Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2000 | Meerjarennota Emancipatiebeleid

Meerjarennota Emancipatiebeleid

Advies 2000/09 - 15 september 2000

Zowel vanuit emancipatieperspectief bezien als vanuit de arbeidsmarkt is een verdere vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen nodig. In het emancipatiebeleid voor het komende decennium is dit een belangrijk thema, zoals ook blijkt uit de Meerjarennota Emancipatiebeleid van staatssecretaris Verstand van SZW. Volgens de raad zal de aandacht daarbij wel nadrukkelijker uit moeten gaan naar aspecten van diversiteit en levensloop dan in de nota het geval is. In dit advies geeft de raad zijn oordeel over de nota en doet hij suggesties voor het beleid.

Download:Volledig advies (765 kB)

Samenvatting


 Zowel vanuit emancipatieperspectief bezien als vanuit de arbeidsmarkt is een verdere vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen nodig. In het emancipatiebeleid voor het komende decennium is dit een belangrijk thema, zoals ook blijkt uit de Meerjarennota Emancipatiebeleid van staatssecretaris Verstand van SZW. Volgens de raad zal de aandacht daarbij wel nadrukkelijker uit moeten gaan naar aspecten van diversiteit en levensloop dan in de nota het geval is. In dit advies geeft de raad zijn oordeel over de nota en doet hij suggesties voor het beleid.

De raad stelt vast dat de nota geen nieuwe beleidsvoornemens bevat maar in hoofdzaak inventariserend van aard is. Over veel van de thema’s op het gebied van arbeid en zorg die in de nota aan de orde komen, heeft hij bovendien in de afgelopen jaren reeds geadviseerd. In dit advies beperkt hij zich daarom tot de hoofdl jnen en gaat hij voorts in op de vragen die de staatssecretaris hem heeft voorgelegd.

Algemeen oordeel over de nota

Hoofddoel beleid arbeid, zorg en inkomen
De raad waardeert het positief dat in de Meerjarennota een verbinding wordt gelegd met de zogeheten levensloopbenadering, maar meent dat deze benadering onvoldoende is uitgewerkt en te eenzijdig gericht is op de fase van de zorg voor jonge kinderen.
De raad kan zich in grote lijnen vinden in het hoofddoel van beleid op het terrein van arbeid, zorg en inkomen zoals dit in de Meerjarennota is geformuleerd: "Het bereiken van een duurzame situatie waarin zoveel mogelijk mensen gedurende de levensloop een economisch zelfstandig bestaan met zorgverantwoordelijkheid kunnen combineren."

Bevordering arbeidsparticipatie van vrouwen
In eerdere adviezen sprak de raad reeds uit dat deelname aan de betaalde arbeid naar zijn oordeel de hoofdroute vormt voor het verwerven en instandhouden van economische zelfstandigheid. Een verdere vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen acht hij niet alleen vanuit emancipatieperspectief van belang maar ook bezien vanuit de arbeidsmarkt. Hij wijst in dat verband op de tekorten op de arbeidsmarkt die voor de komende jaren worden voorzien.Hij wijst voorts op de positieve uitwerking van arbeidsdeelname voor de employability van mensen, als een factor van betekenis bij het voorkomen van uitkeringsafhankelijkheid. In dit verband verdient vermelding dat keuzes van individuen om – al dan niet tijdelijk – vanwege zorgtaken geen betaalde arbeid te verrichten, minder vrijblijvend zijn geworden.
Zo gaat de wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid meer en meer uit van de verdiencapaciteit van vrouwen (1990- maatregel, nieuwe nabestaandenwetgeving). De raad betwijfelt of burgers zich hiervan voldoende bewust zijn en bepleit hieraan via overheidsvoorlichting meer aandacht te besteden.

Opnieuw vraagt de raad aandacht voor het belang van de inschakeling van herintreders in het arbeidsproces. Hij acht het van belang dat eventuele belemmeringen die daarbij nog aanwezig zijn, in kaart worden gebracht en worden weggenomen.

Diversiteit en levensloop
Een vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen dient naar het oordeel van de raad te worden gerealiseerd door structurele arrangementen zo vorm te geven, dat mensen waar mogelijk hun voorkeuren kunnen volgen.
Hij wijst erop dat diverse factoren van invloed zijn op de keuze van individuen om verzorgende taken al dan niet te combineren met betaalde arbeid. In het bijzonder blijken sociaal-culturele factoren en ook belemmeringen in de arbeidsmarkt daarbij van betekenis te zijn.

De huidige praktijk laat een scala van patronen van verdeling van arbeid en zorgtaken zien. Een afnemend aantal personen volgt het ‘traditionele patroon’ waarbij de man een voltijdbaan heeft en de vrouw geen betaald werk verricht. In toenemende mate is sprake van taakcombineerders, waarbij opvalt dat de jongere generatie thans in meerderheid kiest voor de combinatie van arbeid en zorg wanneer er kinderen komen. De groep taakcombineerders is bovendien divers. Naast patronen met een verschil in arbeidsduur tussen de partners (zoals een hele baan plus een kwart baan of een hele plus een halve baan) zijn er patronen waarin de arbeidsduur van de partners min of meer gelijk is (twee hele banen,twee driekwart banen). Dergelijke patronen kunnen voorts per levensfase verschillen.

Tegen deze achtergrond plaatst de raad een kanttekening bij het in de Meerjarennota aangehangen ‘combinatiemodel’ .In zijn advisering over de toekomstscenario’s onbetaalde arbeid wees hij er reeds op dat scenario’s door hun aard nogal statisch en modelmatig zijn, waardoor onvoldoende wordt ingespeeld op verschillende voorkeuren en op verschillende levensfasen met hun pieken en dalen in de behoefte aan zorg. Hij zag ze vooral als hulpmiddel voor het bepalen van de richting van toekomstig beleid.

Het valt de raad verder op dat hoewel het kabinet in de Meerjarennota expliciet kiest voor een op diversiteit en levensloop gerichte benadering, de aandacht in hoofdzaak wordt gericht op de levensfase waarin werkenden jonge kinderen te verzorgen hebben. Het spreekt voor zich dat dit een periode is waarin sprake is van intensieve zorg. Nog steeds, zij het in afnemende mate, blijkt dit een cruciale fase te zijn in de loopbaan van vrouwen. Dit neemt echter niet weg dat ook andere levensfasen, bijvoorbeeld wanneer werkenden zorgbehoevende ouders of een zorgbehoevende partner hebben ,zorgintensief kunnen zijn. Ook deze andere levensfasen zouden in een op diversiteit en levensloop gerichte benadering een plaats dienen te krijgen.

In dit verband vraagt de raad ook aandacht voor het verschijnsel dat wel wordt aangeduid als ‘patchwork biographies’, en dat zich tot nu toe in het bijzonder bij vrouwen voordoet. Het gaat hierbij om variaties in arbeidsduur of loopbaanonderbreking die kunnen samenhangen met ‘arbeid en zorg’, ‘reïntegratie’,‘een leven lang leren’ of de behoefte aan ‘opfrissen en bijtanken’. De raad stelt vast dat dergelijke variaties in arbeidsduur en loopbaanonderbreking ook gevolgen hebben voor rechten in de sfeer van de sociale zekerheid en de pensioenen. In de levensloopbenadering van de Meerjarennota blijft dit aspect buiten beeld. De raad bepleit dat dit wordt betrokken bij de door het kabinet aangekondigde herbezinning op het sociale stelsel. Indien deze herbezinning leidt tot nieuwe kabinetsvoornemens, wil hij hierover graag adviseren.

Employability
In het advies vraagt de raad verder aandacht voor het behouden of verwerven van employability in geval van loopbaanonderbreking. Hij denkt daarbij onder meer aan het toegankelijk maken van vormen van wederkerend leren. In het verlengde hiervan zijn ook de beschikbaarheid en financiële toegankelijkheid van kinderopvang aandachtspunten.
Ook de mogelijkheden die ICT biedt voor het op peil houden van de employability acht hij in dit kader van belang.

Uitbesteding van zorgtaken
De mogelijkheden die het uitbesteden van zorgtaken voor taakcombineerders biedt, worden in de Meerjarennota onvoldoende belicht. Reeds eerder wees de raad erop dat mogelijkheden tot uitbesteding van zorgtaken niet alleen tegemoet komen aan de behoeften van werkenden, maar daarnaast ook werkgelegenheid creëren. Hij is dan ook benieuwd naar de resultaten van het recent door het kabinet aangekondigde MDW-project ‘Particuliere dienstverlening’, waarbij mogelijke belemmeringen in deze sfeer in kaart zullen worden gebracht.

Hij onderstreept verder nogmaals de wenselijkheid van een cultuuromslag ten aanzien van de waardering van persoonlijke dienstverlening. Uitgangspunt dient te zijn dat ook de werkgelegenheid in de persoonlijke dienstverlening voldoet aan gangbare sociale standaarden.

Reactie op de vragen van het kabinet

In het advies gaat de raad vervolgens in op een aantal vragen van de staatssecretaris aan de raad. Een van deze vragen betreft de taakstelling van het kabinet om de arbeidsparticipatie van vrouwen te laten toenemen tot circa 65 procent in het jaar 2010. Ook de overige vragen houden direct dan wel indirect verband met het thema van arbeid, zorg en inkomen.

Arbeidsparticipatie in 2010
De raad schat in dat de arbeidsparticipatie van vrouwen op grond van autonome ontwikkelingen en in gang gezet beleid van overheid en sociale partners verder zal toenemen. Maar om de door het kabinet gewenste toename te kunnen realiseren,zullen extra impulsen nodig zijn. De raad denkt daarbij in het bijzonder aan maatregelen gericht op het behouden en vergroten van employability en het vergroten van de mogelijkheden voor kinderopvang. De raad kan zich vinden in de strekking van de nota Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang. Ook tussenschoolse opvang is volgens de raad een aandachtspunt.
De raad wijst er verder op dat als gevolg van de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen alsmede van de vergrijzing van de bevolking, de behoefte aan (professionele) zorg zal toenemen. Het budget van de professionele thuiszorg zal hieraan voldoende tegemoet moeten komen.

Mannen en zorgtaken
De raad plaatst een vraagteken bij de sturingsmogelijkheden van de overheid waar het gaat om de vergroting van het aandeel van mannen in zorgtaken.
Naar zijn oordeel dient het beleid van de overheid vooral te faciliteren, in die zin dat partners hun voorkeuren voor de verdeling van arbeid en zorg ook daadwerkelijk kunnen realiseren. De raad noemt verlofsparen als een voorbeeld van faciliteren. Ook acht hij het van belang dat jongens via het onderwijs worden voorbereid op een meervoudig toekomstperspect ef waarin zowel arbeid als zorgtaken een plaats krijgen.

Kostwinnersfaciliteiten
Een van de vragen die het kabinet aan de raad voorlegt, betreft een mogelijke omzetting in het komende decennium van kostwinnersfaciliteiten in voorzieningen die de combinatie van arbeid en zorg ondersteunen. Het kabinet signaleert daarbij als dilemma dat voorzieningen voor alleenverdieners enerzijds de draagkracht van de lagere inkomens ondersteunen maar anderzijds een drempel opwerpen voor de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van met name lager opgeleide vrouwen.

Volgens de raad zijn het in het bijzonder de armoede- en werkloosheidsval die drempels opwerpen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen en ook voor die van mannen. Het gaat daarbij om de situatie dat het voor werklozen en laagbetaalden nauwelijks of niet lonend is om (meer uren)te gaan werken, omdat de extra inkomsten niet of nauwelijks opwegen tegen extra uitgaven aan bijvoorbeeld kinderopvang of een verlies van inkomensondersteunende voorzieningen zoals huursubsidie. De raad heeft in zijn recente advies over het sociaal-economische beleid 2000-2004 het belang van het zoeken naar een oplossing voor dit probleem ondersteund.

De raad verwijst voor het in de adviesaanvraag geschetste dilemma naar mogelijke opties die hij in eerdere adviezen, waaronder zijn advies Arbeid, Zorg en Economische zelfstandigheid (1998), heeft aangegeven. Over de wenselijkheid van de diverse opties bestond binnen de raad geen eensluidende opvatting.

Glazen plafond
Het vraagstuk van het glazen plafond betreft de geringe instroom van vrouwen in hogere functies en het verschijnsel dat vrouwen die er wel in slagen leidinggevende en hogere functies te bereiken, sneller dan mannen uitstromen. Volgens de raad is daarbij sprake van een complex en subtiel samenspel van factoren. Onder meer de cultuur binnen bedrijven vormt daarbij een van de struikelblokken.
Doorbreking van het glazen plafond vraagt om een mix van maatregelen, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de actoren op decentraal niveau. De raad wijst in dat verband op de conclusies die de ILO in 1997 heeft verwoord voor de verdere beleidsontwikkeling gericht op het doorbreken van het glazen plafond. Daarin wordt onder meer gewezen op het belang van transparante wervings- en promotieprocedures, het stellen van streefcijfers en op het monitoren van de voortgang van het gevoerde beleid.
De raad kan de aanname van het kabinet dat het glazen plafond via het ondernemerschap kan worden omzeild, niet delen. De raad vindt de aandacht voor vrouwelijk ondernemerschap in de Meerjarennota overigens te beperkt.

Dagindeling
De raad staat positief tegenover de kabinetsvoornemens op het gebied van de dagindeling. Hij stelt vast dat uit de thans lopende experimenten in het kader van de stimuleringsmaatregel Dagindeling blijkt dat overheidsinstellingen én bedrijven de problematiek van de dagindeling voor taakcombineerders herkennen en gezamenlijk naar oplossingen willen zoeken. De raad onderschrijft de noodzaak van een systematische evaluatie van de experimenten opdat deze bij de beleidsvorming kunnen worden betrokken.

Enkele experimenten hebben betrekking op arbeidstijdenmanagement. Volgens de raad kan een goed gebruik van dit instrument zowel voor werkgevers als voor werknemers winst opleveren. Hij acht het wenselijk dat via voorlichting, mede via organisaties van werkgevers en van werknemers, de nodige bekendheid wordt gegeven aan de resultaten van de thans lopende experimenten in deze sfeer.

Jongere, laagopgeleide en allochtone vrouwen
Volgens de raad geeft de positie van jonge meisjes thans in het algemeen aanleiding tot optimisme over de sociaal-economische positie van de aankomende generatie vrouwen. Hun schoolprestaties doen niet onder voor die van jongens en hun opvattingen over arbeidsparticipatie geven blijk van emancipatie. De positie van laagopgeleide vrouwen is echter kwetsbaar, in het bijzonder die van laagopgeleide Turkse en Marokkaanse vrouwen. Niet duidelijk is of dit verband houdt met persoonlijke voorkeuren of dat zij meer dan anderen belemmeringen ervaren op het punt van de arbeidsdeelname.
De raad bepleit een driesporenbenadering om hun arbeidsdeelname te bevorderen. Het eerste spoor ligt op het gebied van onderwijs, scholing en inburgering. Het tweede betreft het effectief stimuleren tot arbeidsdeelname, waarvoor met name het oplossen van de armoede- en werkloosheidsval van belang is. Een derde spoor is het wegnemen van onnodige toetredingsbelemmeringen in het arbeidsbestel. Daarbij noemt de raad de mogelijkheid om via taak- en functiesplitsing werkgelegenheid voor laagopgeleiden te creëren.