Home | Publicaties | SERmagazine | 2017 | December 2017 / januari 2018 | Vervolgadvies SER over toekomstgericht beroepsonderwijs

Vervolgadvies SER over toekomstgericht beroepsonderwijs

‘Goed mbo is co-productie van scholen en bedrijven’

Het mbo moet studenten vaardigheden bijbrengen waarmee ze zich duurzaam kunnen redden op de arbeidsmarkt, ook in de toekomst. Goede mbo-opleidingen zijn een co-productie van mbo-scholen en het georganiseerde bedrijfsleven. Isabel Coenen (FNV) en Gertrud van Erp (VNO-NCW/ MKB-Nederland) over het net verschenen tweede SER-advies over toekomstgericht beroepsonderwijs.

Dorine van Kesteren

Het Nederlandse middelbaar beroepsonderwijs staat internationaal goed aangeschreven. Mbo-studenten zijn over het algemeen tevreden over hun opleiding en werkgevers zijn te spreken over de kwaliteit van de gediplomeerden. De aansluiting met de arbeidsmarkt is gemiddeld genomen prima: veel afgestudeerde mbo’ers vinden binnen een maand een baan.

Dit betekent echter niet dat het mbo rustig achterover kan leunen. Technologisering en robotisering gaan de arbeidsmarkt de komende jaren fundamenteel veranderen. Kennis en vaardigheden raken sneller verouderd en er ontstaan mismatches tussen vraag en aanbod. Nu al is er in sommige sectoren een groeiend tekort aan personeel, bijvoorbeeld in de installatiebranche, bouw en zorg. Andere sectoren moeten juist mensen afstoten omdat er geen (passend) werk meer voor hen is. Dit laatste speelt vooral in administratieve, meer routinematige beroepen.

Kortom: het mbo moet studenten vaardigheden bijbrengen waarmee ze zich duurzaam kunnen redden op de arbeidsmarkt van nu en de toekomst.

Leren en werken

‘Naast vakspecifieke en basisvaardigheden gaat het om sociaal-communicatieve vaardigheden, werknemers- en ondernemersvaardigheden en de vaardigheid om jezelf te blijven ontwikkelen: leren leren. Het mbo biedt uitstekende mogelijkheden om in dit brede palet te voorzien, door de combinatie van leren en praktijk’, zegt Isabel Coenen, FNV-lid van de commissie die het vervolgadvies over het beroepsonderwijs voorbereidde.

Praktijkleren biedt voordelen voor alle partijen, aldus het SER-advies. Studenten kunnen het geleerde direct in praktijk brengen, onderwijsinstellingen leveren mensen af die snel aan het werk kunnen en de werkgever krijgt net-afgestudeerden die weten hoe de hazen lopen.

In de ideale situatie ontwerpen mbo-instelling en leerbedrijf het leerproces sámen. ‘Wij pleiten voor meer hybride vormen van leren, waarbij het schoolse leren is verweven met leren in de beroepspraktijk. Dat geldt zowel voor de beroepsopleidende leerweg (bol) waarbij studenten vier dagen naar school gaan en één dag stage lopen, als voor de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) waarbij studenten vier dagen in de praktijk werken en één dag naar school gaan.’

Mbo-opleidingen moeten kwetsbare jongeren persoonlijke aandacht, mentoring en coaching bieden
 

‘Er is structureel overleg nodig tussen onderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven over de inhoud van de opleidingen en het aantal studenten’, vult commissielid Gertrud van Erp van VNO-NCW en MKB-Nederland aan. ‘Alleen dan zorgen we voor mbo-opleidingen die zijn afgestemd op de razendsnelle ontwikkelingen in de beroepspraktijk.’

Praktijkvoorbeeld

Een inspirerend praktijkvoorbeeld van zo’n hybride leervorm is de mbo-opleiding Monteur NedTrain. Van Erp: ‘Deze opleiding is volledig tot stand gekomen in samenspraak tussen de mbo-instelling en NedTrain, het onderhoudsbedrijf van de NS. Het eerste jaar gaan de studenten vijf dagen per week naar school en lopen ze acht weken stage bij NedTrain. Het tweede jaar wordt het omgekeerd: dan komen ze in dienst bij het bedrijf, werken vijf dagen per week en gaan acht weken naar school. De gehele opleiding vindt plaats op het NS-terrein, met NS-apparatuur. Na afloop kunnen de deelnemers meteen aan de slag als monteur bij NedTrain.’

Het mbo heeft van oudsher een sterke relatie met de beroepspraktijk, maar volgens het SER-advies komt deze samenwerking lang niet overal van de grond. Van Erp: ‘Daardoor worden kansen gemist en komen innovaties niet snel genoeg tot stand. Soms vanuit een gebrek aan tijd en middelen, soms omdat men vindt dat de wet- en regelgeving knelt. De verplichte urennorm voor iedere mbo-opleiding staat maatwerk in de weg. Daarom stellen wij voor om de knelpunten te inventariseren. Ook vragen wij de overheid om waar nodig toe staan dat van de regels wordt afgeweken.’

Werkdruk

Het SER-advies bevat tal van voorstellen om het mbo toekomstgerichter te maken. Een van die aanbevelingen is dat mbo-docenten meer ruimte krijgen om bij het bedrijfsleven in de sector en in de regio te gaan kijken. Coenen: ‘In de praktijk komen docenten er vaak niet aan toe om structurele contacten te leggen met bedrijven en andere scholen. Daarom moeten de werkdruk en administratieve lasten omlaag. Door in de praktijk te gaan kijken, houden docenten hun kennis op peil en ontdekken ze welke ontwikkelingen in het bedrijfsleven plaatsvinden en wat dat van hun studenten vraagt.’

Daarnaast moeten praktijkopleiders in het leerbedrijf beter worden toegerust. ‘Leren op de werkvloer is een essentieel onderdeel van de mbo-opleiding; bijna de helft van de tijd wordt daar doorgebracht. De begeleiding vanuit de school én vanuit het leerbedrijf moet goed zijn. Het is dus zaak dat de praktijkopleiders in het leerbedrijf de kans krijgen om via scholing en training hun deskundigheid en pedagogische-didactische vaardigheden te versterken. In het SER-advies roepen wij de overheid op hiervoor extra middelen ter beschikking te stellen.’

Doorlopende leerlijnen

Een ander voorstel is om het praktijkleren in het gehele beroepsonderwijs door te zetten. Coenen: ‘Wij dringen aan op doorlopende duale leerlijnen voor werkend leren in het mbo en in het hbo, op de niveaus bachelor, master en associate degree. Zo wordt het gemakkelijker om omhoog te klimmen via het duale praktijkonderwijs.’

Van Erp: ‘Die leerlijn moet niet alleen in de hoogte, maar ook in de breedte doorlopen. Onderwijs is niet altijd een rechte lijn omhoog. Soms zijn mensen aantrekkelijker voor de arbeidsmarkt als ze niet een mbo 4, maar twee mbo 3-opleidingen hebben gedaan.’

Ook beveelt het SER-advies aan om te experimenteren met praktijkgerichte leerroutes voor leerlingen in het vwo, havo en de theoretische leerweg van het vmbo. Veel leerlingen hebben weinig beeld bij allerlei beroepen. Via de praktijkgerichte routes maken zij kennis met praktische, arbeidsmarktgerichte vakken en kunnen ze een kijkje nemen in de keuken van bedrijven.

‘Als scholieren eerder kennismaken met de beroepspraktijk, ontdekken ze wat het werk inhoudt en of ze dit leuk vinden. Veel leerlingen vinden praktijkgericht leren heel motiverend. Daardoor kiezen ze misschien eerder voor een mbo- of hbo-opleiding’, zegt Coenen. Van Erp: ‘Dit kan bovendien voorkomen dat leerlingen voor de verkeerde vervolgopleiding kiezen – iets wat nu vaak gebeurt en veel geld kost.’

Subsidieregeling

Om te zorgen dat er in de toekomst ook voldoende leerplekken in bedrijven beschikbaar blijven, adviseert de SER om de subsidieregeling praktijkleren aan te passen. Deze regeling bestaat uit een tegemoetkoming in de kosten voor leerbedrijven die een bbl’er begeleiden. Het budget is echter gemaximeerd. Dat betekent dat het subsidiebedrag per bedrijf slinkt naarmate er meer bedrijven een beroep op doen.

42 procent van de Nederlanders is middelbaar opgeleid
 

‘Een aantal jaar geleden hebben wij de kosten van bbl’ers voor werkgevers onderzocht. Dat bleek toen al gemiddeld 13.000 euro per jaar te zijn. Dat bedrag is zeker niet lager geworden. Daarom stellen wij voor om het budget van de subsidieregeling te laten meebewegen met het verwachte aantal leerwerkplekken en om ieder bedrijf een vast bedrag te geven. Dit is vooral belangrijk voor het midden- en kleinbedrijf’, legt Van Erp uit.

Speciale aandacht is er nodig voor jongeren in een kwetsbare positie, zoals jongeren zonder startkwalificatie. ‘Er moet extra geld komen waarmee mbo-opleidingen persoonlijke aandacht, mentoring en coaching kunnen bieden’, aldus Coenen. Ook moeten deze jongeren zich met vakcertificaten kunnen kwalificeren voor de arbeidsmarkt. ‘Zo’n certificaat geeft jongeren een bewijs van wat ze wél kunnen.’

Ambitieus

In de ogen van Coenen en Van Erp is het SER-advies ambitieus, maar ook reëel. ‘Reëel, omdat we er onze handen aan vol zullen hebben om dit de komende jaren over de hele linie van het mbo en georganiseerd bedrijfsleven te realiseren. Maar ook ambitieus: mbo-instellingen ontwikkelen zich tot laagdrempelige, regionale opleidingscentra met een breed, actueel aanbod aan leer- en ontwikkelingsmogelijkheden. Niet alleen voor jongeren, maar ook voor werkende volwassenen die zich willen bij- of omscholen. 42 procent van de Nederlanders is middelbaar opgeleid. Zij staan allemaal voor de uitdaging om duurzaam inzetbaar te blijven. De mbo’s van de toekomst hebben hiermee dus ook en zeer belangrijke rol in het ‘leven lang leren.’

SER-advies ‘Voorstellen voor een sterk en innovatief beroepsonderwijs’

Wat kan het beroepsonderwijs doen om studenten zo goed mogelijk voor te bereiden op de arbeidsmarkt van de toekomst? Die vraag legde het kabinet in maart 2016 aan de SER voor. In oktober 2016 verscheen het eerste deel van het advies. Daarin ging de SER in op de terugloop van het aantal jongeren dat kiest voor de beroepsbegeleidende leerweg in het mbo. In het tweede deel van het advies, dat in november uitkwam, worden de gevolgen van de veranderende arbeidsmarkt voor het beroepsonderwijs onderzocht. De belangrijkste voorstellen uit dit advies op een rij:

  • Verbeter de samenwerking tussen mbo-instellingen en het georganiseerde bedrijfsleven op landelijk, regionaal én sectoraal niveau.
  • Breng in co-creatie hybride leeromgevingen tot stand, gestimuleerd met subsidies voor innovatieve, duurzame samenwerkingsverbanden. 
  • Zorg dat professionals in het mbo en leerbedrijven meer ruimte en tijd krijgen.
  • Creëer meer leerplekken door de subsidieregeling praktijkleren aan te passen.
  • Bied vakcertificaten aan voor jongeren die een entree-opleiding of mbo 2-opleiding niet met een diploma afsluiten.
  • Veranker het praktijkleren ook in het algemeen vormende onderwijs.
  • Regel structurele financiering voor het Regionaal Investeringsfonds, om de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren.
  • Creëer voldoende middelen voor de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), als platform voor beroepsonderwijs en georganiseerd
    bedrijfsleven.
  • Stel een servicedesk in waar mbo-instellingen en docenten wet- en regelgeving kunnen melden die innovatie in de weg staat.
SERmagazine nr. 12 - december 2017 / nr. 1 - januari 2018
SERmagazine
Toekomstgericht beroepsonderwijs Voorstellen voor een sterk en innovatief beroepsonderwijs
Alles over het thema