Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Etnisch Ondernemerschap

Etnisch Ondernemerschap

Advies 1998/14 - 19 juni 1998

Download:Volledig advies (519 kB)Samenvatting (53 kB)

Samenvatting

Het kabinet heeft de Sociaal-Economische Raad (SER) gevraagd te adviseren over het te voeren beleid ten aanzien van het etnisch ondernemerschap. De aanleiding hiervoor vormt het gegeven dat etnische minderheden nog steeds sterk oververtegenwoordigd zijn onder werkzoekenden, terwijl het vermoeden bestaat dat er voor hen ook mogelijkheden zijn in het ondernemerschap. Juist dit zelfstandige ondernemerschap biedt, volgens het kabinet, kansen voor een op zelfstandigheid en eigen kracht gebaseerde integratie in de Nederlandse samenleving. De raad is gevraagd de algemene en specifiek voor etnische minderheden geldende knelpunten en kansen voor ondernemerschap in kaart te brengen en op basis daarvan beleidsrichtingen te ontwikkelen.

Vrijwel tegelijkertijd met de toezending van de adviesaanvraag hebben de ministeries van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken aan het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) te Nijmegen gevraagd een onderzoek te verrichten naar de actuele stand van zaken rond het etnisch ondernemerschap. De uitkomsten van het gelijkoplopende ITS-onderzoek zijn zo goed mogelijk meegenomen in het advies.

Eenduidige definities en begrippen
Vooraf heeft de raad moeten vaststellen dat in het integratiebeleid etnische minderheden (minderhedenbeleid) een andere doelgroepomschrijving wordt gehanteerd dan in het beleid gericht op een evenredige arbeidsdeelname van allochtonen. Hoewel hij dit advies over het etnisch ondernemerschap niet de aangewezen plaats vindt om uitgebreid te discussiëren over de vraag welke doelgroepomschrijving het meest adequaat is, vindt hij het voortbestaan van de thans heersende onduidelijkheid ongewenst. De raad nodigt het kabinet uit om tot een inzichtelijk en over de verschillende beleidsterreinen zo veel mogelijk afgestemde doelgroepomschrijving te komen.

Zelf haakt de raad in dit advies aan bij de prioriteitenstelling in de Contourennota Integratiebeleid etnische minderheden 1994 en richt hij zich hoofdzakelijk op Surinamers, Antillianen/Arubanen, Turken, Marokkanen en vluchtelingen. Daarbij tekent hij aan dat het - vooral op decentraal niveau - zinvol kan zijn andere dan de genoemde groepen in de beschouwing te betrekken.

Veelal, ook in de adviesaanvraag, worden de begrippen etnisch ondernemerschap en allochtoon ondernemerschap afwisselend gehanteerd. In dit advies wordt op praktische gronden de meer ingeburgerde beleidsterminologie 'etnisch ondernemerschap' en 'ondernemers uit etnische minderheden' gehanteerd met de aantekening dat het hierbij niet gaat om een specifieke wijze van 'etnisch' ondernemen.

Analyse en algemene uitgangspunten voor beleid

Positieve ontwikkeling maar ook structurele kwetsbaarheden
Het ondernemerschap mag zich onder etnische minderheden in een toenemende belangstelling verheugen. De keuze voor het ondernemerschap is sinds het midden van de jaren tachtig fors toegenomen. Onder de belangrijkste groepen - Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen/Arubanen - is daarbij sprake van een sterkere toename dan onder autochtonen. Door deze inhaalslag ligt het aandeel van ondernemers in de beroepsbevolking bij Turken inmiddels hoger dan bij autochtonen; de andere genoemde groepen blijven daarbij nog achter. Positief is ook dat de bedrijfsactiviteiten van etnische ondernemers zich geleidelijk aan meer spreiden naar branches met een geringere kans op uitval. Positief is verder dat, indien etnische ondernemers het moeilijke eerste jaar weten te overleven, de uitval onder etnische en autochtone ondernemers zich in de jaren daarna op een vergelijkbaar niveau bevindt.

Hoewel er dus sprake is van een positieve ontwikkeling, vertoont het etnisch ondernemerschap nog een aantal structurele kwetsbaarheden. Deze komen tot uitdrukking in een relatief hoog uitvalpercentage - in het bijzonder onder Turken en Marokkanen - in het eerste jaar van ondernemerschap en in een relatief groot aandeel onder de zelfstandigen die gedurende langere tijd van een laag inkomen moeten rondkomen. Factoren die hierbij een rol spelen zijn:
  • de nog altijd omvangrijke keuze van vooral Turkse en Marokkaanse ondernemers voor risicovolle branches als de horeca en de detailhandel, al is er sprake van een geleidelijk toenemende spreiding naar andere branches;
  • het achterblijvende opleidingsniveau, waardoor de uitgangssituatie voor zowel het bereiken van een voldoende mate van professionaliteit in het ondernemerschap, als wel voor toetreding tot meer perspectiefrijke branches en markten minder gunstig is;
  • het achterblijven van etnische ondernemers wat de opbouw en uitbouw van relevante netwerken buiten de eigen groep betreft, welke als een belangrijke andere voorwaarde kan worden gezien voor professionalisering van de bedrijfsvoering en marktverbreding en -vernieuwing.
Veelsoortigheid centraal
De heterogeniteit van etnische minderheidsgroepen in ons land is aanzienlijk als we kijken naar hun oriëntatie op het ondernemerschap, de beschikbaarheid van eigen hulpbronnen op individueel en groepsniveau, de toegankelijkheid van externe hulpbronnen en van markten en de aanwezigheid van het alternatief van werken in loondienst. Over de belangrijkste etnische minderheidsgroepen in ons land kan worden gesteld dat er voor in het bijzonder de Turkse en wellicht ook de Marokkaanse groep sprake is van een in potentie belangrijke rol voor het ondernemerschap als groep sintegratiemechanisme.
Dat wil onder meer zeggen dat van goed etnisch ondernemerschap een belangrijke voorbeeldwerking kan uitgaan en dat positieve effecten mogen worden verwacht op de ontwikkeling van loondienstkansen voor Turken en Marokkanen en voor het integratieperspectief van hun kinderen. Voor de heterogene Surinaamse en de Antilliaanse/Arubaanse bevolkingsgroep, alsmede voor de zeer divers samengestelde groep van vluchtelingen in ons land, is het ondernemerschap vooral een in belang toenemend integratiemechanisme op individueel niveau; groepseffecten zijn hierbij ongewisser. Deze veelsoortigheid laat eenvoudige generalisaties niet toe, hetgeen een belangrijke constatering is voor beleidsmakers.

Brede mix van instrumenten
Ook de aangetroffen diversiteit van knelpunten geeft aan dat een verdere positieve ontwikkeling van het etnisch ondernemerschap het resultaat moet zijn van een brede mix van instrumenten op uiteenlopende niveaus. Voor een deel van deze mix geldt dat niet zozeer een etnisch-specifiek beleid aangewezen is, als wel een beleid dat in beginsel ten goede komt aan alle (potentiële) ondernemers.
Daarbij is voor een aantal instrumenten wel de reële verwachting dat ondernemers uit etnische minderheidsgroepen er meer dan evenredig van zullen (kunnen) profiteren. Daarnaast komt uit de knelpunten de wenselijkheid naar voren om binnen het kader van een generiek beleid te bezien hoe de responsiviteit voor het etnisch ondernemerschap via een voldoende mate van differentiatie verder kan worden vergroot. Daarbij zou ook oog moeten bestaan voor de positie van vrouwelijke etnische ondernemers. Een dergelijke gedifferentieerde benadering kan dan aanvullend, specifiek beleid vergen.

Succesvolle voorbeeldwerking vergt inzet op kwaliteit
De raad acht de voorbeeldwerking van succesvol ondernemerschap in eigen kring van cruciaal belang. Hij vindt dat het beleid vooral zou moeten bijdragen tot kwalitatief goed etnisch ondernemerschap, juist vanwege die gewenste voorbeeldwerking. Het spreekt daarbij voor zich dat de kwaliteit van het (etnisch) ondernemerschap is gediend met gezonde en eerlijke concurrentieverhoudingen. Hieruit volgt overigens dat de overheidsbemoeienis in het kader van een beleid gericht op de bevordering van etnisch ondernemerschap ook zekere grenzen in acht moet nemen.
Binnen de grenzen van eerlijke en gezonde concurrentieverhoudingen ziet de raad evenwel nog voldoende ruimte om via een verbetering van de voorbereiding op het ondernemerschap, een betere begeleiding rond de startfase en het stimuleren van professionalisering en strategisch marktgedrag bij reeds gevestigde ondernemers het aanbod en de kwaliteit van het etnisch ondernemerschap te versterken. De raad wil daarbij als uitgangspunt nemen dat ondernemen niet enkel een aangeboren vaardigheid is, maar ook kan worden geleerd. Bij het doen van beleidsaanbevelingen beseft de raad, ten slotte, dat er al veel initiatieven bestaan. Een van de belangrijkste oogmerken van het beleid moet echter zijn de samenhang hiertussen te versterken, en dan vooral op het niveau van de (grote) steden.

Beleidsaanbevelingen
 
Het vinden en benutten van marktkansen
Het spreekt voor zich dat de ontwikkeling van de vraag naar producten en diensten in belangrijke mate de ruimte voor toetreding en verdere doorgroei van etnische ondernemers bepaalt. Omdat veel etnische ondernemers een start maken met relatief laagwaardige en arbeidsintensieve industriële en dienstenactiviteiten, zijn ook zij gebaat bij een gematigde kostenontwikkeling. Verder ziet de raad vooral mogelijkheden in het opschuiven in de richting van dienst-verlenende activiteiten.

In dit verband vraagt hij in het bijzonder aandacht voor de ontwikkeling van de markt voor persoonlijke dienstverlening . In verschillende adviezen heeft de raad aangegeven dat de persoonlijke dienstverlening tot een regulier onderdeel van de marktsector dient te worden gemaakt. Hij is daarbij van mening dat het van de grond komen van een levensvatbaar aanbod van persoonlijke diensten sterker moet worden benaderd vanuit het marktwerkingsbeleid, of in dit geval beter het marktontwikkelingsbeleid, en niet alleen vanuit het arbeidsmarktbeleid. Het beleid zal er daarbij op moeten zijn gericht de ontwikkeling van ondernemerschap ook in deze sector te stimuleren, waarbij ook vormen van public-private-partnership kunnen worden beproefd.

Vanwege de sterke concentratie van etnische minderheden in de grote steden is het evident dat het grotestedenbeleid van bijzonder belang is voor etnische minderheden en daarbinnen voor etnische ondernemers. Begin dit jaar heeft de raad in zijn advies Samen voor de stad(1) zijn visie op de toekomstige ontwikkeling van het grotestedenbeleid uiteengezet. Vanuit een algemeen pleidooi voor een meer structurele aanpak, onder meer door een clustering van middelen, vraagt de raad in het bijzonder aandacht voor een versterking van de stadseconomie. Op dit terrein heeft hij in overweging gegeven te komen tot een stadseconomiefonds , gericht op de financiering van projecten die de economische structuur in vooraf aan te duiden economische stimuleringsgebieden versterken. Het gaat dan om projecten waarvoor overheid en bedrijfsleven een gezamenlijke verantwoordelijkheid willen dragen, bijvoorbeeld bedrijfsverzamelgebouwen, inrichting of herstructurering van winkelcentra en bedrijventerreinen, faciliteiten voor starters, ondernemerseducatie en voorlichting.

Daarbij heeft de raad nadrukkelijk aandacht gevraagd voor uitbreiding van de bedrijvencentra (bedrijfsverzamelgebouwen) in de stad. Bezien vanuit het etnisch ondernemerschap wil de raad, mede op basis van ongunstige ervaringen met 'etnische centra' in het verleden, onderstrepen dat vooral moet worden gestreefd naar een goede mix van allochtone en autochtone bedrijvigheid in deze bedrijvencentra. Zo biedt bij uitstek een divers samengesteld bedrijfsverzamelgebouw de basis voor de gewenste externe netwerkvorming door etnische ondernemers (zie verder).

Tegen de achtergrond van het in snel tempo toenemende belang voor ondernemers om samen te werken met toeleveranciers en (professionele) afnemers, wijst de raad op het belang van deelname van etnische ondernemers in franchiseformules en winkelketens. Hij onderstreept dan ook het belang van een goede evaluatie van het project Franchising en allochtonen dat tegen het einde van dit jaar zal aflopen. De franchiseformule kan onder meer bijdragen aan de oplossing van drie knelpunten rond etnisch ondernemerschap: gebrekkige managementvaardigheden, entreeproblemen in sommige branches en een gebrek aan gunstige locaties.

De knelpunten die (door)starters ondervinden bij het aantrekken van externe financiering worden vooral veroorzaakt doordat financiers problemen hebben om het risicoprofiel van ondernemingsplannen goed in te schatten. Daarbij kan de inschatting van niet-financiële indicatoren bij etnische ondernemers op extra belemmeringen stuiten in verband met taal- en cultuurverschillen. Het verder tot ontwikkeling brengen van instrumenten die bij de projectbeoordeling behulpzaam zijn, vormt de beste manier om deze knelpunten weg te ne-men. De raad verwelkomt dan ook recente initiatieven van een aantal commerciële banken teneinde onder meer de communicatie met etnische minderheidsgroepen te verbeteren. In aanvulling hierop wijst de raad op zijn suggestie in het advies Samen voor de stad om na te gaan in hoeverre het door hem bepleite 'stadseconomiefonds' een rol kan vervullen in de sfeer van garantstelling voor kredieten die door private banken aan ondernemers in de economische stimuleringsgebieden in de grote steden worden verstrekt.

Inspanningen in de sfeer van wet- en regelgeving
De administratieve vereisten in een complexe samenleving zoals de Nederlandse vormen voor iedere ondernemer, in het bijzonder in het midden- en kleinbedrijf, geen eenvoudige opgave. In dit verband is van belang dat de raad in zijn recente advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002(2) ervoor heeft gepleit om ook in de komende kabinetsperiode via een concrete taakstelling te streven naar een verdere verlaging van de administratieve lastendruk voor bedrijven en burgers. Daarbij moet de aandacht zich niet alleen richten op het rijksbeleid, maar ook op lagere overheden. Naast de regelgeving als zodanig heeft de raad in zijn advies Samen voor de stad in het bijzonder ook aandacht gevraagd voor de uitvoering. Voor bedrijven is het vooral van belang dat zij worden geconfronteerd met:
  • één aanspreekpunt bij gemeenten (front office);
  • daadwerkelijke stroomlijning en afstemming van de procedures die achter het loket schuilgaan (back office);
  • een korte, vooraf helder aangegeven doorlooptijd van (vergunnings)procedures.
De raad blijft voorstander van het streven om in marktsegmenten waarvoor een vestigingsvergunning geldt, ondernemers via de vereiste Algemene Ondernemersvaardigen (AOV) een voldoende basis mee te geven om als ondernemer te kunnen slagen. De kwaliteit en continuïteit van het etnisch ondernemerschap is daar volgens hem ook bij gebaat. Wel ziet de raad aanleiding om nauwkeurig na te gaan op welke wijze de cursus AOV en de voorschakeling van etnische minderheden daar naar toe kunnen worden verbeterd, door:
  • verbetering van de balans tussen benodigde kennis en de ontwikkeling van vaardigheden die centraal zouden behoren te staan;
  • verbeteringen in de didactische sfeer, door gebruik te maken van praktijk-voorbeelden en begeleiding door personen uit etnische minderheden; de ervaringen met de cursus Een eigen bedrijf in Nederland kunnen daarbij leerzaam zijn.

Sluitstuk op verbetering van de begeleiding bij het voldoen aan AOV-eisen is dat er ook daadwerkelijk op wordt toegezien dat zich vestigende, vergunningplichtige ondernemers aan die eisen voldoen en dat dit ook wordt gehandhaafd. Als handhaving ontbreekt en feitelijk informele bedrijfsactiviteiten worden gedoogd, ontbreekt ook de prikkel voor starters om van hun kant te investeren in het behalen van het AOV-diploma.

Ten slotte zou, zoals de raad in zijn advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 ook heeft gesuggereerd, bij de evaluatie van de vestigingswetgeving nader aandacht kunnen worden gegeven aan de vraag hoe in de toekomst aan de eisen van vaktechniek - die thans gelden voor bakkers, slagers en elektriciens - het beste invulling kan worden gegeven, via vestigingseisen of via het mogelijke alternatief van regels ten aanzien van producten en productieprocessen.
Nader onderzoek zal meer licht moeten werpen op de vraag of bepaalde locaties en marktsegmenten worden afgeschermd door middel van hoge huren, door de wijze van verdeling van (nieuwe) bedrijfsruimten en door vormen van coöptatierecht. Deze vormen van marktafscherming , gericht op alle buitenstaanders, kunnen ongunstiger uitwerken voor etnische ondernemers, vanwege het ontbreken van vaardigheden en van toegang tot netwerken om goed met die (veelal ongeschreven) regels om te gaan.

Op voorhand geeft de raad aan dat aanknopingspunten om ongewenste vor-men van marktafscherming tegen te gaan vooral zullen liggen op het niveau van gemeenten, vanwege hun de prominente rol bij zaken als de toewijzing van vestigingslocaties, de regulering van de ambulante handel en dergelijke. Voorts wijst de raad erop dat ook in dit verband de versterking van deelname van etnische ondernemers in franchiseformules of winkelketens, van betekenis kan zijn. Ten slotte moet ook in dit verband het grote belang van externe netwerkvorming door etnische ondernemers worden onderstreept.

Toegang krijgen en verwerven tot externe netwerken
Voor de versterking van de kwaliteit van het ondernemerschap is het toegang krijgen en verwerven tot andere dan de eigen informele netwerken, te weten externe financiers, winkeliersverenigingen, brancheverenigingen van grote betekenis. De raad gaat er daarbij van uit dat organisaties binnen het bedrijfsleven, waaronder in het bijzonder de Kamers van Koophandel (KvK's) en het Instituut van het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), ten aanzien van deze netwerkvorming een eigen verantwoordelijkheid onderkennen en daar ook handen en voeten aan willen geven. Wel zou van overheidswege deze verantwoordelijkheid, gelet op de te verwachten positieve maatschappelijke effecten van externe netwerkvorming, niet alleen aanmoediging verdienen, maar ook ondersteuning. Tenslotte merkt de raad in dit verband op dat, temidden hiervan, een bijzondere rol lijkt te zijn weggelegd voor de publiekrechtelijke bedrijfslichamen in ons land.

In de praktijk blijkt dat er binnen het bedrijfsleven bereidheid is starters en ook kleine bestaande ondernemers te ondersteunen. Een belangrijke gemeenschappelijke ervaring bij de initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is dat de doelgroep niet eenvoudig kan worden bereikt. Traditionele, schriftelijke instrumenten zoals brieven en folders voldoen niet; veel etnische ondernemers geven aan het liefst persoonlijk benaderd te worden. Effectief is dan vooral het gebruikmaken van allochtone contactpersonen en adviseurs. Daarnaast kan het stimuleren van zelforganisatie een effectief instrument zijn. Naast belangenbehartiging kan (zelf)organisatie bijdragen tot een verdere professionalisering van het ondernemerschap.

Ook de opzet van voorbeeldnetwerken van (geslaagde) ondernemers kan een belangrijke bijdrage leveren. Om ervoor zorg te dragen dat ook etnische onder-nemers van dergelijke initiatieven kunnen profiteren, is een goede doorverwijzing van groot belang, hetgeen hoge eisen stelt aan de kwaliteit van de hierna te bespreken intermediaire functies.

Voorlichting, advies en educatie
In de sfeer van advisering, begeleiding en onderwijs aan startende etnische ondernemers liggen verbeteringen volgens de raad vooral op het vlak van vergroting van de doorzichtigheid van het voorzieningenaanbod en een verheldering van de onderlinge verantwoordelijkheidsverdeling tussen betrokken partijen, als basis voor een sterkere onderlinge samenwerking.

Op dit moment wordt gewerkt aan een versterking van de voorzieningenstructuur, waarbij de KvK's sterker dan in het verleden een eerste-lijnfunctie krijgen toebedeeld en IMK's en Innovatiecentra (Ic's) worden geïntegreerd. In zijn advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 heeft de raad erop gewezen dat de beperking van het aantal kamers er niet toe mag leiden dat de toegankelijkheid voor aspirantondernemers wordt verkleind. De samenvoeging van IMK's en Ic's achter de eerstelijnsfunctie van de KvK's ziet de raad als een logische stap op weg naar geïntegreerde adviezen aan (door)starters, waarin technologische en bedrijfsmatige aspecten in hun onderlinge samenhang worden behandeld.

De raad acht de omschrijving van de KvK's als eerstelijnsfunctie ook van betekenis voor de afbakening van verantwoordelijkheden en van het dienstverleningsaanbod ten opzichte van lokale startersinitiatieven . De raad is er voorstander van dat op stedelijk/regionaal niveau afspraken tot stand komen tussen KvK's, gemeenten en lokale startersinitiatieven over hun onderlinge taakafbakening en over de doorverwijzing van aspirant-starters die zich aanbieden. Hij kan zich daarbij voorstellen dat de KvK's zich in de toekomst meer expliciet beperken tot hun huidige taken van algemene voorlichting en advisering en daarnaast in het kader van hun eerstelijnsfunctie, meer dan nu het geval is, de doorverwijzing naar lokale startersinitiatieven tot hun taak rekenen. Binnen de KvK zou een herkenbaar en toegankelijk aanspreekpunt aanwezig moeten zijn om, op basis van een goed inzicht in de diverse aspecten van het etnisch ondernemerschap, aan de genoemde algemene ondersteuning en specifieke doorverwijzing invulling te geven.

Lokale startersinitiatieven kunnen vervolgens, vanuit hun visie, invulling geven aan een intensievere begeleiding van starters. Daarvoor is het wel gewenst dat de huidige projectsubsidiëring op tijdelijke basis van dergelijke initiatieven zich kan ontwikkelen tot een meer structurele inzet. In dit verband verwijst de raad naar de rol die het door hem bepleite stadseconomiefonds voor de grote steden zou kunnen vervullen om, althans in de grote steden, dergelijke initiatieven tot stand te brengen en/of een structureler langetermijnperspectief te bieden. De erkenning, institutionalisering en professionalisering van lokale startersinitiatieven wordt door de raad ook van belang geacht voor een goede en efficiënte benutting van mogelijkheden in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz).

In relatie met lokale startersinitiatieven wil de raad ten slotte wijzen op de bijzondere positie van vluchtelingen. Anders dan de onderscheiden etnische minderheidsgroepen wonen vluchtelingen niet zo geconcentreerd in de grote steden. Hierdoor is de toegankelijkheid van lokale startersinitiatieven voor hen geringer. Mede tegen deze achtergrond acht de raad het gewenst dat de oriëntatie op het ondernemerschap een plaats krijgt in de inburgeringsprogramma's voor nieuwkomers. Daarnaast moet worden nagegaan in hoeverre aanvullende initiatieven in de richting van vluchtelingen noodzakelijk worden geacht om specifieke knelpunten die zij ervaren bij het streven zich te vestigen als zelfstandig ondernemer weg te nemen.

De raad vindt meer in het algemeen dat meer ruimte moet worden geboden aan initiatieven vanuit een visie dat ondernemerschap een activiteit is die je ook kunt leren. In zijn advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 heeft de raad bepleit om de aandacht voor het ondernemerschap in het initiële onderwijs te vergroten. Van belang is vooral dat leerlingen vaardigheden herkennen en ontwikkelen die bruikbaar zijn in het ondernemerschap en worden getraind in het zelfstandig aanpakken en oplossen van problemen. Ook scholingsinstellingen kunnen een belangrijke rol spelen. Het gaat daarbij zowel om aspirant-ondernemers uit de kring van de werkenden als uit de kring van de werkzoekenden. Bij een verbreding van het scholingsaanbod voor werkenden in deze richting acht de raad een stimulerende rol, ook in financiële zin, voor de overheid weggelegd, vanwege de positieve externe effecten die hiermee zijn gemoeid en vanuit de veronderstelling dat van ondernemers moeilijk kan worden gevraagd hun werknemers op te leiden tot potentiële concurrenten.

Parallel met witte vlekken die in delen van het onderwijs bestaan ten aanzien van het zelfstandig ondernemerschap en het leren ondernemen, vraagt de raad ook aandacht voor de geringe betekenis van het ondernemerschap in de beroepskeuzeadvisering . Daar waar het zelfstandig ondernemerschap uitdrukkelijk ook als een loopbaanperspectief moet worden gezien, acht de raad het gewenst dat wordt onderzocht hoe het perspectief op zelfstandig ondernemen een integraal onderdeel van beroepskeuzetests kan worden.

Ondersteuning van starters vanuit een uitkeringssituatie
De raad zal binnenkort separaat adviseren over de kabinetsvoorstellen voor aanpassing van het Bbz. In dit advies merkt hij op dat de voorgestelde verbeteringen, zeker daar waar het de inhoudelijke verbetering van de voorbereidingsperiode voor een Bbz-aanvraag en de begeleiding na de start betreft, ook starters uit etnische minderheidsgroepen ten goede komen.

Verder bepleit de raad:

  • in de uitvoering van het Bbz gebruik te maken van medewerkers en adviseurs uit etnische minderheidsgroepen;

  • aandacht voor de mogelijke cultuurgebondenheid van de levensvatbaarheidstoets;

  • de raad stelt daarbij vast dat het kabinet ook overigens niet komt tot concrete voorstellen voor verbetering, door standaardisering en snellere behandeling, van de levensvatbaarheidstoets. Mede hierdoor is het perspectief op een daadwerkelijke verbetering van de effectiviteit van het Bbz voor de raad nog onhelder.

  • aandacht voor de rol van arbeidsvoorziening bij de uitstroom van uitkeringsgerechtigden naar het zelfstandig ondernemerschap.



1. SER-advies Samen voor de stad, publicatienr. 98/01, Den Haag 1998.
2. SER-advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002, publicatienr. 98/08 Den Haag 1998.