Home | Publicaties | SER-adviezen | 2010 - 2018 | 2013 | Verbreding draagvlak cao-afspraken | Veelgestelde vragen over het advies draagvlak voor cao-afspraken

Veelgestelde vragen over het advies draagvlak voor cao-afspraken


Wie heeft om het advies gevraagd? 

De toenmalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Kamp heeft de SER op 29 juni 2012 om advies gevraagd.

Wat is de aanleiding voor dit advies? 

Aanleiding voor de adviesaanvraag waren enkele debatten in de Tweede Kamer over het stelsel van cao’s en algemeen verbindend verklaring.   

Wat is de vraag die bij de SER is neergelegd? 

De minister wil weten of de initiatieven die werkgevers en werknemers nu al nemen om het draagvlak te vergroten voldoende zijn, of dat het stelsel moet worden aangepast. Cao-afspraken gelden doorgaans voor alle werknemers in een bepaalde sector of bedrijf. De minister vindt het daarom belangrijk dat de partijen die cao-afspraken maken voldoende steun hebben. Breed draagvlak onder werkgevers en werknemers is volgens de minister belangrijk, wil het stelsel van collectieve arbeidsvoorwaarden goed functioneren. Onderzoek laat volgens de minister zien dat het huidige cao-stelsel op dit moment voldoende draagvlak heeft, maar dat voor de (middel)lange termijn wel moet worden nagedacht over versterking. Dat is nodig vanwege een dalend en vergrijzend ledenbestand van de vakbeweging en van maatschappelijke ontwikkelingen zoals individualisering, decentralisering in de arbeidsvoorwaardenvorming en flexibilisering op de arbeidsmarkt.

Wat is de conclusie van het advies? 

Volgens de SER is er op dit moment voldoende draagvlak voor de cao en cao-afspraken. De cao-afspraken worden positief beoordeeld door degenen die onder de cao vallen en daarbij is geen of weinig verschil tussen de leden van vakbonden en werkgeversverenigingen en niet-leden. Ook in de maatschappelijke en politieke opinie wordt de cao overwegend positief beoordeeld en de belangrijke rol van het cao-stelsel en de overlegeconomie voor de sociaaleconomische positie van ons land erkend. Daarbij is er wel zorg over de teruglopende organisatiegraad van de werknemers. De SER ziet het dan ook als een belangrijke opdracht aan cao-partijen om de directe betrokkenheid van werknemers en werkgevers bij hun cao te vergroten. Dat kan door het ledental van vakbonden en werkgeversorganisaties te vergroten en door zowel de leden als de niet-leden meer te betrekken bij de cao.

Wat is een cao? 

In een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) maken werkgevers en vakbonden bindende afspraken over de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in een bepaalde sector of onderneming. De cao bevat afspraken over salarissen, reiskostenvergoeding, vakantiedagen, werktijden, werkomstandigheden en dergelijke. 

Hoeveel werknemers vallen in Nederland onder een cao? 

Volgens cijfers van het ministerie van SZW valt ongeveer 80 procent van de werknemers onder een cao, te weten 6,1 miljoen werknemers. 

Hoe komt het dat een cao ook geldt voor werkgevers die niet lid zijn van een werkgeversvereniging en voor werknemers die niet lid zijn van een vakbond? 

In eerste instantie geldt een cao alleen voor de werkgevers en de werknemers die lid zijn van de organisaties die de cao hebben afgesloten. Dat de cao ook van toepassing is op werknemers die niet lid zijn van een betrokken vakbond, komt omdat de Wet cao bepaalt dat de ‘gebonden’ werkgevers verplicht zijn de cao toe te passen op al hun werknemers, ook als ze geen vakbondslid zijn. Het zou voor vakbondsleden nadelig kunnen zijn als gebonden werkgevers niet-vakbondsleden in dienst kunnen nemen tegen goedkopere arbeidsvoorwaarden. Dit zou bovendien kunnen leiden tot verstoring van de arbeidsrust.
Het feit dat een cao van toepassing kan zijn voor alle werkgevers en werknemers in een bedrijfstak komt voort uit de Wet avv . De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan een cao algemeen verbindend verklaren (avv). Dan geldt die cao voor álle werkgevers en werknemers in een bedrijfstak, dus ook voor de werkgevers (en hun werknemers) die niet betrokken waren bij de totstandkoming ervan. Het algemeen verbindend verklaren voorkomt ongewenste concurrentie op het gebied van arbeidsvoorwaarden.

Hoe hoog is de organisatiegraad in Nederland van werknemers en werkgevers? 

De organisatiegraad van de werkgevers is hoog, zo’n 80 procent. Dit komt doordat zijzelf duidelijk baat hebben bij het lidmaatschap van een werkgeversorganisatie.
De organisatiegraad van werknemers is lager. Ongeveer 20 procent van de werknemers (1,8 miljoen mensen) is lid van een vakbond. Het lidmaatschap van een vakbond verschilt naar leeftijd (ouderen zijn vaker lid dan jongeren), en naar aard van de arbeidsovereenkomst. De deelname is hoger bij werknemers met vaste contracten dan bij werknemers flexibele contracten en hoger bij voltijd dan bij deeltijd. Deelname verschilt ook naar sector (bij openbaar bestuur, onderwijs en bouw hoger, bij handel, horeca en zakelijke dienstverlening lager), naar grootte van het bedrijf (hoger bij grote bedrijven) en naar landsdeel (hoger in het noorden).

Waarom is de organisatiegraad van werknemers in Nederland zo laag? 

Hierbij speelt een rol dat in Nederland werknemers die geen lid zijn van een vakbond toch kunnen profiteren van de cao. De werkgever die is gebonden aan een cao moet deze volgens de wet namelijk toepassen op al zijn werknemers, dus leden en niet-leden. Uit onderzoek blijkt dat werknemers het belangrijk vinden dat er vakbonden en cao’s zijn en dat zij die cao’s ook positief waarderen, maar dat desalniettemin maar een beperkt deel lid is van een vakbond.

Hoe is de organisatiegraad van werknemers in andere Europese landen?

Er zijn grote verschillen tussen landen in organisatiegraad. Zo hebben landen als Zweden (SE), Denemarken (DK), Finland (FI) en België (BE) een hoge organisatiegraad. Frankrijk (F) , Spanje (ES), Estland (EE), Litouwen (LT) en Nederland (NL) hebben een lage organisatiegraad.

Union density by country  

Hoe is het verschil in organisatiegraad van werknemers tussen landen te verklaren? 

Het free rider-gedrag is een verklaring voor de relatief lage organisatiegraad van werknemers in Nederland. In Europese landen waar arbeidsvoorwaarden verbonden zijn aan het lidmaatschap van een vakbond (Zweden) of een aanvullende werkloosheidsverzekering via de vakbonden loopt (Zweden, Finland, Denemarken en België), is de organisatiegraad van werknemers aanmerkelijk hoger.

Hoe betrekken vakbonden en werkgevers niet-georganiseerden bij het cao-overleg?

Dat doen ze op verschillende manieren. Het gaat om bijvoorbeeld het (on line) verstrekken van informatie over de start, de inzet, de voortgang en het resultaat van het cao-overleg. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van panels, groepsdiscussies, enquêtes en large scale interventions om de mening van alle werknemers (en soms ook werkgevers) te peilen. Het vergroten van betrokkenheid kan aan het begin van het cao-proces plaatsvinden (wat zijn de wensen) maar ook aan het eind van het traject (hoe beoordeelt men het resultaat) of bij de uitwerking van een akkoord (over de uitvoering van de afspraken).
Co-creatie is een relatief nieuwe methode om betrokkenheid en draagvlak te organiseren. Hierbij overleggen verschillende geledingen binnen een bedrijf of sector, zowel aan werkgevers- als aan werknemerszijde, met elkaar om, door dialoog, gezamenlijk te komen tot bijvoorbeeld een nieuwe cao of een vernieuwing van onderdelen van een cao. Bonden betrekken in veel gevallen al niet-leden bij het proces om tot een cao te komen. Niet-leden mogen veelal ook bijeenkomsten van vakbonden bijwonen en zij kunnen ook meedoen aan peilingen of referenda.

Meer informatie

Meer informatie over cao’s in de brochure ‘De cao: wat en hoe?’ van de Stichting van de Arbeid.
Het ministerie van SZW heeft een website met informatie over arbeidsovereenkomsten en cao’s .