Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1997 | Onderwijsemancipatiebeleid

Onderwijsemancipatiebeleid

Advies nr. 97/08 - 19 september 1997

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) heeft de Sociaal-Economische Raad (SER) verzocht advies uit te brengen over het door OCenW te voeren emancipatiebeleid. OCenW wil van de raad vernemen hoe hij aankijkt tegen de betekenis van de meest recente maatschappelijke ontwikkelingen en de implicaties daarvan voor de toekomstige koers van het (onderwijs)emancipatiebeleid.

Download:Volledig advies (1095 kB)

Samenvatting

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) heeft de Sociaal-Economische Raad (SER) verzocht advies uit te brengen over het door OCenW te voeren emancipatiebeleid. De overheid is, aldus de adviesaanvraag, niet bij machte door sturende actie maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen. In dialoog met verschillende partijen kunnen maatschappelijke vraagstukken geïdentificeerd en zo mogelijk tot een oplossing gebracht worden. OCenW wil van de raad vernemen hoe hij aankijkt tegen de betekenis van de meest recente maatschappelijke ontwikkelingen en de implicaties daarvan voor de toekomstige koers van het (onderwijs)emancipatiebeleid. Zo'n open agendavormende strategie lijkt hun een betere benadering dan het zonder meer uitbrengen van een 'vijfde emancipatienota'.

De adviesaanvraag bevat geen beleidsvoorstellen. De raad wordt gevraagd mee te denken in de fase van de beleidsvoorbereiding en zijn visie te geven op drie thema's die voor het beleid van belang zijn, te weten:

  • het vergroten van de deelname van vrouwen aan de techniek;
  • de hardnekkigheid van de beeldvorming inzake mannelijke en vrouwelijke rolpatronen en
  • de risico's en uitdagingen voor de maatschappelijke zelfstandigheid van vrouwen die samenhangen met de zich voltrekkende maatschappelijke ontwikkelingen.

OCenW wil daarbij de blik minder richten op de problemen van vandaag, maar veel meer kijken naar de wenselijk geachte toekomst. De minister geeft zelf geen toekomstgerichte schets, maar verzoekt juist de raad aan te geven op welke maatschappelijke ontwikkelingen het onderwijsemancipatiebeleid moet inspelen. Waarbij van belang is dat emancipatie inmiddels minder wordt gezien als een achterstandsbeleid waarbij vrouwen zich moeten meten met mannen. De benadering in het overheidsemancipatie-beleid is thans dat niet vrouwen het probleem vormen, maar de organisatie van de maatschappij. Doel van het beleid is nu het werken aan een samenleving waarin vrouwen en mannen arbeid, zorg, sociale en politieke activiteiten kunnen combineren. Om dat te kunnen bereiken moet aan de daarbij behorende infrastructuur worden gewerkt.

Referentiekader van de raad


De raad meent dat tegen de achtergrond van structurele ontwikkelingen in de economie ­ die onder meer leiden tot een toenemend belang van kennis en een grotere dynamiek van baanvernietiging en baancreatie ­ onderwijs en scholing een belangrijke bijdrage kan leveren aan drie, sterk met elkaar verweven, ambities van de raad:

  • vergroten van de arbeidsparticipatie ten behoeve van de reductie van de nog altijd hoge inactiviteit binnen de beroepsbevolking, vooral onder laagopgeleiden;
  • vergroten van de kennisintensiteit van de economie;
  • waarborgen en versterken van de employability van werknemers in reactie op de trend naar flexibilisering van arbeidsrelaties.

De raad realiseert zich dat meisjes later, meer dan dat dat van vorige generaties werd verwacht, in beginsel door middel van betaalde arbeid in hun eigen levensonderhoud moeten kunnen voorzien. Willen zij daartoe in staat zijn, dan zal het onderwijs hun een goede beroepsvoorbereiding moeten geven. Het onderwijs zal, in het kader van de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid, daarenboven jongens zo moeten toerusten dat zij later zorgtaken kunnen verrichten.

Relevante maatschappelijke ontwikkelingen


De raad noemt de volgende invloedrijke maatschappelijke ontwikkelingen die van belang zijn voor het onderwijsemancipatiebeleid:

De combinatie van arbeid en zorg
De samenleving balanceert tussen het traditionele en het geëmancipeerde model. Zij is nog onvoldoende ingesteld op het combineren van verschillende taken en verantwoordelijkheden door beide seksen. Zo heeft de huidige ongelijke verdeling van de onbetaalde arbeid tussen vrouwen en mannen nadelige gevolgen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen, hetgeen hun mogelijkheden tot economische zelfstandigheid te komen, beïnvloedt. Wel blijken in iedere nieuwe groep vrouwen die na de initiële opleiding aan een arbeidsmarktcarrière beginnen, meer vrouwen buitenshuis te gaan én te blijven werken dan in de vorige groep.
De participatie aan betaalde arbeid is nog steeds zeer seksespecifiek.

Het is opvallend dat de participatie van vrouwen tussen 25-45 jaar nog sterk uiteenloopt. Dit hangt zeker als er jonge kinderen te verzorgen zijn sterk samen met het opleidingsniveau van de vrouw. De arbeidsparticipatie van lager geschoolde vrouwen is aanzienlijk lager dan die van lager opgeleide mannen en van hoger opgeleide vrouwen. Naar de positie van laagopgeleide vrouwen is afzonderlijk onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek komt naar voren dat, hoewel lang niet alle laagopgleide vrouwen baan en kinderen combineren, een groot aantal vrouwen wel deze wens heeft. Voorts blijkt dat de werkloosheid onder vrouwen met kinderen veel hoger is dan bij vrouwen zonder kinderen. De raad concludeert hieruit dat er een aanzienlijk potentieel is voor verhoging van de arbeidsparticipatie, waarbij scholing een belangrijke rol kan spelen.

Het onderbreken van de loopbaan beïnvloedt het verschil in arbeidspositie tussen vrouwen en mannen, maar ook tussen vrouwen onderling. Onderbrekers met een hoge opleiding komen als grootste verliezers uit de bus. Positieverlies kan voorkomen worden door scholing tijdens de loopbaanonderbreking. Het beleid gericht op de combinatie van arbeid en zorg, dat het vergroten van keuzemogelijkheden en het wegnemen van belemmeringen ten doel heeft, moet een verdere impuls krijgen. De lage arbeidsparticipatie van moeders in Nederland komt evenwel niet alleen voort uit het ontbreken van voldoende kinderopvangvoorzieningen, maar hangt ook samen met sociaal-culturele normen die de keuzen van vrouwen en mannen op dit punt beïnvloeden.

Technologie en internationalisering
Door internationalisering en technologische ontwikkelingen, waaronder informatie- en communicatietechnologie (ICT), ontstaan er grote verschuivingen in de functie- en beroepenstructuur. Genoemde processen creëren nieuwe mogelijkheden voor goedgeschoolde en flexibele werk-nemers, maar houden gevaren in voor de arbeidsmarktpositie van laaggeschoolden. De ontwikkelingen versterken het belang van investeren in menselijk kapitaal door kwalitatief goed initieel onderwijs, een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en in scholing van werkenden en werkzoekenden. Het baart zorgen dat in Nederland niet alleen vrouwen maar ook mannen relatief weinig voor technische richtingen kiezen.

Flexibilisering
Niet alleen de aard van het werk en de arbeidsorganisaties veranderen, het beleid van ondernemingen, sociale partners en overheid moet ook rekening houden met het gegeven dat er verscheidene 'typen' werknemers zijn die, veelal afhankelijk van hun privéomstandigheden en levensfase, uiteenlopende wensen en behoeften hebben. Perioden van arbeid worden afgewisseld met perioden van verlof, scholing, studie, zorg of anderszins. De wendbaarheid ofwel employability die hiervoor nodig is, vraagt van (potentiële) werknemers dat zij over het nodige 'kapitaal' beschikken om zich te kunnen verplaatsen op de arbeidsmarkt. Dit kapitaal bestaat voor een belangrijk deel uit scholing en voor een ander deel uit ervaring, alsmede de bereidheid om in te spelen op veranderingen.

Demografische ontwikkelingen
Ontgroening en vergrijzing zullen leiden tot een veroudering van de beroepsbevolking en een onevenwichtige opbouw van het personeelsbestand. Hierdoor kunnen de kennis en vaardigheden van de beroepsbevolking achterblijven. De bevolking wordt niet alleen grijzer maar ook multi-etnischer. 
Individualisering gaat gepaard met een grotere diversiteit van primaire leefvormen, een toenemende frequentie van het alleen staan en een toenemende symmetrie van rollen tussen man en vrouw binnen het gezin. Voor de sociale samenhang is onder meer arbeidsparticipatie van belang. Het bijeenhouden van de samenleving vergt niet alleen een antwoord op de verschuiving in normen en waarden, waarbij de school een taak heeft, maar ook een volwaardige deelname van alle burgers aan het maatschappelijke leven.

Als algemene lijn kan uit de geschetste ontwikkelingen worden gehaald dat het onderwijs rekening moet houden met een grotere dynamiek in de maat-schappelijke ontwikkelingen en een heterogenere samenstelling van het (potentiële) leerlingenaanbod qua etnische achtergrond, maar ook qua leeftijd.
De grotere dynamiek vraagt om een initiële opleiding die brede kennis en vaardigheden, met een hoge transferwaarde bij wisseling van beroep of functie, biedt. Ook moet een flexibele instelling ten opzichte van steeds veranderende (arbeids)situaties worden ontwikkeld. Daarna moeten er mogelijkheden zijn voor wederkerend leren. De heterogeniteit van de onderwijsvragenden maakt dat het onderwijs oog moet hebben voor specifieke verschillen in behoeften en mogelijkheden van de diverse doelgroepen.

Consequenties voor het te voeren onderwijsemancipatiebeleid


a. Doelstellingen en effecten vierde Onderwijsemancipatienota
De raad gaat eerst in op het tot nu toe gevoerde beleid om te zien welke lessen daaruit kunnen worden getrokken. Hij meent dat de in de vierde Onderwijsemancipatienota geformuleerde doelstellingen en speerpunten ook thans nog actueel zijn. Zij kunnen dan ook bij het opstellen van een volgende nota als uitgangspunt dienen, mits bij het vormgeven van nieuw beleid rekening wordt gehouden met het indertijd door hem gegeven commentaar op deze nota.

Uit de toelichting op de adviesaanvraag blijkt dat momenteel wordt gewerkt aan een overzicht van de resultaten die sinds het uitkomen van de vierde Onderwijsemancipatienota geboekt zijn. De raad hecht veel belang aan dit overzicht. Zolang het niet beschikbaar is, valt immers niet te zeggen of de in deze nota neergelegde streefdoelen al dan niet bereikt zijn en kan eigenlijk geen oordeel worden gegeven over het succes van het beleid. Nu de evaluatie van de vierde Onderwijsemancipatienota ontbreekt, is aan de hand van gegevens over de onderwijs- en arbeidsmarktparticipatie geprobeerd meer inzicht te krijgen in de ontwikkelingen rond de onderwijsdeelname. De algemene conclusie is dat de ontwikkelingen de goede kant op-gaan, maar dat verdere inspanningen nodig blijven om de gestelde doelen te bereiken.

b. Specifiek of generiek beleid
Het onderwijsemancipatiebeleid was oorspronkelijk vooral op het inhalen van achterstanden door meisjes gericht. Inmiddels richt het zich op meisjes én jongens.
De raad is het eens met de mainstreaming van het beleid, hetgeen inhoudt dat het onderwijsemancipatiebeleid zoveel mogelijk wordt geïntegreerd in het algemene onderwijsbeleid. De raad realiseert zich wel dat de integratie van emancipatiedeskundigheid in mainstreambeleid het nodige vraagt.
Hij beveelt onder meer het volgende aan. Aandacht voor emancipatoire aspecten moet een onderdeel vormen van het kwaliteitsbeleid van scholen. Bij het opnemen van de emancipatiedoelstellingen in het algemene beleid moet steeds toetsbaar blijven of deze doelstellingen ook daadwerkelijk worden gehaald. Succesvol gebleken emancipatieprojecten moeten zoveel mogelijk een structurele inbedding in de reguliere infrastructuur van het onderwijsbestel krijgen.

De raad is van mening dat naast integratie van de emancipatiedoelstellingen in het generieke beleid, het voeren van specifiek beleid voor bepaalde groepen, gezien hun bijzondere problematiek, gerechtvaardigd blijft. Hij denkt daarbij aan:
  • laaggeschoolde (autochtone en allochtone) mannen én vrouwen;
  • groeperingen binnen de categorie allochtone mannen én vrouwen die bijzondere aandacht behoeven, zoals nieuwkomers;
  • mannen én vrouwen die na een langdurige loopbaanonderbreking, bij-voorbeeld voor het vervullen van zorgtaken bij hun herintreden op de arbeidsmarkt worden gehandicapt door hun verouderde opleiding en ervaring.

c. Het concept van 'een leven lang leren'
De adviesaanvraag refereert aan het Kennisdebat. De aanbevelingen die inmiddels uit dit debat naar voren zijn gekomen kunnen in hoofdzaak worden geconcentreerd op het thema 'een leven lang leren'. De raad gaat in op de raakvlakken die dit concept heeft voor de thematiek van dit advies. Daarbij komt eerst het initieel onderwijs en vervolgens het wederkerend leren aan de orde.

Een goed fundament in het initieel onderwijs
De raad hecht veel belang aan het initiële onderwijs. Het moet jongens én meisjes voorbereiden op een meervoudig toekomstperspectief. In het initiële onderwijs wordt de basis gelegd voor het leren leren. De raad verwijst daarbij naar zijn eerder gegeven beleidsoriëntaties. Jongens én meisjes moeten brede kennis en vaardigheden én een flexibele instelling ten opzichte van veranderende situaties meekrijgen. Op deze basis kan dan later, door middel van wederkerend leren, verder worden gebouwd.

De raad gaat vervolgens onder meer op het volgende in. Binnen het initieel onderwijs zal veel aandacht moeten worden besteed aan loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Dit biedt mogelijkheden tot horizonverbreding en kan zo jongens én meisjes zicht geven op nieuwe mogelijkheden en daarmee bevorderen dat niet-traditionele keuzen worden gemaakt. Het gaat om een continuproces dat niet vroeg genoeg kan aanvangen. In dat proces speelt niet alleen de school een rol, maar is ook een confrontatie met de beroepspraktijk van belang. Leerkrachten zullen in hun initiële opleiding en in nascholingstrajecten goed moeten worden voorbereid op dit aspect van hun onderwijstaak. Ook het herdefiniëren van beroepsprofielen verdient veel aandacht, waarbij het steeds gemengdere karakter van beroepen tot uitdrukking moet komen. Aandacht wordt eveneens gevraagd voor de mogelijke seksespecifieke consequenties die veranderingen in het stelsel van studiefinanciering kunnen hebben en die tot gevolg kunnen hebben dat voor vrouwen extra belemmeringen ontstaan. Voorkomen moet worden dat meisjes en vrouwen bij ICT een achterstand oplopen. De raad zal een afzonderlijk advies uitbrengen over ICT in het onderwijs.

Bereik van de mogelijkheden tot wederkerend leren
Wederkerend leren draagt bij aan de employability van mensen. Daarbij gaat de aandacht tot nu toe in het bijzonder uit naar werkenden of bij het arbeidsbureau ingeschreven werkzoekenden. De Stichting van de Arbeid ging in een aantal recent verschenen adviezen op dit vraagstuk in. De raad vraagt in dit advies aandacht voor het gegeven dat de financiering voor her- en bijscholing in toenemende mate tot uitkeringsgerechtigden wordt beperkt. Hierdoor dreigen mensen die niet-uitkeringsgerechtigd zijn uitgesloten te worden van dit onderwijsaanbod.

Het uitgangspunt van de raad is dat het beleid gericht op de combinatie van arbeid en zorg primair gericht moet zijn op het behoud van de band met de arbeidsmarkt. Zonder aan dit uitgangspunt af te doen wil hij aandacht vragen voor het gegeven dat nog altijd veel mensen, vooral vrouwen, hun loopbaan voor langere of kortere tijd onderbreken voor zorgtaken. Het is, gezien de doelstelling van het vergroten van de arbeidsparticipatie en van de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid, van belang dat ook zij na verloop van tijd weer in het arbeidsproces worden opgenomen. De raad meent daarom dat het behoud van de employability van loopbaanonderbrekers nadrukkelijk op de agenda moet worden gezet, waarbij aan de orde moet komen dat een lang leren om nieuwe arrangementen, tussen de overheid, het onderwijsveld en de sociale partners, vraagt.

d. Visie op vraagstuk van beeldvorming en het vergroten van deelname aan techniek
In het initiële onderwijs moet het doorbreken van stereotype beeldvorming en het vergroten van de deelname aan technische opleidingen, in het kader van de loopbaanoriëntatie en begeleiding, een steeds terugkerend thema vormen. Ook in het wederkerend onderwijs zal het aandacht moeten krijgen. Het doorbreken van de beroepensegregatie vormt voor de raad een van de kernthema's voor het beleid.

De raad doet daarnaast nog een aantal specifieke aanbevelingen, te noemen vallen de mogelijkheden die niet rolbevestigend en van een multi-etnische samenleving uitgaand lesmateriaal bieden om de beeldvorming te doorbreken; bij het werven van meisjes voor technische opleidingen is het waarschijnlijk het effectiefst om de inspanningen primair te richten op voor meisjes makkelijker toegankelijke (minder 'harde') technische opleidingen en beroepen, en aan te sluiten bij bij hen reeds bestaande belangstelling; en om bij een niet-traditionele keuze de overgang van school naar bedrijf te vergemakkelijken is een vorm van nazorg vanuit de opleiding of een mentorschap van een ervaren beroepsbeoefenaar van binnen of buiten het bedrijf aan te bevelen.

e. Buitenschoolse opvang
De raad acht het van belang dat buitenschoolse opvang de komende jaren de nodige aandacht blijft krijgen.

f . Conclusie: binnen de context van een leven lang leren geïntegreerd waar het kan, specifiek waar het moet
Het onderwijs zal, gezien de grotere dynamiek en de heterogeniteit van de maatschappij, voor jongens én meisjes, mannen én vrouwen, uit moeten gaan van het concept van 'een leven lang leren'. De doelstellingen van het onderwijs(emancipatie)beleid richten zich op jongens én meisjes. Beiden moeten binnen de context van een leven lang leren worden voorbereid op economische zelfstandigheid en zorgzelfstandigheid. Veel van hetgeen in dit advies aan de orde kwam maakt onderdeel uit van mainstream beleid.

De raad is het met deze mainstreaming van het beleid eens. Wel realiseert hij zich dat de integratie van emancipatiedeskundigheid in mainstream beleid het nodige vraagt. De raad meent dat verdere voortgang moet worden gemaakt met de structurele inbedding in de reguliere onderwijsinfrastructuur van succesvol gebleken methodieken. Het steeds weer opstarten van incidentele projecten zonder daarbij de bedoeling te hebben deze, als zij effectief blijken te zijn, te implementeren in het reguliere beleid, acht de raad niet zinvol. Ook kan worden geleerd van ervaringen in het buitenland. Bij verdere innovaties in het onderwijs, zoals de basisvorming en de tweede fase van het voortgezet onderwijs (de introductie van vier profielen en het studiehuisconcept in havo/vwo en de introductie van vier leerwegen in mavo/vbo), zal steeds moeten worden bezien of deze seksespecifieke consequenties hebben, waaruit onbedoelde belemmeringen voor een van beide seksen kunnen voortvloeien. Naast integratie in het algemene beleid zal, waar dat nodig is, specifiek beleid moeten worden ingezet om voor bepaalde groepen geldende problemen, bijvoorbeeld het behoud van employability van loopbaanonderbrekers, op te lossen. Voor het vormgeven van beleid gericht op horizonverbreding en het maken van niet-traditionele keuzen, is specifieke deskundigheid vereist. Aansturing door deskundigen op de diverse onderwijsniveaus, zoals de Stichting VHTO dat voor het hoger beroepsonderwijs doet, zal daarbij waarschijnlijk het meeste effect hebben. Naar het oordeel van de raad kan een dergelijke aanpak ook voor andere technische richtingen, opleidingen en opleidingsniveaus vruchten afwerpen.

Ten slotte wil de raad wijzen op het belang van een goede intra- en interdepartementale samenwerking. Bij de emancipatieprojecten is sprake van veel losse aandacht, projecten, organisaties en financiële stromen. Meer samenhang en coördinatie, en meer integratie in reguliere voorzieningen, zal ook meer effectieve resultaten laten zien.