Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Verkoop van en waarborgen van consumptiegoederen

Verkoop van en waarborgen van consumptiegoederen

Advies 1998/03 - 28 januari 1998

Download:Volledig advies (269 kB)


Deel van de CCA vindt richtlijn nodig, ander deel vindt: niet nodig
De minister van Justitie heeft mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken in december 1996 advies gevraagd aan de Commissie voor Consumentenaangelegenheden (CCA) van de Sociaal-Economische Raad (SER) over het richtlijnvoorstel betreffende de verkoop van en de waarborgen voor consumptiegoederen (garanties consumptiegoederen). Over de noodzaak van een dergelijke Europese richtlijn zijn de meningen binnen de CCA verdeeld.

Een deel van de CCA
(1) hecht veel waarde aan de totstandkoming van een Europese richtlijn op dit terrein, omdat dit de markt transparanter maakt en het vertrouwen van de consument in de interne markt vergroot. Onduidelijkheid over hun rechten en plichten, ook buiten de directe sfeer van de garanties, weerhoudt consumenten nog te vaak van aankoop in het buitenland. Wat de afweging betreft van kosten en baten voor het bedrijfsleven, huldigt dit deel het standpunt dat de kosten voor de baten uitgaan, met andere woorden als er al sprake is van een aanzienlijke kostenverhoging zal zich dit altijd terugverdienen in een verbeterd productieproces en een daaruit voortvloeiende verminderde noodzaak tot het inroepen van garanties.

Een ander deel van de CCA is tegen de totstandkoming van een dergelijke Europese richtlijn, vanuit een oogpunt van subsidiariteit en proportionaliteit, mede gezien de verwachte uitvoeringskosten voor het bedrijfsleven. Deze worden door de Europese Commissie (EC) veel te laag ingeschat. Dit deel is van mening dat de werkelijke belemmeringen met betrekking tot het kopen over de grens zijn gelegen in de fysieke afstand tussen koper en verkoper en de verschillen in taal. De verschillen tussen de nationale rechtstelsels ten aanzien van koop en garanties vormen in de interne markt geen (ernstige) concurrentieverstoringen tussen verkopers. Dit deel pleit ervoor dat partijen en ook overheden op vrijwillige basis maatregelen treffen in de informatiesfeer om knelpunten zo veel mogelijk op te lossen.

Voor het als tweede genoemde deel als subsidiair standpunt gaat de CCA voorts in op de vormgeving van een eventuele Europese richtlijn voor garanties op consumptiegoederen. Zij beantwoordt daarmee de overige vragen van de adviesaanvraag.

Voorstel flexibeler en evenwichtiger maken
Unaniem is de CCA van mening dat het richtlijnvoorstel en ook zijn toelichting nogal wat juridische onduidelijkheden bevatten. Zij wijst in dit verband op de meer algemene prioriteit van de EC en vooral ook van de Nederlandse regering om de kwaliteit van Europese regelgeving te verhogen. Omdat op zeer cruciale punten het richtlijnvoorstel niet duidelijk is, is ook nauwelijks een inschatting te maken van de consequenties van dit voorstel voor de Nederlandse rechtspraktijk. Dit maakt het adviseren over het huidige voorstel bijzonder moeilijk. Europese regelgeving op het terrein van garanties zou naar de mening van de CCA flexibeler en evenwichtiger dienen te zijn dan nu is voorgesteld. Het Nederlandse systeem in het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt haars inziens marktpartijen ruime en evenwichtig verdeelde mogelijkheden voor (ver)koop en garanties.

Toepassingsgebied en definities
De CCA pleit voor een eenduidige definitie van het begrip 'consument' voor alle Europese richtlijnen. Zij hecht groot belang aan adequate definities, ook van de andere marktpartijen, om het toepassingsgebied van de richtlijn scherp te kunnen afbakenen. Dat toepassingsgebied dient te worden beperkt tot lichamelijke roerende zaken en binnen die categorie moet nog aan een verdere beperking worden gedacht.

Conformiteit: lastige keuzen
Dat goederen dienen overeen te stemmen met het koopcontract, is een belangrijke bepaling van het richtlijnvoorstel (conformiteitseis). De conformiteit moet bestaan op het moment dat de consument het goed afgeleverd krijgt. Gebrek aan conformiteit moet blijken binnen twee jaar na aflevering van het goed.

De voorgestelde conformiteitseis heeft - net als die in het BW - een open karakter, in die zin dat de invulling hiervan afhangt van de specifieke omstandigheden. Wel is de norm in het voorstel door een gegeven toelichting meer uitgewerkt dan die in het BW. Ten aanzien van de termijnen is het verschil tussen beide groter. Het richtlijnvoorstel hanteert meer vaste termijnen dan het BW. Omdat aan elk van de conformiteitssystemen zowel voor- als nadelen zitten, vond de CCA het lastig om een keuze te maken voor het ene of het andere systeem.
De CCA kan zich, alles afwegende, vinden in het principe van een open conformiteitsnorm welke in een toelichting wordt uitgewerkt. Zij verwacht dat een dergelijk systeem de rechtsonzekerheid verkleint, zonder tot inflexibiliteit te leiden en ook zonder het BW-systeem overhoop te halen. Daarentegen kan de CCA zich niet vinden in het voorgestelde systeem van vaste termijnen. Zij geeft de voorkeur aan een systeem, zoals in het BW, met grotendeels flexibele termijnen. Niet alleen kan in een dergelijk systeem de rechter meer rekening houden met de specifieke aard en brede gevarieerdheid van de verschillende productgroepen, maar ook biedt het een betere balans voor de rechten van consumenten, detaillisten en fabrikanten dan een systeem met slechts vaste termijnen.

Beperk vrije keus aan rechten
Volgens het richtlijnvoorstel kan de consument kiezen uit ontbinding van het koopcontract, vervanging van het goed (beide alleen in het eerste jaar), verlaging van de prijs of gratis reparatie van het goed. Naar de mening van de CCA ligt het in de rede om, net als in het BW, de vrije keuze van de consument aan rechten bij non-conformiteit te beperken. Een volledig vrije keuze houdt immers onvoldoende rekening met de belangen van ondernemers. Op dit punt kan zonder meer een voorbeeld worden genomen aan de regeling in het BW, die niet alleen flexibeler is maar ook meer afgewogen ten opzichte van die in het richtlijnvoorstel. Daarnaast pleiten ook milieu-argumenten ervoor om de keuze van de consument, bijvoorbeeld om een vervangend product te eisen, beperkt te houden.

Bewijslastomkering: deel van de CCA niet mee eens, ander deel wél
In de eerste zes maanden ligt de bewijslast in principe bij de verkoper, daarna bij de consument. Een deel van de CCA (3)wijst deze omkering van de bewijslast af: een dergelijk systeem is niet noodzakelijk om de rechten van consumenten op adequate wijze te verzekeren en kan bovendien misbruik van het wettelijk garantierecht door consumenten in de hand werken. Dit deel is van mening dat het richtlijnvoorstel ook op dit punt een ongewenste wijziging zou aanbrengen op het meer afgewogen Nederlandse systeem.

Een ander deel van de CCA (4) daarentegen acht de voorgestelde omkering van de bewijslast juist een belangrijk element van de consumentenbescherming op dit terrein en vindt dat een bewijslastomkering een goede aanvulling zou zijn van het Nederlandse rechtssysteem. In het huidige systeem weegt de rechter van geval tot geval af op welke partij de bewijslast rust. Daar komt bij dat het voorstel de consument die een beroep doet op non-conformiteit óók in een sterkere positie brengt vóórdat de rechter eraan te pas komt. Dit is voor de handelspraktijk van groot belang omdat van alle claims op grond van non-conformiteit uiteindelijk slechts een topje van de ijsberg bij de rechter komt, aldus dit deel van de CCA.

Vóór een regresrecht van de verkoper
De CCA stemt in met het opnemen van een regresrecht voor de verkoper in het richtlijnvoorstel. De bescherming van de consument tegen ondeugdelijke producten dient immers uiteindelijk zo veel mogelijk ten laste van de producent daarvan te komen, indien de verkoper geen verwijt van ondeugdelijkheid kan worden gemaakt. Een belemmering voor de verkoper om zijn regresrecht uit te oefenen kan zijn gelegen in aansprakelijkheidsuitsluitingen gehanteerd door zijn voorschakels. Deze zouden het regresrecht van verkopers niet meer mogen 'wegexonereren'; de beknelde detaillist moet worden bevrijd.

Handelsgaranties: vóór transparantie en juridisch kader
De CCA stemt in met het voorstel om handelsgaranties meer transparant te maken (deze moeten schriftelijk zijn en raadpleegbaar en dienen bepaalde essentiële gegevens te bevatten) en in een juridisch kader te plaatsen (garanties, ook in reclame-uitingen, zijn bindend). Daarentegen stelt zij uitdrukkelijk vragen bij de derde doelstelling, het regelen van de relatie tussen de handelsgarantie en de wettelijke garantie. Alvorens de eventuele noodzaak van regeling te kunnen vaststellen, moet eerst meer duidelijkheid bestaan over de inhoudelijke relatie tussen de handelsgarantie en de wettelijke garantie. De CCA roept de wetgever op om op dit punt meer duidelijkheid te verschaffen.

Tot slot
Enkele maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het toen al gepubliceerde richtlijnvoorstel, heeft de EC alsnog een onderzoek gestart naar de economische effecten van het voorstel. Daarna viel de politieke behandeling van het voorstel tijdelijk stil. In goed overleg met de adviesaanvrager heeft het onderzoek tot enig uitstel in de advisering geleid.



  1. Bestaande uit de consumentenleden en de onafhankelijke leden Franken, Hondius, mevrouw Lodders-Elfferich en Mortelmans.
  2. Bestaande uit de ondernemersleden.
  3. Bestaande uit de ondernemersleden en de onafhankelijke leden Franken, mevrouw Lodders-Elfferich en Mortelmans.
  4. Bestaande uit de consumentenleden en het onafhankelijke lid Hondius.