Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2008 | Zuinig op de Randstad

Advies Zuinig op de Randstad

Advies nr. 2008/04 - 18 april 2008 

In dit advies, dat unaniem werd aangenomen, geeft de SER aan wat de overheid moet doen om ervoor te zorgen dat de Randstad een duurzame en concurrerende Europese topregio blijft.

Download:Volledig advies (1295 kB)Samenvatting (125 kB)

Samenvatting


Minister Cramer van VROM heeft de SER een adviesaanvraag gestuurd over de integrale langetermijnvisie op de Randstad in 2040. Het kabinet wil namelijk de Randstad ontwikkelen tot een duurzame en concurrerende Europese topregio. De SER ondersteunt die ambitie van het kabinet en meent dat deze ambitie vertaald moet worden in een investerings- en innovatiestrategie voor de Randstad. Hierbij horen een investeringsagenda en een plan van aanpak voor de uitvoering met een financieel kader, tijdpad en instrumentarium.
In de investeringsagenda klinkt de brede invalshoek van de SER door: niet alleen ruimtelijk en economisch beleid, maar ook sociale en ecologische componenten.
Van belang is een duidelijke prioritering, fasering en samenhang zowel binnen de Randstad als met de rest van Nederland. Voor de financiering van de investeringen is van belang dat deze structureel voor een lange reeks van jaren wordt zeker gesteld. Voor de uitvoering van de strategie kan onder meer gebruik worden gemaakt van de instrumenten die de nieuwe Wet ruimtelijke ordening biedt (inpassingsplan en coördinatieregeling).
Het opzetten van een dergelijke strategie benadrukt de urgentie: er moet nu actie worden ondernomen om de Randstad ook in de toekomst een duurzame en concurrerende Europese topregio te laten zijn. De raad adviseert om niet te wachten tot 2040; nu al moet worden bepaald wat er in 2020 moet zijn gerealiseerd.
Indien besloten wordt dat ook voor andere landsdelen een investerings- en innovatieagenda wordt opgesteld, dan ligt het voor de hand dat daarin mutatis mutandis de gedachten en voorstellen uit dit Randstadadvies hun plaats krijgen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de Economische en Ecologische Hoofdstructuur in die landsdelen. Zo’n Deltaplan moet uiterlijk 2010 zijn afgerond en worden gefinancierd uit de nog resterende aardgasbaten.

De SER verwoordt in dit advies zijn eigen sociaal-economische invulling daarvan. Er zal geïnvesteerd moeten worden in de kwaliteit van het gebied en in de kwaliteit van de mensen die er wonen en werken. De Randstad moet voor burgers en bedrijven een aantrekkelijk en compleet vestigingsklimaat bieden.

Als uitgangspunt voor zijn advies kiest de SER voor de integrale invalshoek bij beslissingen over beleidsmaatregelen en projecten, waarbij telkens een afweging moet worden gemaakt tussen de drie dimensies van een duurzame ontwikkeling: economisch, sociaal en ecologisch.

De Randstad in perspectief
De Randstad is geen homogeen en eenduidig afgebakend gebied in ruimtelijke zin en vormt geen bestuurlijke eenheid. De Randstad vormt een dynamisch geheel waarbij voortdurend een uitwisseling van ruimtevragende functies (wonen, werken, natuur, landbouw, recreatie) plaatsvindt met andere delen van het land. Maar als begrip leeft de Randstad volop. Met zijn zeven miljoen inwoners behoort het tot de grootste agglomeraties van Europa, het kent de grootste haven van Europa en de op vier na grootste luchthaven, er bevinden zich belangrijke agrarische gebieden die wereldwijd exporteren en het heeft kostbare natuurgebieden. Maar het staat ook bekend vanwege zijn woningschaarste en problemen in de wijken met armoede, vanwege de zorgwekkende milieukwaliteit, zijn files en bestuurlijke drukte. En het ligt grotendeels beneden de zeespiegel en aan de monding van enkele grote Europese rivieren en is daardoor extra gevoelig voor de gevolgen van klimaatveranderingen.
In internationaal perspectief speelt de Randstad een belangrijke rol bij de distributie van goederen en diensten; door zijn geografische ligging vormt het de toegangspoort tot de Europese Unie. De betekenis daarvan is mede afhankelijk van de kwaliteit van de achterlandverbindingen over de weg, per spoor, door de lucht en over het water. De kwaliteiten van de stedelijke regio’s in de Randstad zijn belangrijk voor het aantrekken van internationale bedrijven en hooggekwalificeerde medewerkers.
Binnen Nederland bevindt ongeveer veertig procent van de inwoners, banen en werkenden zich in de Randstad. Bijna zestig procent van alle in Nederland gevestigde buitenlandse bedrijven vindt men in de Randstad.
De Randstad is een netwerk van stedelijke agglomeraties met in het midden een groen hart. Dat biedt voordelen ten aanzien van afzetmarkten, toeleveranciers en vraag naar en aanbod van gekwalificeerd personeel; de keuze aan werkzoekenden en aan banen is er groter dan elders. De agglomeratievoordelen van de Randstad moeten worden vergroot en optimaal benut en de agglomeratienadelen (drukte, congestie) moeten worden verkleind.

Naar een compleet en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor de Randstad
Voor zijn verdere ontplooiing heeft de Randstad in de ogen van de raad een compleet en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor burgers en bedrijven in de Randstad nodig. Dat betekent aandacht voor economische, ruimtelijke, sociale en ecologische componenten. De transitie naar een duurzame inrichting van de Randstad vormt een voorwaarde voor een concurrerende regio.
Daarbij hoort ook een algemeen, offensief sociaal-economisch beleid met ruimte voor ondernemerschap, versterking van het innovatief vermogen en verbetering van de fysieke infrastructuur. Versterking van het innovatief vermogen van de Randstad betekent dat aangesloten moet worden bij de potenties van het gebied en dat vraagt om een gericht innovatiebeleid met onder meer versterking van de bestuurlijke interacties tussen universiteiten, hogescholen en kennisinstellingen in de Randstad met het bedrijfsleven.

De investerings- en innovatiestrategie voor de Randstad moeten ten minste vier onderwerpen bevatten.
Bij de arbeidsmarkt gaat het om de kwantitatieve en vooral ook de kwalitatieve ontwikkelingen van vraag naar en aanbod van arbeid. In kwantitatief opzicht is op termijn een stabilisatie van de bevolkingsomvang in ons land te verwachten. Of dat ook in de Randstad het geval zal zijn, hangt onder meer af van omvang en samenstelling van de immigratie: in hoeverre gaat het om gezinsmigratie en in hoeverre om arbeids- c.q. kennismigranten? Als de Randstad zich in de komende decennia ontwikkelt tot een sterke economische regio, kan dit een aanzuigende werking hebben op vooral laagopgeleide migranten.
De tweezijdige beleidsopdracht is dan enerzijds het aantrekken van hoogopgeleide kennismigranten om het tekort aan hoger opgeleiden op te vangen en anderzijds ervoor zorgen dat het groeiende bestand van laagopgeleiden mee kan doen. Dit vraagt allereerst een goede aanpak op centraal niveau, maar omdat voor veel mensen, vooral laagopgeleiden, de arbeidsmarkt nog steeds een regionaal fenomeen is, blijft er ook behoefte aan een gericht arbeidsmarktbeleid op regionaal niveau en op het niveau van de stadsregio. Dat vraagt op decentraal niveau ook om meer samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs.

Bij de bereikbaarheid naar en binnen de Randstad gaat het – naast investeringen in de infrastructuur voor weg-, spoor- en watertransport – om een forse kwaliteitssprong, vooral systeeminnovaties ten gunste van de transitie naar duurzame mobiliteit. De raad dringt erop aan alles op alles te zetten om het naar tijd, plaats en milieubelasting gedifferentieerde kilometertarief op korte termijn daadwerkelijk in te voeren met daarbij investeringen in infrastructurele projecten met het hoogste maatschappelijke rendement.
Verder is een integratie van de verschillende vervoersvormen noodzakelijk, waarbij bestaande assen worden benut door de introductie van knooppunten die overstap van de ene naar de andere vervoersmodaliteiten mogelijk maken en vergemakkelijken. Voor het openbaar vervoer binnen de Randstad ziet de raad verbeteringen als dringend gewenst, met name meer frequente en snellere verbindingen binnen en tussen de stadsregio’s en uitbreiding van infrastructuur. Stationslocaties kunnen door functiecombinatie uitgroeien tot aantrekkelijke multifunctionele woon-, werk- en verblijfsgebieden met bezoeksintensieve voorzieningen.
Bereikbaarheidswinst kan ten slotte worden bereikt door maximaal in te zetten op bundeling en intensivering van verstedelijking, waarmee ook besparing van kosten voor infrastructuur en beperking van CO2-emissies kunnen worden gerealiseerd. Ook de groeipotenties van de binnenvaart en de shortsea shipping moeten worden benut. Ten slotte zal ook tijdig, binnen de kaders van duurzaamheid, moeten worden nagedacht over de ontwikkelingsperspectieven van de mainports Schiphol en de Rotterdamse haven, die beide essentieel onderdeel van een Europese topregio vormen.

Bij een compleet vestigingsklimaat hoort ook een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. De verwachte toename van de woningvoorraad in de Randstad kan deels worden opgevangen door stedelijke verdichting. Voor verdere woningbouw moet ruimte worden gezocht en benut die zoveel mogelijk nabij de steden en op de ring en de uitlopers aanwezig is. Bevordering van diverse woonmilieus vergroot de aantrekkelijkheid van de Randstad als vestigingsplaats voor burgers. De groenblauwe structuur van het buitengebied moet zich voortzetten tot binnen in de steden, omdat stedelingen ook groenvoorzieningen in de stad zelf willen en niet alleen op grotere afstand.
Voor het Groene Hart bepleit de raad een programma om te komen met intensieve functiecombinaties met enerzijds aandacht voor een ontwikkelingsperspectief voor de grondgebonden veehouderij en anderzijds voor de natuur- en waterproblematiek. In de ontwikkeling van het Groene Hart tot een recreatiepark ziet de raad weinig; de voorkeur gaat uit naar een betere ontsluiting van het gebied als recreatiemogelijkheid voor stadsbewoners.

Vanwege zijn ligging beneden de zeespiegel aan de monding van grote rivieren (extreme waterafvoer) zijn op langere termijn de gevolgen van de klimaatverandering voor de Randstad van belang. Wat de noodzakelijke mitigatie betreft kan de Randstad bijdragen aan beperking van de klimaatwijziging door reductie van broeikasgassen, energiebesparing en hernieuwbare energie, zoals onder meer in het duurzaamheidakkoord van kabinet en bedrijfsleven is afgesproken. In het verkeer en vervoer kan de CO2-uitstoot worden beperkt. Adaptatie aan de verwachte klimaatveranderingen vraagt om extra aandacht en maatregelen voor duin en dijk op korte termijn, gezien de lange tijd van voorbereiding en uitvoering. Ook nieuwe mogelijkheden om steden klimaatbestendig te maken, zoals groene daken, vijvers op het dak van gebouwen, moeten meer worden benut.

Wat is er nodig om bovengenoemde strategie uit te voeren?
Het waarmaken van de ambitie om de Randstad verder te ontwikkelen tot een duurzame en concurrerende Europese topregio, stelt hoge eisen aan het organisatorisch vermogen van de Randstad.

Gezien het langetermijnperspectief van de investerings- en innovatiestrategie dient allereerst een manier gevonden te worden hoe om te gaan met onzekerheden. Dat betekent dat, ondanks dat zoveel mogelijk no regret-maatregelen dienen te worden genomen, niet is uit te sluiten dat beslissingen worden getroffen die achteraf niet optimaal blijken. Dat biedt ruimte om te leren van fouten en om te anticiperen op zich wijzigende omstandigheden.
De ambities zijn groot en zo ook de druk op de ruimte. Aangezien Nederland in ruimtelijke termen niet (of nauwelijks) zal groeien, neemt de ruimtedruk waarschijnlijk alleen maar toe. Een oplossingsrichting ligt in het beter benutten van schaarse ruimte door middel van combinaties van functies. Ruimtecombinaties als wonen, werken en voorzieningen vergroten de aantrekkelijkheid van de Randstad als vestigingsplaats en verkorten verplaatsingsafstanden.

Hoe is de strategie bestuurlijk aan te pakken?
De nieuwe Wet ruimtelijke ordening biedt instrumenten voor het Rijk en de provincies om het probleem van de bestuurlijke drukte in de Randstad aan te pakken, zoals doorzettingsmacht, inpassingsplan en de coördinatieregeling voor de uitvoeringsbesluiten. Overheden moeten van deze mogelijkheden optimaal gebruikmaken. Het Rijk is verantwoordelijk voor de zorg voor de nationale ruimtelijk-economische en ecologische hoofdstructuur. Mede vanuit dat perspectief vindt de raad het een taak van de centrale overheid om – tezamen met andere relevante Randstadactoren – de investerings- en innovatiestrategie voor de Randstad te ontwikkelen. In dat kader is het wenselijk dat er een duidelijke koppeling komt tussen de langetermijnvisie op de Randstad en het meer op de korte termijn gerichte Urgentie Programma Randstad. Dit laatste kan als springplank worden gebruikt om vandaar uit prioriteiten te stellen en koersen uit te zetten.

De raad pleit voor een gebiedsgerichte benadering, waarbij er voldoende ruimte is voor functionele intergemeentelijke samenwerkingsarrangementen, bijvoorbeeld op het terrein van arbeidsmarkt, onderwijs en mobiliteit. Beleidsmatig moet er steeds simultaan op verschillende schalen worden gedacht, waarbij de schaal afgestemd moet worden op de (belangrijkste) taken hiervan. Beleid dient te worden geformuleerd en uitgevoerd op het schaalniveau waar het probleem zich in hoofdzaak manifesteert.
Goede publiek-publieke samenwerking is een must om de effectiviteit van beleid te vergroten en zal de mogelijkheden tot publiek-private samenwerking verbeteren. Het regionale gat dient te worden gedicht door niet-vrijblijvende samenwerking tussen gemeenten in combinatie met een versterking van de positie van provincies. Bij het versterken van de bestuurlijke rol van provincies zijn regionaal opdrachtgeverschap en doorzettingsmacht sleutelbegrippen.

Ruimtelijke functies als wonen, werken, recreëren en andere voorzieningen, en de daarmee verbonden mobiliteit concentreren zich vooral op het stads(gewestelijk) niveau. Stadsgewesten moeten zich kunnen ontwikkelen, opdat ze een positieve uitwerking op de Randstad als geheel hebben. Voorkomen moet worden dat beleidsconcurrentie tussen gemeenten, zoals bij de acquisitie van bedrijven, tot negatieve effecten leidt.

Langetermijnstrategieën vragen om langetermijninvesteringen. De financiering van deze investeringen moet door het rijk structureel voor een lange reeks van jaren worden zeker gesteld, aangevuld met private beleggingsmiddelen.

Concluderend stelt de raad dat de Randstad alle troeven in handen heeft om een duurzame en concurrerende topregio te blijven, maar dat we moeten blijven investeren in een compleet en kwalitatief goed vestigingsklimaat. Hiervoor is een goede bestuurlijke ordening en langetermijnfinanciering van groot belang.