Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2009 | Aanpak inhaleerbare allergene stoffen op de werkplek

Aanpak inhaleerbare allergene stoffen op de werkplek

Advies nr. 2009/06: 21 juli 2009
 
Sociale partners gaan een leidraad maken om werknemers te beschermen tegen stoffen die bij inademing luchtwegaandoeningen kunnen veroorzaken. De leidraad is bedoeld voor concrete afspraken over arbeidsomstandigheden op sector- en brancheniveau. Daarnaast vinden sociale partners dat er grens- en referentiewaarden moeten komen voor die stoffen. Dat staat in een advies van de SER-commissie Arbeidsomstandigheden aan minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Download:Volledig advies (2143 kB)Samenvatting (115 kB)

Samenvatting


Verzoek om advies
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft op 24 november 2008 de commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad (de commissie) om advies gevraagd over de aanpak van inhaleerbare allergene stoffen op de werkplek. De minister refereert in de adviesaanvraag aan de zorgplicht van werkgevers als sprake is van inhaleerbare allergene stoffen: het voorkomen van schadelijke effecten van blootstelling.
Hij noemt twee opties om deze zorgplicht in te vullen. De ene optie betreft de ontwikkeling van een leidraad voor de invulling van de zorgplicht van de werkgever. De andere optie gaat uit van de formulering van het niveau van een ‘aanvaarde risicogrens’ en de daarop na te streven verbeteringen om blootstelling te voorkomen dan wel te verminderen.
De minister vraagt de commissie zich uit te spreken over beide opties en legt vervolgens een aantal vragen voor aan de commissie over de verdere uitwerking van de gekozen optie. De adviesaanvraag beperkt zich uitdrukkelijk tot de inhaleerbare allergene stoffen, dat wil zeggen stoffen die een allergische reactie oproepen in de longen, zoals astma. Blootstelling via de huid is uitgezonderd, omdat in die situaties meer bescherming mogelijk en toepasbaar is.

Aanleiding
In 2002 nam de Subcommissie Grenswaarden Stoffen op de Werkplek (GSW) van de SER kennis van een openbaar conceptrapport van de Gezondheidsraad (GR) over een grenswaarde voor meelstof . In dit conceptrapport werd een risicobenadering op basis van een extra kans op sensibilisatie voorgesteld voor het hanteren van een grenswaarde voor meelstof. Een algemeen kader over de omgang met een dergelijke risicobenadering ontbrak. Dit leidde tot het verzoek van de subcommissie aan de toenmalige staatsecretaris van SZW in 2003 om de GR een algemeen rapport over allergene/sensibiliserende stoffen en de beoordeling ervan uit te laten brengen.
De GR heeft in 2008 haar advies over de preventie van werkgerelateerde luchtwegallergieën uitgebracht. De GR constateert dat blootstelling aan allergene stoffen ervoor zorgt dat werknemers gesensibiliseerd raken en op de duur een allergie ontwikkelen. Het gaat daarbij om circa 200 stoffen die op de werkplek kunnen voorkomen.
Allergisch beroepsastma is een ernstig gevolg van blootstelling. De GR schat dat jaarlijks 500 tot 20 00 nieuwe gevallen in ons land voorkomen. Door een vroege diagnose én het vermijden van blootstelling zullen k lachten volgens de GR grotendeels verdwijnen. Voor de bescherming van werknemers geef t de GR de voorkeur aan de vaststelling van gezondheidskundige advieswaarden. Die waarden zijn echter vaak zo laag dat ze in de praktijk met de huidige stand der techniek niet waarneembaar zijn. Voor die gevallen zouden referentiewaarden met een risicoacceptatie (een extra kans op sensibilisatie) een uitkomst kunnen bieden.

Verder vindt de GR de toepassing van gezondheidscreening, op voorwaarde dat valide screeningstesten beschikbaar zijn, alleen zinvol als aanvulling op maatregelen om de blootstelling te verminderen.
Dit GR-rapport vormde de aanleiding en basis voor de adviesaanvraag.

Zorgplicht werkgever
De arboregelgeving legt de verantwoordelijkheid voor goede arbeidsomstandigheden primair bij de werkgever: de zorgplicht van de werkgever. Belangrijk is dat de werkgever afweet van de mogelijke risico’s van het werken met inhaleerbare allergene stoffen en in staat is maatregelen te treffen om de blootstelling te voorkomen en, als dat niet kan, te minimaliseren. Dat kan met behulp van onder meer de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en het daarop gebaseerde plan van aanpak. Dit plan moet, rekening houdend met de arbeidshygiënische strategie (rangorde van te treffen maatregelen) en het redelijkerwijsbeginsel, de maatregelen bevatten om blootstelling te voorkomen respectievelijk te minimaliseren.
Ook moet een werkgever zijn werknemers informeren over zijn kennis over mogelijke risico’s als gevolg van blootstelling op de werkplek: een goede, open en effectieve communicatie vindt de commissie belangrijk.
De commissie pleit voor een invulling van de zorgplicht van de werkgever, en daarmee voor een aanpak om blootstelling te voorkomen dan wel te minimaliseren, zoals deze ook voor andere gevaarlijke stoffen geldt.

Standpunt commissie
De commissie kiest voor beide opties die de minister heeft voorgelegd, te weten de ontwikkeling van een leidraad en de vaststelling van een aanvaarde risicogrens. Zij pleit voor een tweesporenbeleid om de blootstelling aan inhaleerbare allergene stoffen aan te pakken. De ontwikkeling van een leidraad zal op korte termijn al tot resultaat moeten leiden.
Eveneens zullen grenswaarden/referentiewaarden moeten worden ontwikkeld. De ervaring leert dat daarmee geruime tijd zal zijn gemoeid.

Het eerste spoor gaat uit van een preventieve aanpak, door maatregelen om blootstelling te voorkomen dan wel te minimaliseren en daardoor sensibilisatie te voorkomen. Sociale partners zullen daartoe op landelijk niveau een leidraad ontwikkelen die als hulpmiddel kan dienen voor sectoren of branches waar de blootstelling nog niet in afdoende mate wordt beheerst. Op sector- of brancheniveau moeten sociale partners in die gevallen gezamenlijk werken aan de ontwikkeling van arbocatalogi. Zij zullen daartoe door sociale partners op landelijk niveau worden aangesproken.
De leidraad is in principe bedoeld blootstelling bij het omgaan met allergene stoffen te voorkomen en kan hulp bieden bij het verbijzonderen van de invulling van de aanpak naar soorten allergenen en/of branches.
De leidraad is als het ware een operationaliseren van de zorgplicht van de werkgever.
De leidraad dient daartoe niet alleen praktische maatregelen ter beheersing van de blootstelling te bevatten. Daarnaast moet de leidraad ook ingaan op de risico’s van blootstelling, de RI&E en het plan van aanpak, op bijzondere omstandigheden en piekblootstellingen, op wettelijke grenswaarden en bedrijfsgrenswaarden, informatieverstrekking en voorlichting aan werkgevers en werknemers, op het instrueren van werknemers en op de gezondheidsmonitoring. Het ministerie van SZW wordt verzocht initiatieven van sociale partners in deze te faciliteren.

Het tweede spoor omvat de ontwikkeling en vaststelling van grenswaarden en/of referentiewaarden.
Vooropstaat dat waar mogelijk gezondheidskundig onderbouwde grenswaarden moeten worden vastgesteld. Als dat niet kan, of als een grenswaarde zo laag zal blijken te zijn dat deze grenswaarde in de praktijk nauwelijks aantoonbaar is, zouden referentiewaarden moeten worden ontwikkeld. Daarbij wordt dan uitgegaan van een aanvaard risico, dat wil zeggen een aanvaarde extra kans op het optreden van sensibilisatie.
De commissie vindt dat in het publieke stelsel van ontwikkeling van grenswaarden moeten vallen de stoffen die voldoen aan de criteria(1) voor het publieke stelsel. Mede gelet op de reikwijdte van het Europese stoffenbeleid (REACH (2)) is dan in ieder geval sprake van de niet-beoogd geproduceerde inhaleerbare allergenen. Verder denkt de commissie aan de hoog-risicostoffen. De commissie verzoekt de minister uitsluitsel te geven over welke stoffen daaronder vallen. De commissie verwacht dat de stoffen die de code A (kolom Risico) hebben gekregen in bijlage D van het GR-advies daaronder zullen vallen.
De commissie geeft de minister in overweging bij het vaststellen van het werkprogramma van de GR rekening te houden met het werkprogramma van het Scientific Committee for Occupational Exposure Limits (SCOEL) van de Europese Commissie en de informatie die via REACH en het Global Harmonised System (GHS) (gevaarkenmerken/etikettering/verpakkingsvoorschriften) / CLP (classification, labeling and packaging) beschikbaar komt.

Over de volgorde van de vaststelling van grenswaarden in het publieke stelsel vindt de commissie dat deze volgorde moet worden bepaald door het aantal mogelijk blootgestelden, het aantal werkplekken en de mate van het risico op sensibilisatie. De Gezondheidsraad zou moeten nagaan of voor de desbetreffende inhaleerbare allergene stoffen voldoende informatie beschikbaar is om een grenswaarde te adviseren. Ook zou de Gezondheidsraad moeten worden gevraagd na te gaan of wellicht voor groepen van inhaleerbare allergene stoffen een zogenoemde groepsgrenswaarde kan worden vastgesteld.

Het hanteren van referentiewaarden impliceert de acceptatie van een risiconiveau, dat wil zeggen extra kans op sensibilisatie na een blootstelling aan die waarde gedurende 8 uur per dag, 40 uur per week, gedurende het gehele arbeidsleven (40 jaar).
Referentiewaarden geven daarbij aan tot welk niveau de blootstelling in ieder geval moet worden verminderd. De commissie pleit voor een aanpak op basis van risicogetallen. De bedoelde aanpak gaat daarbij uit van de vaststelling van een streefrisiconiveau van 1 procent extra kans op sensibilisatie, het uitvoeren door de subcommissie GSW van een haalbaarheidstoets in verband met de vaststelling van een grenswaarde en voor zover noodzakelijk van een vierjaarlijkse herhalingstoets.

De commissie vindt gezondheidsmonitoring belangrijk niet alleen uit oogpunt van (vroegtijdige) bescherming van werknemers maar ook vanwege een goede controlemogelijkheid van de effectiviteit van de genomen maatregelen om sensibilisatie te voorkomen. Het resultaat van gezondheidsmonitoring kan aanleiding zijn om het preventiebeleid van een branche dan wel onderneming aan te scherpen. Voor de daadwerkelijke invoering zal op brancheniveau aandacht moeten worden besteed aan een aantal aspecten van gezondheidsmonitoring. Deze aspecten zullen de sociale partners op brancheniveau in goed overleg nader moeten verduidelijken en ook vastleggen.
De aspecten hebben betrekking op:
  • De plaats van gezondheidsmonitoring in de gehele aanpak. Primair in de aanpak is een goed preventiebeleid: voorkomen dat sensibilisatie optreedt. Complementair daaraan is gezondheidsmonitoring. De bevindingen van gezondheidsmonitoring kunnen leiden tot een aanpassing van het preventiebeleid in het algemeen dan wel specif iek voor een bepaalde werknemer of groep van werknemers; 
  • Deelname. Het succes van gezondheidsmonitoring hangt af van een maximale deelname aan het onderzoek. Individuele werknemers hebben echter het recht af te zien van deelname. Van belang is op brancheniveau deelname te stimuleren. 
  • Het aanbieden van de gezondheidsmonitoring. Voordat gezondheidsmonitoring wordt aangeboden zal eerst de arbeidshygiënische strategie moeten zijn toegepast. Een eerste monitoring geeft slechts een indicatie van de ‘gezondheidstoestand’ van de betrokken beroepsbevolking. Ook over de herhalingsmonitoring, in het bijzonder voor de gesensibiliseerden, zullen op brancheniveau afspraken moeten worden gemaakt. 
  • De uitvoering, verantwoordelijkheid en kwaliteitseisen. De commissie acht deskundigheid en onafhankelijkheid van de (bedrijfs)artsen noodzakelijk. 
  • De consequenties van de resultaten van de monitoring. De inschakeling van specifieke deskundigheid vindt de commissie belangrijk. De commissie adviseert de minister om samen met sociale partners nader onderzoek te laten verrichten naar de invulling van de consequenties van de uitkomsten van de gezondheidsmonitoring.

Ook moeten afspraken worden gemaakt over voorlichting aan werkgevers en werknemers, maar ook over voorlichting e.d. tijdens een beroepsopleiding. Verder beveelt de commissie de decentrale sociale partners aan in overleg met hun verzekeraars (van verzuim, arbeidsongeschiktheid en zorg) te zoeken naar mogelijkheden van ondersteuning door verzekeraars.

Ten slotte hecht de commissie aan de opstelling van een lijst van inhaleerbare allergene stoffen. Een dergelijke voorlichtingslijst biedt de werkgever en diens overleg met ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging houvast bij het vaststellen van de RI&E en het plan van aanpak. De commissie verzoekt de minister een opdracht te verstrekken aan een onafhankelijk instituut om jaarlijks een lijst van inhaleerbare allergene stoffen op te stellen.


1. Te weten: niet in behandeling van EU, geen eigenaar, hoog risico en (ad hoc ) politieke beslissing.
2. REACH staat voor Registratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen