Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1997 | Handmatig tillen

Handmatig tillen

Advies 1997/36 - 21 augustus 1997
Commissie Arbeidsomstandigheden

In september 1996 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad gevraagd over nader beleid inzake handmatig tillen op het werk.

Download:Volledig advies (1268 kB)

Samenvatting

De adviesaanvraag

In september 1996 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad gevraagd over nader beleid inzake handmatig tillen op het werk.
De adviesaanvraag schetst een viertal opties voor de manier waarop het beleid voor handmatig tillen verder gestalte zou kunnen krijgen:
  • Tillen als onderwerp in de verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie (RIE); uitgangspunt hierbij is dat de bestaande regelgeving toereikend is, dat de RIE het bedrijfsleven voldoende aangrijpingspunten biedt om ten minste een basisniveau van bescherming te realiseren en dat de problematiek in de toekomst zal afnemen door de toenemende prikkels op het gebied van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
  • Vaste normering, eventueel gefaseerd ingevoerd; hierbij wordt een getalsmatige grens gesteld waarboven een situatie zodanig bedreigend voor de gezondheid wordt geacht dat maatregelen nodig zijn, tenzij dat redelijkerwijs van de werkgever niet gevraagd kan worden. Desgewenst kan de grens gefaseerd worden ingevoerd waarbij stapsgewijs de beoogde grenswaarde wordt bereikt.
  • Standaardnormering met overlegregeling; naar analogie van de systematiek van de Arbeidstijdenwet wordt wettelijk een minimumnorm (de standaardnorm) ingevoerd, waarvan naar boven toe mag worden afgeweken tot een eveneens wettelijk vastgelegd maximum (de overlegnorm). In het tussengebied is plaats voor collectief overleg op bedrijfs-(tak)niveau tussen werkgevers(-) en werknemers(vertegenwoordigers).
  • Netwerkbenadering met brancheafspraken en kwantitatieve doelstellingen; op brancheniveau worden in overleg concrete reductiedoelstellingen qua inhoud en fasering vastgesteld. Worden deze doelstellingen niet gehaald, dan bestaat alsnog de mogelijkheid om een meer normatief gerichte benadering als in de vorige twee opties te overwegen.

Het advies van de Gezondheidsraad en twee NEI-rapporten

Basis voor de adviesaanvraag vormen onder meer een advies van de Gezondheidsraad en de uitkomsten van een onderzoek naar kosten en baten voor het Nederlandse bedrijfsleven, uitgevoerd door het Nederlands Economisch Instituut (NEI).
Het advies van de Gezondheidsraad gaat over de bruikbaarheid van de zogenoemde NIOSH-formule voor de risicobeoordeling van handmatig tillen. Deze formule stelt gewichtslimieten vast die ontleend worden aan de zwaarte van een te beoordelen tilsituatie. Als een nadeel van deze formule beschouwt de Gezondheidsraad dat geen rekening wordt gehouden met relevante kenmerken van specifieke groepen of individuen (zoals belastbaarheid en lichaamslengte). Ook mist de Gezondheidsraad een aantal elementen in de tilsituatie zelf die van belang kunnen zijn (zoals het tillen van relatief kleine lasten met een zeer hoge frequentie en het tillen van mensen). De Gezondheidsraad beoordeelt de NIOSH-formule als een van de instrumenten die bij de preventie van gezondheidsschade door tillen kunnen worden ingezet; door toepassing van de formule kan een valide ordening in de zwaarte van tilsituaties worden aangebracht. De eindconclusie van de Gezondheidsraad is dat de NIOSH-formule de best onderbouwde formule is en goed verdedigbaar is.

De algemene probleemstelling in het onderzoek van het NEI is de vraag wat het totale saldo van kosten en baten voor het Nederlandse bedrijfsleven is als een normering voor handmatig tillen zou worden ingevoerd. Bij zijn berekeningen is het NEI uitgegaan van de NIOSH-norm. Per saldo ontstaat er volgens het NEI een negatieve netto contante waarde op jaarbasis van 219 miljoen gulden. Vooral de handel, de landbouw, de chemie en de gezondheidszorg kennen een sterk negatief saldo. Opvallend is volgens het NEI de licht positieve uitkomst voor de metaal en de bouw.
In een tweede, hierop voortbordurend rapport heeft het NEI de effecten van de invoering van een normstelling voor handmatig tillen op de concurrentiepositie en de werkgelegenheid berekend. Het NEI constateert een zeer beperkt effect op de concurrentiepositie. Het totale negatieve effect op de werkgelegenheid schat het NEI op circa 3000 arbeidsjaren (0,6 promille van de werkgelegenheid) met de sterkst negatieve effecten in de landbouw, delfstoffenwinning en chemie. Licht positieve effecten berekent het NEI voor transport en communicatie en de bouw.

Standpunt van de commissie

De commissie is het met het kabinet eens dat er, gezien de ernst van de problematiek, alle aanleiding is om meer aandacht te besteden aan het voorkomen en verminderen van de nadelige gevolgen van handmatig tillen. Ondernemingen die investeringen plegen teneinde de fysieke belasting te verminderen zouden daarvoor fiscaal moeten worden ondersteund. Ook vindt de commissie dat ondernemingen in de verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie expliciet aandacht moeten besteden aan de risico's van tillen.

Een deel van de commissie vindt dat ten aanzien van handmatig tillen voortgegaan moet worden op de tot nu toe ingeslagen weg. Het huidige Arbobesluit is daarvoor toereikend, terwijl de verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie met tussenkomst van een Arbodienst voldoende aangrijpingspunten biedt om ten minste een basisniveau van bescherming voor de werknemers te bieden. Bovendien wordt thans reeds door het bedrijfsleven een actief beleid inzake handmatig tillen gevoerd, zowel op bedrijfsniveau als op brancheniveau.
Dit deel van de commissie gelooft niet dat de invoering van een wettelijke tilnorm, ook wanneer daarvan binnen zekere marges kan worden afgeweken, het mogelijk maakt om maatwerk te leveren. Daarvoor zijn de omstandigheden waaronder in ondernemingen wordt getild en de verschillen in objecten die moeten worden getild te groot. Bovendien bevat de Europese richtlijn over het handmatig hanteren van lasten, die de basis vormt voor de Nederlandse wetgeving, geen enkele tilnorm en schrijft deze ook niet voor dat de lidstaten een wettelijke norm zouden moeten in-voeren. Met de invoering in ons land van een uniforme tilnorm voor alle ondernemingen en werknemers zou ons land ook uit de pas lopen ten opzichte van andere lidstaten. Uit een oogpunt van internationale concurrentieverhoudingen is dat niet acceptabel, omdat het gevaar bestaat dat arbeid die gemakkelijk over de grens verplaatst kan worden (zoals het lossen in havens) uit ons land zal verdwijnen. Om te bevorderen dat ondernemingen en instellingen ook daadwerkelijk de tilproblematiek ter hand nemen wil dit deel van de commissie niet alleen dat in de verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie expliciet aandacht aan handmatig tillen wordt besteed, maar ook dat voor de werknemer de mogelijkheid van een herhaald arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt gecreëerd, wanneer uit een eerste onderzoek klachten voortkomen die in relatie zouden kunnen staan met de fysieke belasting van de werknemer.

Een ander deel van de commissie is van mening dat het bovenstaande weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende basis is voor nader beleid. Dit deel bepleit de invoering van een wettelijke normering voor tillen. Deze normering bestaat in de eerste plaats uit een medisch gefundeerde standaardnorm; de basis voor deze norm is de NIOSH-formule. Tevens wordt wettelijk de mogelijkheid vastgelegd om op basis van overleg en overeenstemming tussen werkgevers(-) en werknemers(vertegenwoordigers) binnen een bepaalde bandbreedte af te wijken van de standaardnorm en aldus een overlegnorm tot stand te brengen. Deze overlegnorm maakt maatwerk voor ondernemingen en instellingen mogelijk, omdat deze norm kan worden gericht op de belastbaarheid van de populatie waarvoor de gezondheidsrisico's gelden.
Wanneer bij de invoering van de nieuwe regeling een bepaalde sector kan aantonen dat vanwege operationele, technische of financieel-economische problemen (nog) niet aan de wettelijke normering kan worden voldaan, kan de minister deze sector tijdelijk vrijstelling verlenen. Wanneer een individuele werkgever van oordeel is dat het voor hem onmogelijk is de standaardnorm dan wel de overlegnorm na te leven, kan hij een beroep doen op het redelijkerwijsbeginsel, zoals het Arbobesluit dat thans al kent. In beide gevallen moet in een plan van aanpak worden aangegeven op welke wijze en op welke termijn de tilproblematiek in afdoende mate kan worden opgelost.