onderdeel van een goed arbobeleid voor het veilig omgaan met nanodeeltjes zal het voorzorgbeginsel in het arbeidsomstandighedenbeleid moeten worden geïmplementeerd. Dat betekent dat het voorzorgsbeginsel dan onderdeel wordt van door bedrijven op te stellen RI&E’s en daarbij horende plannen van aanpak.
Dat impliceert dat de inspanning van de werkgever erop gericht dient te zijn blootstelling aan nanodeeltjes te voorkomen en – in gevallen waarin blootstelling onvermijdbaar is – de blootstelling qua duur en omvang zo beperkt mogelijk te houden; met andere woorden minimaliseren van de blootstelling.
De commissie beschouwt de toepassing van het voorzorgbeginsel als een tijdelijke aangelegenheid, namelijk tot het moment van de implementatie van de nanodeeltjes in de Europese REACH-regelgeving of het moment waarop de toename van kennis en informatie over nanodeeltjes voldoende is.

Voor een nadere invulling van het voorzorgbeginsel acht de commissie het van belang in te zetten op het ontwikkelen van goede praktijken als hulpmiddel voor het bedrijfsleven. Voor het identificeren van maatregelen om blootstelling te voorkomen, wordt uitgegaan van de klassieke arbeidshygiënische strategie, evenwel vertaald naar het omgaan met nanodeeltjes.
Sociale partners zullen samen met de overheid, nationaal en Europees, initiatieven voor de opbouw en uitwisseling van relevante kennis nemen. Ook zal er voorlichting moeten komen om het risicobewustzijn van betrokkenen te vergroten.

Sociale partners zullen daartoe onder meer een algemene handreiking ontwikkelen en onder de aandacht van betrokkenen brengen. De nadruk zal komen te liggen op de verdere specifieke invulling op brancheniveau (bijvoorbeeld in de vorm van arbocatalogi) en op bedrijfsniveau.
De commissie adviseert de minister de Nederlandse sociale partners daarin te ondersteunen.

De commissie vraagt aan de werkgever(s) onder meer het voorzorgbeginsel toe te passen en te implementeren in de RI&E’s en daarbij horende plannen van aanpak, goede praktijken te ontwikkelen, informatie over nanodeeltjes door te geven in de keten, bij te dragen aan informatie-uitwisseling en algemene voorlichting, en samen met de werknemers en de overheid een landelijke richtlijn te ontwikkelen. Verder vraagt de commissie de effectiviteit van genomen maatregelen te monitoren, en medewerking te verlenen aan een goede kennis- en expertiseopbouw en -ontwikkeling op het terrein van nanomaterialen bij de Arbeidsinspectie.

Van werknemers verwacht de commissie onder meer dat zij bijdragen aan de implementatie van het voorzorgbeginsel in de RI&E’s en daarbij horende plannen van aanpak, aan de informatie-uitwisseling en aan een goede algemene voorlichting over nanodeeltjes. Ook vraagt de commissie hen mee te werken aan de ontwikkeling van goede praktijken en een landelijke richtlijn.

De commissie verwacht van de overheid onder meer dat zij het proces van verankering in REACH van de beoordeling van de risico’s van nanodeeltjes stimuleert, en bijdraagt aan het bespoedigen van het grenswaardeonderzoek voor nanodeeltjes in internationaal kader, aan informatie-uitwisseling en goede algemene voorlichting, Verder adviseert de commissie dat de overheid de Gezondheidsraad verzoekt om gezondheidskundig verantwoorde grenswaarden op te stellen en, indien dit niet mogelijk is, dat zij de mogelijkheid van toepassing van referentiewaarden laat onderzoeken.
Ook vraagt de commissie de overheid te onderzoeken of het uitwerken van een meldingsplicht in de keten voor bedrijven die met nanomaterialen werken een zinvol instrument is. Standaard zullen in de VIB’s de deeltjesgrootte en de mogelijke gevaren van de desbetreffende stof en de te nemen beheersmaatregelen voor nanodeeltjes moeten worden vermeld.

Verder vraagt de commissie de overheid om activiteiten te ontplooien in het kader van de invoering van een blootstellingsregistratie voor nanodeeltjes en de mogelijkheid en toepassing van een gezondheidsbewakingssysteem.
De overheid wordt ook gevraagd samen met de sociale partners een landelijke richtlijn te ontwikkelen en actief mee te werken aan de kennisverbreding en -uitwisseling over mogelijke risico’s en risicobeheersing van nanodeeltjes.
Naast het stimuleren en het subsidiëren van onderzoek naar de relatie tussen blootstelling aan nanodeeltjes en gezondheidseffecten vraagt de commissie de overheid ten slotte te zorgen voor de communicatie naar de samenleving over nanodeeltjes én voor een adequate, alerte en efficiënte handhaving.



  1. Het voorvoegsel ‘nano’ heeft betrekking op de nanometer (nm). Om een indruk te krijgen van de schaalgrootte waar het hier om gaat: een nanometer is 0,000 001 millimeter.