Kerngegevens product- en bedrijfschappen

De hierna volgende tekst gold tot 1 januari 2015. Met ingang van die datum zijn de product- en bedrijfschappen opgeheven.

Aantal schappen

Vanaf de oprichting van het eerste schap in 1954, het inmiddels opgeheven Landbouwschap, zijn tot de jaren zestig van de vorige eeuw uiteindelijk 56 schappen ontstaan. Dit aantal is in de loop der jaren teruggelopen naar 37. Met een hergroeperingsoperatie in 1997 is het aantal schappen vervolgens via opheffing en samenvoeging verder teruggebracht tot het huidige aantal van 17: elf productschappen en zes bedrijfschappen. Klik op het keuzemenu links in beeld voor een overzicht van de bestaande product- en bedrijfschappen of voor een overzicht van de opgeheven schappen.

Omvang

Bij de schappen waren in 2011 iets meer dan 800 personen in dienst (circa 725 FTE´s). Iets meer dan 400.000 ondernemingen (ongeveer de helft van alle ondernemingen in Nederland) ressorteerden anno 2011 onder de werkingssfeer van een product- of bedrijfschap. Bij deze ondernemingen zijn bij benadering meer dan twee miljoen werknemers in dienst, wat neerkomt op meer dan een kwart van de werkzame beroepsbevolking. De bij de schappen aangesloten ondernemingen hebben een totale jaarlijkse omzet van meer dan 200 miljard euro, ongeveer een derde van het Bruto Binnenlands Product.

Uitgaven en heffingen

De totale uitgaven (lasten) van de schappen zijn in de afgelopen 10 jaar gehalveerd. De lasten van alle schappen bedroegen in 2001 nog zo’n 428 miljoen euro, in 2005 was dit 265 miljoen euro. In 2010 bedroegen de totale lasten 216 miljoen euro. Zo’n 9 procent van de totale baten en lasten van de schappen stond in 2010 in het teken van zogeheten medebewindstaken; taken die zij in opdracht van de rijksoverheid uitvoeren.

Ook de heffingen van de schappen die opgelegd worden aan de ondernemingen laten in de afgelopen 10 jaar een halvering zien. Werd er door de schappen in 2001 nog voor zo’n 330 miljoen euro aan heffingen opgelegd, in 2005 was dit al teruggelopen tot 201 miljoen euro. In 2010 bedroeg het totaal aan heffingen van de schappen nog 149 miljoen euro.
De bedragen ten aanzien van de uitgaven en heffingen zijn gecorrigeerd voor inflatie aan de hand van het CPI, het Consumptieprijsindexcijfer van het CBS, waardoor inzicht wordt verkregen in de reële prijsontwikkeling.

Heffingsdruk

De gemiddelde heffing op jaarbasis per onderneming, de heffingsdruk, die onder de werkingssfeer van een schap ressorteert daalde van 472 euro (in 2008) naar 445 euro (in 2009), een afname van bijna 6 procent. De heffingsdruk per onderneming verschilt aanzienlijk. Zo is de gemiddelde jaarlijkse heffingsdruk bij productschappen circa 1.044 euro, bij de bedrijfschappen is dat circa 183 euro.

Administratieve lasten

Sinds 2004 vraagt de SER de product- en bedrijfschappen jaarlijks te rapporteren over aard en omvang van de administratieve lasten die zij veroorzaken. De reductie van administratieve lasten in 2009 bedraagt 4 procent ten opzichte van 2008 en 58 procent ten opzichte van de nulmeting in 2004. In euro’s bedraagt de reductie 13,1 miljoen: van 22,7 miljoen euro in 2004 naar 9,6 in miljoen aan gezamenlijke administratieve lasten in 2009.

Autonome verordeningen

Indien er geen wettelijke opdracht ligt aan de schappen om taken in medebewind van de rijksoverheid uit te voeren, worden taken verricht in autonomie. In dat geval kan worden gesproken van autonome taken (zie ook de rubriek Taken). Sinds 1999 onderzoekt de SER jaarlijks (met een onderbreking in 2002) de autonome regelgeving van product- en bedrijfschappen. In 1999 bedroeg het aantal 178 en in 2003 nog 146. In 2009 bedroeg het aantal technisch inhoudelijke autonome verordeningen 62; dit aantal is sinds 2006 nagenoeg gelijk gebleven. De reductie van het aantal technisch inhoudelijke autonome verordeningen vanaf 1999 bedraagt 18 procent ten opzichte van 2003 en 65 procent ten opzichte van 2009. De afname in de laatste jaren is vooral het gevolg van de vierjaarlijkse heroverweging (op grond van artikel 106, lid 2 Wet op de bedrijfsorganisatie) van de bestaansgrond van de verordening.