Home | Publicaties | SER-adviezen | 1951 - 1959 | 1954 | Advies inzake de wettelijke ouderdomsvoorziening

Advies inzake de wettelijke ouderdomsvoorziening

Adviesnr. 1954/03 - 26 februari 1954

Advies over nieuwe wettelijke regeling van de ouderdomsvoorziening, in de vorm van een verplichte sociale verzekering.

Download:Volledig advies (2445 kB)

De voornaamste aanbevelingen in dit advies zijn:
Er is een wettelijke regeling nodig die alle ingezetenen dekt en waarvoor iedere ingezetene die een inkomen heeft premie betaalt. Premieplicht van 21 jaar tot 65 jaar, waarna recht op uitkering begint. De uitkering komt naast de eigen voorzieningen.

De raad wijst bedrijfstakgebonden uitvoering af. Een centraal uitvoeringsorgaan, waarin apparatuur van de Rijksverzekeringsbank zou kunnen worden ingebracht, mag wel regionale vertakkingen hebben. Inning van premie kan via de belastingdienst, met dien verstande dat men een duidelijker onderscheid kan zien tussen premie en belasting. Eén en ander impliceert dat slechts het niet betalen van verschuldigde premie - het gegeven voor de bepaling van de uitkering - door het uitvoeringsorgaan blijvend moet worden geregistreerd.
Aan het advies is een minderheidsnota toegevoegd, ondertekend door drie leden van de raad, namelijk: W.C.L. van de Grinten, M.J.H. Smeets en F.J.H.M. van der Ven.
Deze leden konden zich niet verenigen met de invoering van een verplichte ouderdomsverzekering voor de gehele bevolking.