Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2003 | EU-landbouwbeleid

Naar een doeltreffender, op duurzaamheid gericht EU-landbouwbeleid

Advies 2003/07 - 20 juni 2003

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie moet beter aansluiten op nieuwe maatschappelijke wensen op het gebied van duurzaam voedsel en groen. Wat marktconform kan, moet aan de markt worden overgelaten. Maar waar marktwerking duurzaam produceren in de weg staat, moet het GLB inspringen om de Goede Landbouwpraktijk te helpen verwezenlijken. De hervormingsvoorstellen van de Europese Commissie vormen een belangrijke stap in de goede richting.

Download:Volledig advies (1172 kB)

Samenvattende slotbeschouwing


Inleiding
Dit slothoofdstuk wil de belangrijkste conclusies en aanbevelingen waartoe dit advies komt, presenteren op een wijze die zo nauw mogelijk aansluit bij de vraagstellingen in de adviesaanvraag. De adviesaanvraag betreft in essentie twee samenhangende vraagstukken die in de context van meer marktwerking en grotere markttoegang voor ontwikkelingslanden worden geplaatst:
  • De integratie van ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen als natuur, milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid in het GLB;
  • Het (‘toch’) tot uitdrukking doen komen van de juiste schaarsteverhoudingen in de prijzen die producenten ontvangen.

Deze hoofdvragen monden uit in een reeks deelvragen. Deze deelvragen worden onderstaand – in een wat andere volgorde dan in de adviesaanvraag – nagelopen.

Zou u de toets op WTO-conformiteit bij voorstellen voor mogelijke nieuwe instrumenten willen betrekken? Zou u uw visie op de toekomst van het landbouwbeleid willen beoordelen in het licht van de Europese en internationale krachtsverhoudingen?

Deze twee deelvragen (de laatste in de adviesaanvraag) vergen niet zozeer een afzonderlijke reactie maar vormen feitelijk verzoeken om bij het formuleren van voorstellen en aanbevelingen rekening te houden met de WTO-conformiteit respectievelijk met de Europese en internationale krachtsverhoudingen. Wat de WTO-conformiteit betreft heeft de raad zich naar beste weten rekenschap gegeven van de inpasbaarheid van zijn visie op de integratie van de ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen in het multilaterale handelssysteem (zie de analyses in paragraaf 3.4 en de aanbevelingen in paragraaf 5.5). Door het GLB verder te hervormen en de handelsverstorende steun terug te dringen moet de EU in de WTO-onderhandelingen een stevige onderhandelingspositie kunnen verwerven, zodat effectieve druk kan worden uitgeoefend op andere industrielanden om ook hun landbouwbeleid aan te passen. Verder is het zaak tot duidelijker afspraken te komen over ‘non-trade concerns’ binnen de WTO, onder meer met betrekking tot keurmerken en etikettering, de mogelijkheden om steun te geven voor het bevorderen van dierenwelzijn, en de precieze status van multilaterale milieuovereenkomsten. Ook is het van belang te komen tot een akkoord over mededingingsregels.

Aan het tweede verzoek – het rekening houden met de internationale krachtsverhoudingen – is niet op een dergelijke, afzonderlijk herkenbare wijze tegemoet gekomen. Om te beginnen heeft de raad afgezien van een eigen analyse van de (huidige en toekomstige) krachtsverhoudingen. Mede gelet op de relatief beperkte tijd die beschikbaar was voor de voorbereiding van het advies leek het niet voor de hand te liggen van zo’n analyse veel meerwaarde te verwachten.

De raad heeft op dit punt veeleer een relatie willen leggen met de zinssnede “de meest geëigende manier” (van het nastreven van de ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen) in de eerste deelvraag van de adviesaanvraag. In die kwalificatie ‘meest geëigend’ komt in de opvatting van de raad een aantal wenselijkheden én noodzakelijkheden (waaronder de behoefte aan internationale afstemming en compromisvorming) samen. Dat maakt ook duidelijk dat wat het meest geëigend is mede afhankelijk is van externe ontwikkelingen en dus ook tijdgebonden kan zijn. Tegen die achtergrond heeft de raad ervoor gekozen om vooral richtinggevende uitspraken te doen over voortgaande hervormingen van het GLB en daarmee perspectieven voor duurzaam ‘voedsel’ en ‘groen’ te schetsen die ook over de huidige Tussenbalans heenreiken. Het feitelijke tempo waarmee hervormingen van het GLB zullen plaatsvinden is uiteraard afhankelijk van de ‘politieke haalbaarheid’. Daarachter kan een grote verscheidenheid aan overwegingen schuilgaan die de SER niet systematisch heeft geanalyseerd.

‘Meest geëigend’: wenselijkheden
De hoofdrichting van hervormingen van het GLB is wat de raad betreft het bevorderen van de voortgang van de landbouw op weg naar marktgerichtheid en duurzaamheid. Daarbij beschouwt de raad het streven naar duurzaamheid – in drie dimensies: people, planet, profit – als een maatschappelijk zoek- en leerproces dat eigenlijk nooit ophoudt.
De ‘meest geëigende’ aanpak van hervormingen van het GLB is om eerst de maatschappelijke doelen van het landbouwbeleid helder te formuleren en vervolgens – voorzover marktwerking niet voldoet om die doelstellingen te bereiken – te voorzien van doelmatige en doeltreffende instrumenten van overheidsbeleid. Daarbij moet aandacht worden gegeven aan een goede verdeling van verantwoordelijkheden conform het subsidiariteitsprincipe, zowel in horizontale zin (de verhouding tussen overheden, maatschappelijke organisaties en marktpartijen) als in verticale zin (de verhouding tussen de Europese Unie, de nationale overheid en lagere overheden). Het beleid moet daarbij voldoende richting én ruimte geven aan agrarische ondernemers om zich goed aan te passen aan veranderende omstandigheden en maatschappelijke voorkeuren (1).

‘Meest geëigend’: noodzakelijkheden
Een belangrijke noodzaak betreft de bereidheid om compromissen te sluiten ten einde internationale afstemming van landbouwbeleid mogelijk te maken. Nederland doet er goed aan zijn eigen belangen, voorkeuren en prioriteiten helder te benoemen. Tegelijkertijd is het nodig inzicht in en begrip voor de belangen en verlangens van andere landen te hebben om tot inhoudelijk goede compromissen te kunnen komen. Dat begint met het besef dat onder de paraplu van het ‘Europese landbouwmodel’ naast gemeenschappelijke elementen ook typisch nationale opvattingen en belangen terzake van de landbouw(politiek) en de maatschappelijke oriëntatie ervan schuilgaan.

Vanuit Nederland bezien gaat het om afstemming – en dus compromisvorming – in twee lagen, van de EU en van de WTO.

Binnen de EU wordt beslist over het te voeren GLB, over de inbreng van de EU in de WTO en over de ruimte voor eigen landbouwbeleid van de EU-lidstaten. Elke betekenisvolle hervorming van het GLB behoeft de instemming van de lidstaten (nu nog 15, straks 25).]
Traditioneel spelen Frankrijk en Duitsland daarbij een markante rol.
In het kader van de WTO onderhandelt de EU met belangrijke handelspartners zoals de VS, Japan, de Cairns-groep en (groepen) ontwikkelingslanden. Deze handelspartners op de wereldmarkt worden geleid door van de EU duidelijk verschillende belangen en waardenoriëntaties. In de lopende wereldhandelsronde zijn de belangen van ontwikkelingslanden terecht centraal gesteld. Dat is niet alleen een kwestie van moraliteit, maar ook van politieke realiteitszin: de verdere ontwikkeling van het multilaterale handelssysteem vergt de instemming van ontwikkelingslanden, en die instemming kan alleen maar worden verkregen door herkenbaar tegemoet te komen aan de belangen van die landen. Toegespitst op de landbouw gaat het vooral om het helpen waarborgen van de voedselzekerheid en om het ruimte geven aan de (onderling sterk verschillende) ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in ontwikkelingslanden.

Verdient het aanbeveling de ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen na te streven door deze in het landbouwbeleid te integreren?

De integratie van ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen in het GLB vormt een logisch uitvloeisel van de toepassing van het streven naar duurzame ontwikkeling in de landbouw en kan worden gezien als pendant van de omslag van aanbod- naar vraaggerichtheid in agrarische ketens. Zo’n integratie past ook bij de veranderde maatschappelijke verhoudingen waarbinnen het hedendaagse maatschappelijk verantwoord ondernemen zich verder ontwikkelt.
Verkokering van beleid komt de maatschappelijke welvaart niet ten goede. In de praktijk zijn er echter ook grenzen aan wat beleidsintegratie vermag. De bovenbedoelde integratie betekent dan ook niet dat het bevorderen van de ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen daarmee uitsluitend of primair een landbouwpolitieke aangelegenheid zou dienen te zijn; wel dat het landbouwbeleid zou moeten bijdragen aan het nastreven van de ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen in het kader van bijvoorbeeld het sociale beleid en het milieubeleid.

Tegen deze achtergrond heeft de raad in paragraaf 4.4 het volgende samenstel van doelstellingen en randvoorwaarden van een toekomstgericht GLB geformuleerd:

Het (nationaal en Europees) te voeren beleid dient te bevorderen dat de landbouw een optimale bijdrage levert aan de toekomstige maatschappelijke welvaart, zowel door ‘voedsel’ te produceren als door ‘groene diensten’ te leveren.

De hoofddoelstelling van het GLB met betrekking tot ‘voedsel’ is het bevorderen van een concurrerende, duurzame en veilige landbouwproductie die is afgestemd op de effectieve vraag. In het verlengde daarvan liggen twee andere doelstellingen: een zekere stabilisatie van de interne markt voor landbouwproducten door het dempen van kortetermijnfluctuaties alsmede een passende beloning voor de productiefactoren (waaronder arbeid) in bedrijven die efficiënt, duurzaam en veilig produceren.
De afstemming van de agrarische productie op de effectieve vraag binnen en buiten de EU impliceert een sterkere oriëntatie op de wereldmarkt en een dienovereenkomstige aanpassing van het niveau van prijssteun en van de ‘incentivestructuur’ voor afzonderlijke bedrijven. Dit neemt niet weg dat er behoefte blijft aan een stabilisatie-instrument als buffer tegen eventuele sterke fluctuaties op de wereldmarkt.
Het GLB dient ruimte te geven aan de ontwikkeling van het aanzienlijke agrarische productiepotentieel in de nieuwe lidstaten van de EU. Dat is ook goed voor de voedselzekerheid.
Het GLB moet voorts aan de volgende randvoorwaarden voldoen:

  • het handhaven van de eenheid op de interne markt (voor afzonderlijk verhandelbare goederen);
  • het nakomen van bestaande en toekomstige WTO-verplichtingen, niet in de laatste plaats ten aanzien van ontwikkelingslanden;
  • het handhaven van geldende sociale normen en overeenkomsten; het zoeken naar de meest effectieve instrumenten, ook met het oog op een doelmatige en fraudebestendige administratieve uitvoerbaarheid; inpasbaarheid in bestaande financiële kaders van de EU.

Welke betekenis moet in verband met het nastreven van de ‘nieuwe’ maatschappelijke doelen worden toegekend aan het stellen van randvoorwaarden aan inkomenssteun (eerste pijler) en aan begeleidende maatregelen om vernieuwing te stimuleren (tweede pijler)? Zijn nog andere instrumenten nodig?

De raad wil om te beginnen het belang van ontkoppeling van de inkomenstoeslagen van de agrarische productie beklemtonen. Dit belang heeft niet alleen te maken met de lopende WTO-onderhandelingen en de mogelijkheden om de inkomenstoeslagen aan boeren te laten kwalificeren voor de zogenoemde groene box. Van wezenlijke betekenis is de ruimte die deze ontkoppeling schept voor het expliciet tot uitdrukking brengen van maatschappelijke wensen en verlangens, door een herkoppeling in de vorm van de zogenoemde cross compliance en door het gericht belonen van vormen van groene dienstverlening die door de samenleving worden gewaardeerd.
De herkoppeling van de inkomenssteun aan de Goede Landbouwpraktijk biedt – door de combinatie van wortel en stok – zeker goede mogelijkheden om wat betreft de zwaremarktordeningsproducten effectief toe te zien op de naleving van een aantal basiskenmerken van een duurzame landbouwproductie in Europa. Daarnaast kunnen de begeleidende maatregelen in de zogenoemde tweede pijler van het GLB een belangrijke stimulans geven aan vernieuwingen gericht op kwaliteitsverbetering in de verschillende takken van de land- en tuinbouw. Paragraaf 5.2 bespreekt, in een beoordeling van de voorstellen van de Europese Commissie in de Tussenbalans, vraagstukken van vormgeving van het beleidsinstrumentarium (toegespitst op de ontkoppeling, de cross compliance , de inkomenstoeslagen, de volumebeperkingen en de administratieve lastendruk). De precieze vormgeving zal de effectiviteit en doelmatigheid van het hervormde GLB bepalen.
Het plattelandsbeleid is niet specifiek op de landbouw gericht, maar kan medebepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in de drie dimensies profit people en planet . Het vormt een instrument om de multifunctionaliteit van de landbouw verder te ontwikkelen en daardoor tegemoet te komen aan de maatschappelijke verwachtingen.
Het gericht belonen van ‘groene diensten’ vraagt om het ontwikkelen en inzetten van afzonderlijke instrumenten respectievelijk het organiseren van specifieke collectieve arrangementen. Het zwaartepunt van een marktgerichte aanpak zal op het regionale en nationale niveau moeten liggen. Dit punt wordt hieronder, bij de beantwoording van een vervolgvraag, uitgewerkt.

Welke zijn de mogelijkheden om met financiële instrumenten duurzame consumptie te stimuleren en duurzame productie te belonen?

De duurzaamheid van consumptie en productie wordt effectief bevorderd door consumenten en producenten te confronteren met de werkelijke maatschappelijke kosten (inclusief externe kosten) van hun keuzegedrag. Met andere woorden: door de vervuiler en de gebruiker daadwerkelijk te laten betalen.
Individuele consumenten en producenten die van goede wil zijn, raken in hun streven naar duurzaamheid al snel in sociale dilemma’s verstrikt wanneer andere marktpartijen zich parasitair (kunnen) opstellen (wel meedelen in de baten, maar niet in de lasten). Voorlopers in duurzaam produceren en consumeren ondervinden door het niet kunnen benutten van schaalvoordelen een extra handicap.
Voor de omgang met externe effecten en sociale dilemma’s is een combinatie van instrumenten nodig: de stok van de geboden, verboden en heffingen; de wortel van de subsidies en faciliteiten voor duurzame(re) productie en consumptie; en de preek van de waarden en normen, als werktuig van de sociale controle. Meer transparantie in de keten van producent naar consument is wezenlijk voor de effectiviteit van deze instrumenten.

In de praktijk valt het niet mee om de prijzen van goederen en diensten getrouw de eraan verbonden maatschappelijke kosten (gedurende de levenscyclus) te laten weerspiegelen.
Daarom is het van belang om over instrumenten te beschikken om duurzaam gedrag te kunnen belonen (en subsidies af te schaffen die onduurzaam gedrag bevorderen). De SER onderschrijft de vaststelling in het regeerakkoord dat een verdere vergroening van het belastingstelsel een belangrijk instrument is. De vergroening heeft de afgelopen jaren al vorm gekregen door bijvoorbeeld de regulerende energiebelasting en de fiscale faciliteiten voor Groenfondsen. Verder wordt wel gedacht aan een tariefdifferentiatie van de BTW overeenkomstig de milieueigenschappen van producten. Aan een dergelijke BTW-differentiatie zitten echter zoveel haken en ogen dat hiervoor momenteel geen draagvlak bestaat.

Voor boeren die efficiënt, duurzaam en veilig produceren moet het mogelijk zijn een kostendekkende prijs voor hun producten (inclusief ‘groene’ en ‘blauwe’ diensten) te realiseren en daarmee een redelijk inkomen te verwerven. Dat kan niet louter via de markt worden gerealiseerd; daarvoor zijn ook collectieve arrangementen nodig waardoor de boer een marktconforme vergoeding kan ontvangen voor prestaties op het terrein van natuur- en landschapsbeheer die aan de behoeften van de samenleving tegemoet komen (zie verder hieronder).
Voorts zijn in dit verband de financiële instrumenten in de tweede pijler van het GLB van belang: in het bijzonder de subsidies voor het voldoen aan hogere normen voor voedselkwaliteit en voor dierenwelzijn.
Het is belangrijk dat de koplopers op weg naar duurzaamheid de waardering en stimulering ontvangen die ze verdienen, en daardoor tempo kunnen blijven maken. “Het gaat erom te bewerkstelligen dat de koplopers koplopers willen blijven, dat het peloton pogingen doet hen in te halen en dat de achterblijvers willen aanklampen bij het peloton”. (3)

Daarvoor is om te beginnen nodig dat kwaliteitsverschillen tussen primaire producenten voor afnemers duidelijk herkenbaar zijn en niet binnen ketens worden genivelleerd.
Daarvoor is ook een goede handhaving van de bestaande regelgeving ten aanzien van duurzaamheidsaspecten nodig, met inbegrip van de toepassing van financiële instrumenten (de MINAS-heffingen op overschotten aan stikstof en fosfaat). Het gedogen of zelfs feitelijk honoreren van slecht ondernemerschap straft uiteindelijk goed en duurzaam ondernemerschap. Hierin ligt ook de betekenis van de cross compliance clausule.

Wat kan de overheid eisen van boeren zonder structurele financiële compensatie? Wat kan worden gezien als het niveau van goede landbouwpraktijk? Is er onderscheid tussen landbouw en andere maatschappelijke sectoren op dit punt?

De raad vat de cross compliance clausules in de ontwerpverordening van de Europese Commissie op als een (impliciete) omschrijving van de Goede Landbouwpraktijk op EU-niveau.
De cross compliance valt in twee delen uiteen. Hij betreft om te beginnen het voldoen aan wettelijke verplichtingen. Zoals alle sectoren van het economisch en maatschappelijk leven dient ook de landbouw zich aan de (algemene en meer specifieke) wet- en regelgeving te houden.

In het tweede deel gaat de cross compliance clausule verder door een kader van eisen inzake ‘goede landbouwomstandigheden’ te formuleren. Deze eisen hebben in essentie betrekking op het instandhouden van het productieve vermogen van de productiefactor grond en moeten door de lidstaten nader worden uitgewerkt. Hiermee worden de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van bepaalde aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen wat duidelijker geëxpliciteerd dan over het algemeen gebruikelijk is.
Ook van ondernemers in de land- en tuinbouw mag maatschappelijk verantwoord ondernemen – gericht op duurzaamheid in drie dimensies: people, planet, profit – worden verwacht. Een omschrijving van de Goede Landbouwpraktijk die daarbij aansluit vormt derhalve in beginsel geen reden voor structurele financiële compensatie. In beginsel, omdat er daarbij van uit wordt gegaan dat markten goed werken en dat ook andere marktpartijen en betrokkenen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid daadwerkelijk nemen.
In bepaalde takken van de landbouw wordt aan die voorwaarden vooralsnog niet in die mate voldaan dat landbouwers die efficiënt, duurzaam, veilig en gericht op de effectieve vraag produceren daaraan zonder overheidsingrijpen een inkomensperspectief kunnen ontlenen dat een basis biedt voor continuïteit en verdere verduurzaming. Daarbij spelen verschillende vraagstukken, zoals de afhankelijke positie van kleine ondernemers in de keten, de invloed van mondiale verschillen in wat als ‘Goede landbouwpraktijk’ wordt gezien op de wereldhandel in landbouwproducten, en de moeizame overstap op systemen voor het gericht waarderen en belonen van het leveren van collectieve goederen in de sfeer van agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Het streefbeeld is helder: boeren produceren op maatschappelijk verantwoorde wijze en ontvangen daarvoor een passende vergoeding: via de markt van de afnemers van (verhandelbare) producten en via marktconforme collectieve arrangementen voor de ‘groene diensten’ die aan de maatschappelijke behoeften tegemoet komen. In de praktijk zal moeten blijken in hoeverre en op welke termijn dat streefbeeld – mede gezien de ontwikkelingen op de wereldmarkt – in Nederland en in Europa te verwezenlijken is zonder structurele compensatie aan boeren.

Welke plaats komt in het nieuwe landbouwbeleid toe aan een marktconform model voor groene diensten?

Onderdeel van de GLP is de zorg van de agrarische ondernemer voor een ‘basiskwaliteit’ van de groene ruimte. De eisen die de cross compliance regels stellen inzake ‘goede landbouwomstandigheden’ weerspiegelen het basisniveau dat van elke ondernemer mag worden verwacht. Verdergaande ‘groene dienstverlening’ – in de sfeer van het beheer van natuur en landschap, toegankelijkheid voor het publiek en waterbeheer – zal in het algemeen alleen geleverd worden als de maatschappelijke vraag naar die diensten ook gepaard gaat met een vergoeding.

Het overwegend collectiefgoedkarakter van natuur- en landschapsbeheer brengt met zich dat burgers hun voorkeur uiteindelijk vooral via de overheid (en maatschappelijke organisaties) tot uitdrukking moeten brengen, en dat de individuele waardering voor natuur- en landschapswaarden kracht moet worden bijgezet door het opzetten van collectieve systemen van vergoedingen voor ‘groene diensten’. Dit collectiefgoedkarakter neemt niet weg dat het agrarisch natuur- en landschapsbeheer primair vraagt om een decentrale benadering. Door de verschillen in zowel preferenties als de beschikbaarheid van natuur- en landschapswaarden doen zich bij de ‘groene diensten’ aanmerkelijke verschillen in schaarsteverhoudingen voor, zowel tussen als binnen lidstaten. Het is daarom zaak bij het agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit te gaan van de plaatselijke (regionale en nationale) voorkeuren en mogelijkheden.

De SER is daarom voorstander van een gebiedsgerichte aanpak. Deze hoeft overigens een zekere medebetrokkenheid van de Europese Unie niet uit te sluiten. Zo kan op EU-niveau worden vastgesteld dat bepaalde landschappen en natuurgebieden voor de gehele EU van grote betekenis zijn. In dat geval ligt een zekere cofinanciering voor het beheer door de EU in de rede (zoals voorgesteld in Natura 2000). Daarnaast kan de Europese Unie, vanwege de bestaande intensieve betrokkenheid bij het landbouw- en plattelandsbeleid, een belangrijke aanzet geven tot het opzetten van nationale en regionale stelsels voor het belonen van groene diensten door vormen van tijdelijke cofinanciering.

Voorts heeft de Europese Commissie een belangrijke taak in het effectief toezicht houden op staatssteun. Voorkomen moet worden dat de lidstaten de mededinging op de landbouwmarkt vervalsen door ‘groene dienstverlening’ te gebruiken als voorwendsel voor steun aan de eigen boeren. Dit toezicht moet evenwel geen onnodige belemmeringen voor de ontwikkeling van agarisch natuur- en landschapsbeheer opwerpen. Daarom is het gewenst om het bestaande staatssteunkader op twee punten aan te passen: om ruimte te geven voor een marktgerichte – in plaats van een kostengeoriënteerde – beloning van groene diensten en om het sluiten van contracten met groepen ondernemers mogelijk te maken.

Is een toekomstige differentiatie in het landbouwbeleid op basis van productieomstandigheden mogelijk en/of wenselijk?

Een zekere differentiatie van het GLB is om een aantal redenen wenselijk:

  • om binnen het algemeen geformuleerde gemeenschappelijke kader van eisen inzake ‘goede landbouwomstandigheden’ rekening te kunnen houden met de specifieke lokale omstandigheden;
  • voorzover het gaat om het waarderen en belonen van ‘groene diensten’ op regionaal en lokaal niveau (binnen een algemeen communautair kader);
  • daar waar de landbouw primair wordt bezien als een van de pijlers van het plattelandsbeleid (en de voedselproductie niet voorop staat) en/of zwaarwegende motieven bestaan voor continuering van de landbouw op marginale gronden;
  • (tijdelijk:) met het oog op een goede integratie van de nieuwe lidstaten van Midden- en Oost-Europa in het GLB (zie paragraaf 5.4); deze landen staan nu voor andere uitdagingen dan de huidige lidstaten, ook al is het langetermijndoel gelijk.

Er zijn echter ook duidelijke grenzen aan de mogelijkheden voor differentiatie van het GLB. De differentiatie mag er niet toe leiden dat de eenheid op de interne markt voor landbouwproducten wordt verbroken en/of dat de mededinging op deze markt wordt verstoord.



(1) Vgl. SER-advies Innovatie voor duurzaam voedsel en groen, publicatienr. 02/09, inz. par. 6.4.
(2) SER-advies Duurzaamheid vraagt om openheid – op weg naar een duurzame consumptie, publicatienr. 03/02, pp. 10 en 11.
(3) SER-advies Sociaal-economisch beleid 2000-2004, publicatienr. 00/08, p. 204; ook aangehaald in: SER-advies Innovatie voor duurzaam voedsel en groen, publicatienr. 02/09, p. 30.