Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2004 | Verdere uitwerking Wao-Beleid

Verdere uitwerking Wao-Beleid - reactie op enkele kabinetsvoornemens

Advies 2004/02 - 20 februari 2004

De voorstellen van de SER zijn afdoende om de jaarlijkse instroom van nieuwe WAO-gerechtigden te beperken tot minder dan 25.000 personen. Dat blijkt uit berekeningen van het UWV die in nauw overleg met het CPB en het ministerie van SZW zijn opgesteld. Werkgevers, werknemers en onafhankelijke leden vinden het gewenst dat het kabinet zijn plannen voor een herziening van de arbeidsongeschiktheidsregelingen verder aanpast aan de voorstellen in het WAO-advies dat de SER in maart 2002 heeft uitgebracht. Die voorstellen leiden tot een activerend en toekomstbestendig stelsel bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Deze bieden ook perspectief op een bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak voor een effectieve aanpak van de WAO-problematiek in ons land. De SER verwacht dat zijn voorstellen in de praktijk goed hanteerbaar en effectief zullen zijn.

Download:Volledig advies (4054 kB)Samenvatting (141 kB)

Samenvatting


Inleiding 
In dit advies geeft de Sociaal-Economische Raad zijn oordeel over enkele kabinetsvoornemens voor de arbeidsongeschiktheidsregelingen. In het advies, dat een reactie vormt op de SER-adviesaanvragen WAO van 19 november 2003 van het kabinet, formuleert de raad voorstellen voor een verdere uitwerking van het WAO-beleid, inclusief een nadere uitwerking van de voorstellen in zijn WAO-advies 2002.

In zijn adviesaanvraag vraagt minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aan de raad om hem te adviseren over een drietal thema’s. De adviesaanvraag, die bestaat uit drie afzonderlijke adviesaanvragen, bevat gerichte kabinetsvoorstellen en vragen over:
  • het arbeidsongeschiktheidscriterium in de arbeidsongeschiktheidsregelingen om te bepalen of sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid dan wel van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid;
  • de positie van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en van militairen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen;
  • de invoering en vormgeving van een wettelijke regeling van het beroepsrisico, de Extra Garantieregeling Beroepsrisico’s (EGB).
Algemeen
De raad beschouwt dit advies als een vervolgadvies op het WAO-advies 2002, dat hij heeft benut als referentiekader voor het verkennen en beoordelen van de kabinetsvoorstellen. Van dat referentiekader maken tevens deel uit de verklaringen van de Stichting van de Arbeid én van het kabinet naar aanleiding van het Najaarsoverleg 2003. Gezien de krappe adviestermijn bevat dit advies in hoofdzaak een gerichte beoordeling van de ter advisering voorgelegde kabinetsvoornemens en een beantwoording van de expliciete vragen uit de adviesaanvraag. Dit impliceert dat wordt voorbijgegaan aan de onderdelen van de kabinetsvoornemens met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsregelingen die niet in de adviesaanvraag aan de orde worden gesteld. De raad handhaaft zijn opvatting dat invoering van zijn voorstellen (in het WAO-advies 2002) zal leiden tot een activerend en toekomstbestendig, sociaal en solide stelsel van regelingen inzake ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en tot het in bestuurlijk opzicht beheersbaar maken van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek (1). Tevens acht hij het zeer plausibel dat daarmee uitzicht bestaat op een reëel bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak voor een fundamentele en wezenlijke aanpak van de ‘WAO-problematiek’. Om deze doelen te bereiken acht de raad het gewenst dat het kabinet zijn voornemens verder aanpast aan de raadsvoorstellen in het WAO-advies 2002.

Arbeidsongeschiktheidscriterium


Adviesaanvraag

Over het arbeidsongeschiktheidscriterium bevat de adviesaanvraag zowel vragen over de door het kabinet voorgestelde definitie en uitwerking van de begrippen volledig duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk arbeidsgeschikt als over het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals voorgesteld door de raad in zijn WAO-advies 2002 (zogeheten SER- arbeidsongeschiktheidscriterium). De vraag in verband met het SER-criterium ligt in het verlengde van de mededeling van het kabinet dat het aansluiting zal zoeken bij het arbeidsongeschiktheidscriterium van de SER als aannemelijk wordt gemaakt dat dit criterium operationeel te maken is, en “perspectief biedt op de geraamde daling van de instroom tot 25.000 structureel”.
Verder bevat de adviesaanvraag vragen over de consequenties van (de operationalisering) van het arbeidsongeschiktheidscriterium voor het claimbeoordelingsproces en over de gevolgen van de voorgestelde operationalisering voor de herbeoordeling van de huidige WAO-gerechtigden (rekening houdend met de kabinetsvoorstellen in verband met de aanpassingen van het Schattingsbesluit).

Zienswijze van de raad
In het WAO-advies 2002 heeft de raad voorgesteld dat alleen in geval van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid sprake kan zijn van een beroep op de (nieuwe) WAO. Het advies bevat omschrijvingen van de begrippen volledige arbeidsongeschiktheid en duurzame arbeidsongeschiktheid.

Volledige arbeidsongeschiktheid is aan de orde bij een verlies van 80 tot 100 procent van de verdiencapaciteit als gevolg van een langdurige arbeidsbeperking door gezondheidsbelemmeringen.
In de zienswijze van de raad dient de voorgestelde verzekering voor duurzame volledige arbeidsongeschiktheid gericht te zijn op de dekking van de inkomens- of loonschade van werknemers als gevolg van ziekte of gebrek. Daarvan uitgaande acht hij het noodzakelijk het element van de verdiencapaciteit te handhaven in het arbeidsongeschiktheidscriterium. Daarmee neemt de raad expliciet afstand van het kabinetsvoorstel om het arbeidsongeschiktheidscriterium te baseren op arbeidscapaciteit. Ten slotte is hij van oordeel dat het begrip volledige arbeidsongeschiktheid voldoende is geoperationaliseerd in het WAO-advies 2002.

In het WAO-advies 2002 stelde de raad dat van duurzame arbeidsongeschiktheid sprake is als een arbeidsbeperking als gevolg van gezondheidsbelemmeringen op grond van medisch-objectieve indicatoren voorzienbaar langdurig is, in die zin dat binnen een periode van vijf jaar geen reële mogelijkheden tot medisch herstel kunnen worden verwacht; van herstel kan ook sprake zijn als de betrokkene ondanks de klachten en aandoeningen weer (in enige mate) kan functioneren. Ook bevat het WAO-advies 2002 al een vergaande uitwerking van het begrip duurzame arbeidsongeschiktheid.

Gezien de signalen uit de uitvoeringspraktijk en tijdens het publieke debat over het WAOadvies 2002 acht de raad het wenselijk dit begrip en de operationalisering daarvan verder te specificeren. Daarbij blijft de essentie van het zogeheten duurzaamheidselement in het arbeidsongeschiktheidscriterium gehandhaafd; van een versoepeling is derhalve geen sprake.
De verdere specificatie van de operationalisering ziet op de termijn (binnen een periode van vijf jaar geen reële mogelijkheden tot medisch herstel) en op het gebruik van lijsten van duurzame aandoeningen, bij de beoordeling van duurzame arbeidsongeschiktheid.

Bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, welke beoordeling plaatsvindt tegen het einde van het tweede ziektejaar en ná de poortwachtertoets, moet het volgens de raad:
  • duidelijk zijn of er alles aan is gedaan om maximaal herstel of maximale revalidatie te bereiken, terwijl ook alle in aanmerking komende reïntegratiemogelijkheden zijn onderzocht;
  • mogelijk zijn om te komen tot een adequate prognose over de vraag of arbeidsbeperkingen voorzienbaar langdurig zullen zijn dan wel of (medisch) herstel nog tot de mogelijkheden behoort waardoor ook (gedeeltelijke) reïntegratie binnen het arbeidsbestel op termijn mogelijk zal zijn.

De prognosestelling die de verzekeringsarts bij de beoordeling van de duurzame arbeidsongeschiktheid gebruikt, geeft aan of en op welke termijn er een toename van mogelijkheden tot functioneren kan worden verwacht. De raad onderscheidt twee mogelijke uitkomsten van deze prognosestelling:

  • De uitkomst ‘herstel uitgesloten’.
    De conclusie van de verzekeringsarts dat er geen substantieel herstel van mogelijkheden tot functioneren in arbeid meer zal plaatsvinden, impliceert in feite een uitspraak over de zekerheid dat herstel niet meer mogelijk is. Er is een duurzaam verlies van mogelijkheden om te functioneren als de afwezigheid daarvan zich op stabiele wijze manifesteert. Dat is het geval als onherstelbare schade aan het organisme is opgetreden of sprake is van een ziektebeeld dat naar zijn aard progressief is.
  • De uitkomst ‘geringe kans op herstel (op langere termijn)’. In dit geval maakt de verzekeringsarts een inschatting van de termijn waarop naar verwachting herstel van mogelijkheden tot functioneren (in arbeid) zal plaatsvinden. De raad stelt voor bij deze prognosestelling statistische gegevens over herstelkansen, gekoppeld aan diagnosen te gebruiken. Dit vormt de basis voor het aanleggen van lijsten, waarbij protocollen met zogeheten diagnose-prognosecombinaties een rol kunnen spelen.

Het voorgaande impliceert dat de raad – naast de prognose-uitkomst ‘herstel uitgesloten’– ook de prognose-uitkomst ‘geringe kans op herstel (op langere termijn)’ brengt onder de werking van het begrip duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarmee is de voorgestelde uitwerking van dit begrip ruimer dan de door het kabinet voorgestelde definitie (van duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake bij stabiliteit van de onmogelijkheid tot functioneren in arbeid als gevolg van ziekte).

Met betrekking tot het gebruik van lijsten van duurzame aandoeningen is de raad van oordeel dat zij als hulpmiddel voor de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid richtinggevend moeten zijn bij de individuele arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Hij stelt voor een ‘neutrale lijst’ te gebruiken van ziekten en aandoeningen, waarvoor aan de hand van wetenschappelijke gegevens, prognoses zijn opgesteld over het verloop van de ziekte of aandoening om het al dan niet duurzame karakter van de ziekte vast te stellen.

Deze prognoses vormen in feite een continuüm met als uitersten aan de ene kant ziekten die vrijwel altijd leiden tot duurzame arbeidsongeschiktheid en aan de andere kant ziekten die daartoe meestal geen aanleiding geven. De raad stelt voor om bij de ontwikkeling en actualisering van deze lijst gebruik te maken van protocollen met diagnoseprognosecombinaties.

Het afwegingsproces dat de verzekeringsarts doorloopt voordat hij besluit dat er sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen mondt uit in een procesmatig stappenplan voor de mogelijke verdere invulling van de voorgestelde operationalisering. De raad geeft in overweging dit stappenplan te hanteren. Hij realiseert zich dat de uiteindelijke invulling de verantwoordelijkheid is en blijft van de uitvoering en vraagt om maatwerk naar het individu. De raad verwacht dat een vergroting van de uitvoerbaarheid van de voorstellen als gevolg van de operationalisering zal leiden tot de gewenste implementatie van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de uitvoeringspraktijk.

De raad heeft ook de kabinetsvoorstellen tot aanpassing van het Schattingsbesluit beoordeeld. Twee voorstellen wijst hij af. Het betreft het voorstel tot het maximeren van het maatmanloon op het maximumpremieloon (dit is het bedrag waarover maximaal WAO-premie wordt geheven en waarop het uitkeringsdagloon is gemaximeerd) en het voorstel tot verlaging van de eis die nu aan het aantal arbeidsplaatsen wordt gesteld van de functies die in het CliëntBeoordelings- en Borgingssysteem worden geduid, van gemiddeld tien naar één per functie (zogeheten arbeidsplaatsencriterium).

Ten slotte heeft de raad het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), na afstemming met het CPB en met het ministerie van SZW, verzocht een raming te maken van de instroomeffecten van de voorstellen van de raad. Op basis van de gepresenteerde raming acht de raad het haalbaar dat de instroom in de nWAO in het jaar 2006 minder dan 25.000 personen bedraagt. Dit brengt hem tot de conclusie dat in het toekomstige beleid ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidscriterium de raadsvoorstellen van het WAO-advies 2002 het uitgangspunt kunnen en moeten zijn. De raad acht het daarom niet noodzakelijk in te gaan op het arbeidsongeschiktheidscriterium dat het kabinet voorstelt.

De positie van flexwerkers

Adviesaanvraag
Het kabinet maakt bij zijn voorstellen voor flexwerkers onderscheid tussen de regelingen bij ziekte en bij arbeidsongeschiktheid. Wat ziekte betreft, heeft het kabinet al een keuze gemaakt bij (zijn voorstel voor) de wettelijke regeling tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003, die op 1 januari 2004 in werking is getreden. Deze keuze houdt in dat de periode van ziekengeld (vangnet-ZW) ook voor werknemers die bij ziekte geen werkgever meer hebben wordt verlengd van één naar twee jaar. Hierbij gaat het onder meer om werknemers met een flexibele arbeidsrelatie.
Voor de situatie van arbeidsongeschiktheid vindt het kabinet het van groot belang of de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten – in de kabinetsvoorstellen: de WGA – publiek dan wel privaat zal worden uitgevoerd. Bij een publieke uitvoering is er volgens het kabinet geen aanleiding om een bijzondere regeling te treffen voor flexibele arbeidskrachten. Indien sprake is van private uitvoering van de regeling, is de vraag hoe voor deze groep, die veelal geen werkgever meer heeft, moet worden voorzien in de aanspraken op een uitkering. Volgens het kabinet is bij private uitvoering – zoals voorgestaan door de raad in het WAO-advies 2002 – wellicht een bijzondere regeling nodig voor flexibele arbeidskrachten.

Zienswijze van de raad
Overeenkomstig zijn WAO-advies 2002 dienen ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid volgens de raad zoveel als mogelijk via een adequaat preventiebeleid te worden voorkomen dan wel via verzuimbegeleiding te worden aangepakt in het kader van de arbeidsverhouding / de arbeidsrelatie. Het pakket voorstellen in dat advies gaat primair uit van werknemers met een reguliere arbeidsrelatie. De raad was en is van mening dat de voorstellen voorzover mogelijk moeten worden ‘doorvertaald’ naar bijzondere categorieën werknemers, zoals werknemers met een niet-reguliere of flexibele arbeidsrelatie. Vanuit dit beginsel spreekt hij zich in dit advies uit over achtereenvolgens de situatie bij ziekte (vangnet-ZW) en bij gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Daaraan voorafgaand maakt hij enkele inleidende opmerkingen.

Het begrip flexibele arbeidsrelatie kent geen eenduidige omschrijving; flexwerk kent vele vormen. Een relatief grote categorie flexwerkers is werkzaam op basis van een uitzendcontract. Bij de mogelijkheid om op het niveau van de arbeidsorganisatie een adequaat beleid van preventie en verzuimbegeleiding te realiseren, vormt bij een uitzendcontract een complicatie dat hierbij niet twee maar drie partijen betrokken zijn: de werknemer, de uitzendorganisatie en de inlener. Ten aanzien van de positie van de uitzendorganisatie wordt wel gesproken van ‘onvolledig werkgeverschap’. Zo kan de uitzendorganisatie vaak weinig of geen invloed uitoefenen op de arbeidssituatie bij de inlener, maar draagt zij wel de financiële gevolgen van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Verder geldt bij de meeste uitzendcontracten dat ziekte tevens ‘einde contract’ betekent (het zogenoemde uitzendbeding), waardoor direct recht bestaat op ziekengeld (vangnet-ZW).
Uitzendkrachten doen een relatief hoog beroep op de vangnet-ZW en de WAO. De daarmee gepaard gaande financiële lasten vormen voor de uitzendbranche een probleem. Een belangrijke factor daarbij is dat de uitzendbranche relatief veel personen met een verhoogd risico op ziekte en arbeidsongeschiktheid bemiddelt, zoals arbeidsgehandicapten, werklozen, allochtonen en ouderen.

Ziekte en vangnet-ZW
De raad constateert dat de per 1 januari 2004 doorgevoerde verlenging van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte van één naar twee jaar een verdere vergroting van de (private) verantwoordelijkheid voor het ziekteverzuim betekent. Zoals ook in de memorie van toelichting van het desbetreffende wetsvoorstel wordt toegelicht, is de ratio hiervan dat werkgever en werknemer op het niveau van de arbeidsorganisatie mogelijkheden hebben om ziekteverzuim zoveel mogelijk te voorkomen en om werkhervatting en reïntegratie te bevorderen. De raad signaleert dat de met de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting beoogde financiële prikkelwerking niet of niet op dezelfde wijze aan de orde kan zijn ten aanzien van (ex-)werknemers die bij ziekte aanspraak hebben op ziekengeld.
Zeker wanneer dan geen arbeidsrelatie meer bestaat, zijn activiteiten gericht op werkhervatting en reïntegratie bij de uitzendorganisatie zelf (of bij de oorspronkelijke inlener) minder eenvoudig vorm te geven. Dit is vooral aan de orde bij die uitzendkrachten voor wie ziekte tevens ‘einde contract’ betekent.

De raad stelt vast dat de verlenging van de duur van de vangnet-ZW van één jaar naar twee jaar, in het bijzonder voor de uitzendsector – waar in hoofdzaak werknemers met een flexibele arbeidsrelatie werken – leidt tot extra lasten. Op basis van gegevens en overwegingen die van de zijde van het ministerie van SZW en van de uitzendsector bij de voorbereiding van het advies zijn ingebracht, concludeert hij dat deze extra lasten niet volledig worden gecompenseerd door een gelijktijdige vermindering van de WAO-lasten voor werkgevers in de uitzendsector.
Een factor van betekenis daarbij is dat tussen de specifieke arbeidsrelatie van werknemers met een uitzendcontract met uitzendbeding (voor wie ziekte ‘einde contract’ is) en andere werknemers wezenlijke verschillen bestaan. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld de uitvoering van de vangnet-ZW voor bedoelde uitzendkrachten bewerkelijk te zijn, hetgeen zich vertaalt in relatief hoge uitvoeringskosten.

Tegen deze achtergrond acht de raad het gewenst dat de verlenging van de vangnet-ZW tot twee jaar niet van toepassing wordt verklaard op die uitzendkrachten voor wie ziekte leidt tot beëindiging van het uitzendcontract (uitzendbeding). Aangezien hij het onwenselijk acht dat vervolgens voor hen een gat in de inkomensbescherming zou ontstaan, dienen betrokkenen na één jaar ziekte aanspraak te kunnen maken op de loonaanvullingsregeling of de nWAO zoals de raad deze heeft voorgesteld. Dit zal vanzelfsprekend alleen gelden indien zij voldoen aan de overige daarvoor gestelde toetredingsvoorwaarden.

Daarnaast beveelt de raad aan de toepassing van de no risk-polis van artikel 29b ZW alsnog mogelijk te maken bij uitzendrelaties en vergelijkbare situaties. Bovendien wijst hij op het belang van de arboconvenanten voor de aan de orde zijnde problematiek, waarbij hij vaststelt dat verruiming van de mogelijkheden om alsnog een ‘plus-convenant’ voor de uitzendsector in te dienen wenselijk zou zijn.

Lastenverevening
Verder bepleit de raad een oplossing voor de relatief hoge lasten in verband met ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid waarmee de uitzendbranche thans wordt geconfronteerd als gevolg van de bemiddeling van zwakkere groepen op de arbeidsmarkt, zoals arbeidsgehandicapten, ouderen en allochtonen.
Ter verlichting van de daaruit voortvloeiende lasten bepleit hij voor individuele uitzendbedrijven de bestaande gedifferentieerde WAO-premie te maximeren, in die zin dat het premiepercentage voor uitzendbedrijven niet hoger uitkomt dan het landelijk gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Het tijdstip van premievaststelling in aanmerking nemend – per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar – acht de raad het gewenst de voorgestelde aftopping van de premie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 door te voeren. Tegelijkertijd zal nagedacht moeten worden over andere, meer aangepaste vormen van financiële prikkels die de (mede)verantwoordelijkheid van de betrokken (uitzend)werkgevers voor deze vangnetwerknemers vorm en inhoud geven en verantwoordelijk gedrag van (uitzend)werkgevers belonen.

Gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en loonaanvullingsregeling
De raad gaat uit van invoering van de door hem in zijn WAO-advies 2002 voorgestelde privaat uitgevoerde loonaanvullingsregeling. Hij stelt vast dat niet alleen voor werknemers met een flexibele arbeidsrelatie, zoals uitzendkrachten, maar ook voor andere groepen werknemers die bij ziekte aanspraak kunnen maken op een vangnet-ZW-uitkering, bij private uitvoering onbedoelde effecten kunnen optreden. Daarbij speelt een rol dat bij private uitvoering sprake zal zijn van ondernemingsgewijze premies en dat na afloop van de vangnet-ZW-periode een knip in de uitvoering ontstaat (overgang van publiek naar privaat).
Naar het oordeel van de raad is het om deze redenen wenselijk dat voor werknemers die bij ziekte aanspraak hebben op een vangnet-ZW-uitkering, een vangnet-loonaanvullingsregeling tot stand komt met een publieke uitvoering. Hij acht het van belang dat een dergelijke publiek uitgevoerde regeling mogelijkheden biedt tot lastenverevening op sectoraal of landelijk niveau dan wel een combinatie van beide. Een belangrijk aandachtspunt is een evenwichtige vormgeving van de regeling, in relatie tot de rol van individuele ondernemingen. Zo moet enerzijds worden voorkomen dat uitzendarbeid door mogelijk verhoogde arbeidsongeschiktheidslasten financieel onaantrekkelijk wordt dan wel dat risicoselectie optreedt. Anderzijds mag het niet zo zijn dat de wijze van financiering leidt tot een vlucht in flexwerk. Dergelijke afwegingen zijn met name aan de orde bij de vraag of, en zo ja, in hoeverre lastenverevening op landelijk niveau gewenst is.

De positie van militairen

De raad stelt vast dat de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), voor dienstplichtig personeel en daarmee gelijkgestelden een vangnetregeling biedt die rechtstreeks verwijst naar de WAO en daarvan niet afwijkt.
De voor beroepsmilitairen relevante wet- en regelgeving bestaat naast de WAO uit het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorziening militairen, het Besluit bijzondere militaire pensioenen en het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen. Deze regelingen bieden financiële waarborgen, die samenhangen met de uitzonderlijke risico’s waaraan de beroepsmilitair pleegt te worden blootgesteld.
De raad concludeert dat er geen aanleiding is om in het kader van de herziening van de WAO voor militairen specifieke voorstellen te doen of geldende specifieke regelingen te wijzigen.

De dekking van beroepsrisico’s

Adviesaanvraag
Het kabinet wil komen tot een wettelijke regeling van het beroepsrisico (een verplichte beroepsrisicoverzekering), de zogenoemde Extra Garantieregeling Beroepsrisico’s (EGB). Het ziet daarvoor een drietal redenen.
De eerste twee redenen zijn van internationaalrechtelijke aard. In de door het kabinet voorgestelde wijzigingen van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen staat de uitkeringshoogte bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (WGA) ten opzichte van die bij volledige arbeidsongeschiktheid (IVA) op gespannen voet met de strekking van ILO-Verdrag 121.
Ingeval van een arbeidsongeval of beroepsziekte verdraagt een eigen bijdrage in de ziektekosten zich niet met Deel VI van de Europese Code inzake sociale zekerheid. Als derde – beleidsmatige – reden noemt het kabinet dat als gevolg van de door hem voorgestelde arbeidsongeschiktheidsregelingen de inkomensachteruitgang bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid dermate groot kan zijn, dat daardoor een belangrijke aanzet tot een claimcultuur wordt gegeven. Volgens het kabinet leidt de door hem voorgestelde WGA – met name bij de hogere inkomenscategorieën – namelijk tot een groter verschil tussen het gederfde inkomen en de uitkering die hier tegenover staat. Het acht een reële kans aanwezig dat het (door hem voorgestelde) nieuwe stelsel van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen het aantal schadeclaims in de toekomst aanzienlijk zal doen toenemen.

Zienswijze van de raad
De raad stelt vast dat het kabinet ervan uitgaat dat een extra garantieregeling voor het beroepsrisico verdragsrechtelijk noodzakelijk wordt als gevolg van invoering van de door het kabinet voorgestelde arbeidsongeschiktheidsregelingen: de IVA en de WGA. Ook stelt hij vast dat invoering van een EGB in de door het kabinet voorgestelde vorm, leidt tot een onderscheid in de arbeidsongeschiktheidsregelingen naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid; voor het beroep op een van de regelingen is dan niet alleen van belang dat men arbeidsongeschikt is maar ook hoe men wegens ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is geraakt.
De raad constateert vervolgens dat de kabinetsvoornemens met betrekking tot de invulling van de IVA en de WGA in enkele belangrijke opzichten afwijken van de arbeidsongeschiktheidsregelingen zoals door hem voorgesteld in zijn WAO-advies 2002. De raad ging er in dat advies van uit dat de inrichting van de door hem voorgestelde arbeidsongeschiktheidsregelingen (nWAO voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en een loonaanvullingsregeling en minimumuitkeringsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten) in internationaal-rechtelijk perspectief een afzonderlijke regeling voor de dekking van het beroepsrisico niet noodzakelijk maken. Hij gaat er thans nog steeds van uit dat invoering van de door hem voorgestelde arbeidsongeschiktheidsregelingen in overeenstemming is met de eisen die relevante internationale verdragen stellen aan de dekking van het beroepsrisico. Dan vervalt in zijn optiek de verdragsrechtelijke noodzaak om tot invoering van een aparte regeling voor het beroepsrisico te komen.

Niettemin realiseert de raad zich dat enkele maatschappelijke ontwikkelingen en feiten aanleiding kunnen geven om in een later stadium opnieuw een afweging te maken over de wenselijkheid van invoering van een verplichte (directe) beroepsrisicoverzekering. De raad acht het in dit verband van belang dat een toenemend beroep op de werkgeversaansprakelijkheid en het mogelijk ontstaan van een claimcultuur kunnen leiden tot knelpunten in de verzekerbaarheid van risico’s. Hij neemt daarbij in aanmerking dat wijzigingen in het door de wettelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen gedekte risico zouden kunnen leiden tot een toenemend claimgedrag. Ook betrekt de raad in zijn overwegingen dat thans zowel voor de werkgever als voor de werknemer veel onzekerheid bestaat over de (vaak lange) duur en de afloop van civielrechtelijke procedures over gezondheidsschade als gevolg van een beroepsrisico, in het bijzonder bij de zogenoemde long-tail risks . Denkbaar is dat deze ontwikkelingen op termijn de invoering van een afzonderlijke beroepsrisicoverzekering in welke vorm dan ook wenselijk maken. Een dergelijke regeling kan – onder de voorwaarde van een zorgvuldige vormgeving – voordelen hebben voor werkgevers, werknemers en verzekeraars. 
De raad neemt zich voor de wenselijkheid van een beroepsrisicoregeling opnieuw te bezien, bijvoorbeeld in het kader van een verkenning van de toekomst van het stelsel van sociale zekerheid.
Intussen zal de raad de ontwikkelingen op dit terrein (i.c. met betrekking tot de werkgeversaansprakelijkheid en de claimcultuur) nauwgezet volgen. Hij houdt zich daarbij ook aanbevolen voor nadere analyses van het kabinet.

  1. WAO-advies 2002, p. 227.