Toezicht en bestuur

De tekst op deze pagina gold tot 1 januari 2015. Met ingang van die datum zijn de product- en bedrijfschappen opgeheven. Op die datum is ook de naam van de Wet op de bedrijfsorganisatie gewijzigd in Wet op de Sociaal-Economische Raad en is het op deze pagina genoemde hoofdstuk van die wet komen te vervallen.

De Wet op de bedrijfsorganisatie legt op het vlak van toezicht en bestuur enkele taken in handen van de SER. De taken op het gebied van bestuur en beleidsmatige aspecten van het SER-toezicht behoren tot de verantwoordelijkheid van de Bestuurskamer. De dagelijkse uitvoering van het SER-toezicht op de product- en bedrijfschappen is in handen van de Toezichtkamer, die onafhankelijk opereert. Het toezicht door de SER heeft betrekking op een aantal onderdelen:

De (institutionele) bestuurstaken van de SER hebben betrekking op: 

De SER heeft een eigen visie over de wijze waarop hij toezicht dient te houden. In het verlengde hiervan vormt de SER toezichtbeleid en verstrekt hij informatie over het gevoerde beleid. Uiteraard is er voor de onderwerpen toezicht en bestuur ook een wettelijk kader en wordt er gewerkt op basis van een werkprogramma (en Toezichtplan voor de Toezichtkamer).


Goedkeuring besluiten en financiën

Het bestuur van een schap kan zelfstandig besluiten nemen, veelal in de vorm van verordeningen, die de hele branche of sector raken. Op welk terrein het bestuur zulke besluiten mag nemen, is bij de oprichting van het schap vastgelegd.

De SER controleert die besluiten op twee belangrijke punten: een besluit mag niet in strijd zijn met de wet en mag de belangen van het bedrijfsleven in het algemeen niet schaden. Zo mag een schap niets regelen over prijzen of vestigingsplaatsen. Wat een schap regelt mag ook een gezonde mededinging in de branche niet belemmeren. Bovendien is belangrijk dat aan Europese regels wordt voldaan.

Het toezicht van de SER richt zich op de randvoorwaarden van genomen besluiten. De SER gaat hierbij niet op de stoel van het schapsbestuur zitten.

Bij de schappen gaat jaarlijks totaal zo’n 270 miljoen euro om. Dat geld is nodig voor de vele activiteiten van de diverse schappen. Om te waarborgen dat deze middelen inderdaad op de bedoelde plek terecht komen, controleert de SER elk jaar de financiën van de schappen.

Die controle gaat niet alleen over de jaarrekeningen van de schappen, maar ook over de besluiten die daaraan ten grondslag liggen, zoals begrotingsverordeningen en heffingsverordeningen. De SER moet hieraan zijn goedkeuring geven. Het gaat in totaal om zo’n 300 besluiten van schappen per jaar.


Principes van goed schapbestuur

De Toezichtkamer van de SER ziet toe op de uitvoering van de principes van goed schapbestuur door de product- en bedrijfschappen. Deze in 2009 in de Wet op de bedrijfsorganisatie verankerde principes zijn gebaseerd op de in 2007 door de schappen opgestelde Code Goed Bestuur product- en bedrijfschappen. De schappen hebben deze code opgesteld, omdat zij zich duidelijker voor hun handelen en voor de kwaliteit van hun dienstverlening willen verantwoorden.
De principes van goed schapbestuur beogen bestuurders van schappen te stimuleren zich op een maatschappelijk geaccepteerde en verantwoorde wijze te gedragen en daar publiekelijk verantwoording over af te leggen. Daarbij wordt uitgegaan van de intrinsieke motivatie tot naleving. De principes bevatten onder meer uitgangspunten op het vlak van integriteit, verantwoording en toezicht en openheid. Ook hebben onderwerpen als publiek of privaat (welke zaken regel je publiek en welke privaat), de werkingssfeer van een schap en het heffingenbeleid (wanneer algemene en wanneer specifieke heffingen) in de principes een plaats gevonden. Meer informatie over de code is opgenomen in de rechter kantlijn onder 'Code Goed bestuur product- en bedrijfschappen'.


Instelling en opheffing product- of bedrijfschappen 

De instelling of opheffing van een schap geschiedt gebruikelijk op verzoek van representatieve en dragende organisaties uit de betrokken sector(en) of branche(s). De minister van EZ voorziet daarin aan de hand van de Wet op de bedrijfsorganisatie via een Algemene Maatregel van Bestuur (instellingsbesluit) bij instelling en bij opheffing door intrekking daarvan.

Gelet op het voornemen van het kabinet-Rutte II om de product- en bedrijfschappen op te heffen, bestaat er momenteel geen mogelijkheid meer om een nieuw schap in te stellen. Ook het opheffen van schappen (of wijziging van de werkingssfeer) op verzoek van de dragende organisaties, op basis van de huidige Wet op de bedrijfsorganisatie, is momenteel als gevolg van het kabinetsvoornemen tot opheffing van de schappen niet (meer) mogelijk.

Het kabinet is voornemens ten behoeve van de opheffing van het stelsel van product- en bedrijfschappen één integrale intrekkingswet aan de Staten-Generaal voor te leggen, waarbij naast wijziging van een groot aantal verbandhoudende wetten ook hoofdstuk 2 van de Wet op de bedrijfsorganisatie geheel ingetrokken wordt. De inrichting en werking van schappen is in dit betreffende hoofdstuk geregeld.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de integrale intrekkingswet ter opheffing van de schappen, ondernemen alle schappen momenteel activiteiten die zien op (voorbereiding van) afbouw en uiteindelijke opheffing. Als richtsnoer voor deze activiteiten heeft de Toezichtkamer medio 2012 voor alle betrokken partijen een leidraad opgesteld. 


Samenstelling schapbesturen

Aan het hoofd van elk schap staat een bestuur. De leden van dit bestuur worden niet door de branchegenoten gekozen, maar ze worden voorgedragen door ondernemers- en werknemersorganisaties uit de branche.

Doorgaans telt het bestuur evenveel vertegenwoordigers van ondernemers als van werknemers. Wélke organisaties bestuursleden mogen voordragen en hoeveel zetels ze in dat bestuur mogen innemen, bepaalt de SER volgens zijn richtlijnen voor de representativiteit van organisaties en de toewijzing van bestuurszetels. De voorzitter van een schap wordt door de Kroon benoemd.