Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2008 | Duurzame globalisering

Advies Duurzame globalisering: een wereld te winnen

Advies nr. 2008/06 - 20 juni 2008

De SER wil dat de overheid krachtig bevordert dat Nederlandse ondernemers en werknemers maximaal kunnen blijven profiteren van de globalisering, in een duurzame balans tussen de belangen van bedrijven, mensen en milieu (people, planet, profit). Juist nu in Nederland nog steeds nervositeit bestaat over de uiteindelijke effecten van de globalisering, benadrukt de SER dat ook in een globaliserende wereld overheden ruime mogelijkheden hebben en houden voor eigen beleidskeuzes, zowel op nationaal als bovennationaal (Europees) niveau. Verder komt de SER met een eigen initiatief dat het internationaal maatschappelijk verantwoord ketenbeheer door Nederlandse bedrijven moet bevorderen.

Download:Advies zonder bijlagen (2071 kB)Volledig advies (10682 kB)Samenvatting (167 kB)

Samenvatting


Dit advies doet voorstellen voor beleid waarmee het globaliseringsproces in goede banen kan worden geleid. Deze voorstellen hebben betrekking op het versterken van de positie van Nederland in het globaliseringsproces en een meer duurzame en eerlijke globalisering.

Beleidsuitdagingen en beleidsruimte (Hoofdstuk 2)
Globalisering gaat gepaard met specialisatie binnen en tussen landen. Door de opkomst van de Aziatische landen (de verbreding van de globalisering) en het opsplitsen en uitbesteden van productieprocessen en taken en de daarmee gepaard gaande groei van de internationale dienstenmarkt (de verdieping van de globalisering) zal de specialisatie versnellen en bovendien onvoorspelbaarder worden. Dit roept een aantal vragen op.
Hoe kan Nederland hier het beste op inspelen? Hoe kunnen we de sterke punten van onze economie verder uitbouwen? Moeten we ons zorgen maken over baanverlies? Hoe kunnen we de onzekerheid verbonden aan de herschikking van mensen en middelen waarmee specialisatie gepaard gaat verminderen?
Daarnaast roepen verbreding en verdieping vragen op rond de spelregels van het globaliseringsproces: hoe om te gaan met zaken als kinderarbeid, met verschillen in milieunormen, hoever reikt de ketenverantwoordelijkheid van bedrijven en hoe kunnen meer landen en meer mensen profijt trekken van het globaliseringsproces?

Drie centrale beleidsuitdagingen
Het advies probeert een antwoord op deze vragen te formuleren vanuit het brede welvaartsbegrip van de SER. Deze benadering wil de basis leggen voor duurzame ontwikkeling door evenwicht te brengen en te behouden tussen profit, people en planet.

Handel tussen landen leidt ertoe dat landen zich kunnen toe leggen op datgene waar ze goed in zijn – hun comparatieve voordeel. Van deze specialisatie, die wordt versterkt door schaal- en leereffecten, kunnen alle landen in beginsel beter worden. De specialisatie impliceert wel dat er een herschikking van middelen en mensen in de economie plaatsvindt, waardoor er verliezers en overgangsproblemen kunnen ontstaan. Ook kan de specialisatie verdelingseffecten hebben. En hoewel er sprake is van verbreding van het globaliseringsproces, zijn nog niet alle landen geïntegreerd in de wereldeconomie.
Hoe globalisering van invloed is op de welvaart in brede zin, hangt vooral af van de wijze waarop met de overgangsproblemen en met verdelingseffecten tussen en binnen landen wordt omgegaan.

Een en ander leidt tot de volgende drie centrale vragen van het advies: 
a Met welke beleidsmix kan Nederland respectievelijk de Europese Unie zich voorbereiden op de mogelijke versnelling van het internationale specialisatieproces?
b Hoe duurzame globalisering te bevorderen?
c Hoe te zorgen dat door verbreding en flankerend beleid meer landen en meer mensen profijt kunnen hebben van het globaliseringsproces?

De beleidsruimte om deze uitdagingen aan te gaan
Het advies beargumenteert dat er beleidsruimte is om het globaliseringsproces in goede banen te leiden. De wereld wordt niet ‘platter’ in de zin dat er nog maar een soort beleid mogelijk is. Dit komt vooral door agglomeratievoordelen; de mogelijkheid om publieke diensten te reguleren en te waarborgen (onderwijs, onderzoek, wonen, pensioenen, gezondheid); het feit dat niet alle diensten verhandelbaar zijn, zoals bij persoonlijke dienstverlening; de positieve effecten van een goede sociale zekerheid, de kwaliteit van het overheidsbeleid, de ruimte die het fiscale stelsel biedt door te combineren met de belastinggrondslag en de belastingtarieven en, last but not least, de overlegeconomie.
De eigen beleidsruimte van landen wordt bevestigd door OECD-onderzoek, dat laat zien dat zowel de Scandinavische landen als de Angelsaksische landen goed voorbereid zijn op de globalisering. Sterker nog: eigen beleidsaccenten worden steeds belangrijker. Een goede voorbereiding op de globalisering vraagt om een herkenbaar beleid ten aanzien van de primaire taken van de overheid zoals het zorgen voor een goed onderwijsstelsel, een activerend sociaal stelsel en het borgen van publieke belangen. Om het globaliseringsproces als zodanig te beïnvloeden en vorm te geven is de rol van de Europese Unie van groot belang, ook voor Nederland zelf.

A Met welke beleidsmix kan Nederland zich het beste voorbereiden op het globaliseringsproces? (Hoofdstuk 3)
In het verleden heeft de toegenomen concurrentie uit het buitenland geleid tot grote verschuivingen in de economische structuur. In de afgelopen decennia zijn onder andere de leerindustrie, de tabaksindustrie, de textiel en de scheepsbouw uit Nederland verdwenen.
Deze aanpassingen zijn pijnlijk geweest voor individuen, steden en regio’s. De verliezers zijn vooral laaggeschoolde productiewerkers geweest. Maar tegenover deze verliezen stonden ook winsten in met name de zakelijke dienstverlening, waarin Nederland zich steeds meer specialiseert. Nederland als geheel is er ondanks de verliezen niet op achteruit- maar juist op vooruitgegaan.

Naar de toekomst toe blijft voortdurende aandacht in het Nederlandse beleid voor de positieve en negatieve effecten van het globaliseringsproces gevraagd. Uit onderzoek van de OESO blijkt dat het concurrentievermogen van de Nederlandse economie voorlopig geen schade ondervindt van de snel groeiende landen in de wereldeconomie zoals India en China. Dit komt vooral omdat het comparatieve voordeel van onze economie berust op aspecten waarin deze landen niet excelleren. Het is echter niet uit te sluiten dat de kans toeneemt dat de concurrentie in de wereldeconomie in de toekomst ook negatieve effecten genereert in de Europese economieën en dus ook in Nederland.

Het Nederlandse (en Europese beleid, zie verderop) moet hier naar het oordeel van de SER proactief op reageren via de ruimte voor sociaal-economisch beleid. Doel van dit beleid moet zijn om de kansen voor productiegroei en werkgelegenheid via de internationale handel maximaal te benutten en de negatieve effecten van de open economie zo goed mogelijk te redresseren.

De beleidsagenda van de SER bevat de juiste elementen…
De raad komt tot de conclusie dat de beleidsagenda die is ontwikkeld in het mlt-advies Welvaartsgroei door en voor iedereen uit 2006 de juiste elementen bevat voor een goede voorbereiding op de mogelijke versnelling van het specialisatieproces. Op onderdelen dient deze agenda echter te worden geïntensiveerd en aangepast.

De in het mlt-advies ontwikkelde offensieve sociaal-economische beleidsstrategie is gericht op een sociaal-economisch bestel dat ondernemend, weerbaar en responsief is. Belangrijke onderdelen van deze strategie zijn: de versterking van het innovatievermogen onder andere door meer aandacht voor sociale innovatie, de ruimte voor ondernemerschap, het ondersteunen van de mobiliteit van werknemers door de introductie van een individuele scholingsfaciliteit met een daarbij behorend passend ontslagstelsel, het streven naar een activerende participatiemaatschappij met twee pijlers: een pijler van inkomensbescherming en een participatiepijler, de verbetering van de arbeidsmarktpositie van kwetsbare groepen, een betere marktwerking en een goed functionerende overlegeconomie.

…maar behoeft op een aantal punten intensivering en nadere uitwerking
Tegen de achtergrond van de mogelijke versnelling van het specialisatieproces, het belangrijker worden van een goed vestigingsklimaat en het mogelijk fijnmaziger en daardoor onvoorspelbaarder worden van het specialisatieproces, ziet de raad wel aanleiding om de mlt-agenda op een aantal samenhangende punten te intensiveren en aan te scherpen: 

  • De kennis-investeringsagenda: De raad stelt een verhoging van de publieke R&D uitgaven voor en wil een verbetering van de effectiviteit van de bestaande innovatiestimuleringsmaatregelen door onder andere het tegengaan van fragmentering en verkokering. Verder wil de raad een verbetering van het regelgevend kader voor innovatie en meer aandacht voor sociale innovatie. 
  • Het aantrekkelijker maken van het vestigingsklimaat, waaronder het fiscale klimaat. Onderdeel hiervan is een effectiever beleid gericht op de bevordering van internationaal ondernemen. Bij het fiscale klimaat gaat het om een brede herijking van de inkomstenbelasting in het kader van periodiek onderzoek naar de toekomstbestendigheid van het fiscale stelsel. Met een dergelijke herijking wil de raad zowel bijdragen aan een hogere arbeidsparticipatie als het waarborgen van de internationale positie van Nederland als vestigingsplaats. Op korte termijn zal, al dan niet in het kader van deze fiscale herijking, ook gekeken moeten worden naar het effect van de dividendbelasting op het vestigingsklimaat. 
  • Het verbeteren van de bestuurlijke slagvaardigheid. Het gaat daarbij om het terugdringen van de remmende werking van de administratieve lasten en detailregulering, het tegengaan van de verkokering in het overheidsbeleid en een daadkrachtige aanpak van de ruimtelijke infrastructuur door een ruimtelijk toekomstplan voor Nederland.
    Gezien de lange tijd die in Nederland nodig is voor besluitvorming en procedures bij ruimtelijke investeringen, vindt de raad dat het ruimtelijk toekomstplan voor 2009 moet worden opgesteld.

Bij deze punten kan ook leven lang leren worden genoemd. De SER verwacht in 2008 een adviesvraag waarin de beleidsvoornemens op dit terrein verder kunnen worden uitgewerkt.

De bijdrage van het Europese beleid (Hoofdstuk 4)
Om sterk te staan in het globaliseringproces heeft Nederland de EU nodig. Dit vraagt om een slagvaardige besluitvorming in Europa. Het nieuwe Verdrag van Lissabon vormt volgens de raad een goede basis voor een adequate besluitvorming over grensoverschrijdende vraagstukken enerzijds en respect voor subsidiariteit bij de uitoefening van gedeelde bevoegdheden anderzijds. De EU wil haar interne en externe beleid in stelling brengen om in te spelen op de kansen en de uitdagingen van globalisering.

Versterking van het interne economische beleid: de Lissabon-strategie
De spil van het interne economische beleid is de Lissabon-strategie uit 2000, gericht op de modernisering van de Europese economie tot dynamische kenniseconomieën, gericht op duurzaamheid met een sterke sociale dimensie. Het advies richt zich vooral op de Europese dimensie van de Lissabon-strategie: de verdere voltooiing van de interne markt, het scheppen van een Europese kennisruimte als onderdeel hiervan en het energie- en klimaatbeleid.

Voor het versterken van de comparatieve voordelen en de verbetering van het vestigingsklimaat is de EU zeer belangrijk. Dit is in essentie terug te voeren op de schaalvoordelen van de interne markt en een gemeenschappelijke kennisruimte. De raad vindt dat de EU zich voortaan nog meer moeten richten op verdere versterking van de interne markt. Daar hoort ook de aanpak bij in Brussel van allerlei overbodige regelgeving en scherpere toetsing van nieuwe regelgeving. Onderdelen van de versterking van de interne markt zijn een snelle implementatie van de dienstenrichtlijn door de lidstaten, evenals een naleving daarvan in de praktijk en de zo spoedig mogelijke doorvoering van het vrij verkeer van werknemers met Bulgarije en Roemenië.

De introductie van de ‘vijfde vrijheid van kennis’ acht de raad een belangwekkend signaal voor de verdere ontwikkeling van een Europese kenniseconomie, inclusief daarop inspelende, grote mogelijkheden voor kennismigratie van werkenden, studerenden en researchers. Er moeten EU-regels ter zake van kennismigranten komen. De raad pleit voor een verhoging van het EU-budget voor kennis en innovatie. Dit vraagt om een herschikking van de Europese begroting.

Klimaat- en energiebeleid als onderdeel van de Lissabonstrategie
Onderdeel van de Lissabon-strategie is de Europese bijdrage aan de aanpak van de mondiale klimaat- en energieproblematiek. Hamvraag is hoe de EU leidend kan zijn ten aanzien van de klimaatdiscussie en tegelijkertijd de Europese economie kan versterken.

De raad steunt de door de Europese Commissie geformuleerde doelstellingen ten aanzien CO2-reductie, duurzame energie en energiebesparing. De raad vindt dat alles moet worden ingezet op een eind 2009 in Kopenhagen te bereiken akkoord met wereldwijde doelstellingen over CO2-uitstoot na 2012 (post-Kyoto), temeer omdat Europa mondiaal maar een deel van de CO2-uitstoot veroorzaakt. Mochten deze onhaalbaar blijken, dan dient een nieuwe afweging binnen de EU gemaakt te worden hoe de doelstellingen te bereiken zijn, respectievelijk welke unilaterale doelstellingen verantwoord zijn in relatie tot de concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven. Veilen kan in dat geval geen optie zijn, zeker niet voor energie-intensieve sectoren, voor welke in de EU-Voorjaarstop van maart 2008 terecht al een uitzondering is geformuleerd. Verder is de raad van mening dat het Europese systeem van emissiehandel moet worden herzien: de verdeling van emissierechten over sectoren en individuele ondernemingen moet op Europees in plaats van nationaal niveau gaan plaatsvinden.

Het externe beleid van de EU: de spelregels voor het globaliseringsproces
Nederland is – evenals andere lidstaten van de EU – te klein om de spelregels voor het globaliseringsproces als zodanig, bijvoorbeeld de internationale handel, te kunnen beïnvloeden en vorm te geven. De EU heeft het gewicht om onder andere via haar externe beleid de globalisering gestalte te geven in het belang van de burgers en bedrijven. De EU speelt toenemend een wereldwijde normzettende rol op het terrein van consumenten- en tech-nische standaards en accountancy. De raad vindt dat de Europese voorstellen voor internationale regels en een internationale gedragscode voor staatsinvesteringsfondsen gericht op grotere transparantie in bestuur en beleggingsbeleid van dergelijke fondsen in de goede richting gaan.

De EU is verder een zeer belangrijk speler bij het bepalen van de spelregels voor het wereldhandelssysteem (zie hieronder). De interne Lissabon-strategie van de EU en de externe economische agenda moeten beter worden geïntegreerd om de kansen van de globalisering ten volle te kunnen benutten.

B Hoe duurzame globalisering te bevorderen? (Hoofdstuk 5)
Liberalisering van de internationale handel komt de maatschappelijke welvaart ten goede indien de handel plaatsvindt binnen een kader van flankerend beleid dat is gericht op het bevorderen van duurzame ontwikkeling in drie dimensies: economisch, sociaal en ecologisch. Bij het flankerend beleid op sociaal terrein gaat het om de vraag hoe Nederland kan bijdragen aan de bevordering van Decent Work.

De raad identificeert vier elkaar aanvullende en versterkende wegen om duurzame globalisering gestalte te geven: 

  1. Via de landen waar de productie plaatsvindt middels overeenkomsten, hulp en druk.
  2. Via de eisen die aan ingevoerde producten worden gesteld of de voorwaarden die aan markttoegang worden gekoppeld (handelsmaatregelen). 
  3. Via de Nederlandse bedrijven die in het buitenland opereren door hen aan te spreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid bij hun eigen productiefaciliteiten en die van hun toeleveranciers. 
  4. Via de keuzes die consumenten maken met behulp van keurmerken en etiketten.

De raad benadrukt hierbij het belang van beleidscoherentie. Voor elk van deze wegen doet de raad een aantal aanbevelingen.

1 Overeenkomsten met druk op en hulp aan productielanden
De ideale weg om duurzame globalisering gestalte te geven is door internationale overeenkomsten in breed gedragen verdragen. Landen die deze verdragen hebben ondertekend kunnen worden aangesproken op de handhaving van de normen en worden geholpen bij de implementatie van deze normen. Deze oplossing lukt op een beperkt aantal, maar wel belangrijke terreinen. Een uitdaging is om het aantal praktisch toepasbare normen te vergroten. Een belangrijk aandachtspunt bij het begaan van deze weg is het juiste evenwicht tussen hulp bij de implementatie van de normen en druk op de handhaving van de normen.

Dit advies concentreert zich op de vraag hoe landen (beter) kunnen worden aangesproken op de handhaving van de arbeidsnormen die in ILO-verband overeengekomen zijn, en hoe die landen te helpen zijn bij de implementatie ervan (de zogeheten Decent Work Agenda).

Op het belangrijke terrein van de arbeidsrechten bestaan er de in het kader van de ILO afgesproken verdragen, in het bijzonder de breed gedragen fundamentele rechten bij de arbeid die betrekking hebben op het recht op vakvereniging, de vakbondsvrijheid, antidiscriminatie, gedwongen arbeid en kinderarbeid. De raad doet, mede gebaseerd op eerdere SER-aanbevelingen, voorstellen om het toezicht op de ILO-verdragen te versterken.

De ILO heeft niet als uitgangspunt om landen ‘te straffen’ voor het niet naleven van verdragen, maar juist om te proberen landen behulpzaam te zijn bij het naleven van geratificeerde verdragen. In dit kader is de zogeheten Decent Work Agenda ontwikkeld. Deze agenda omvat, naast de programma’s en het beleid voor het ontwikkelen van duurzaam ondernemen en de private sector, ook maatregelen die de naleving van de fundamentele arbeidsnormen bevorderen, die bijdragen aan de sociale bescherming van werknemers en die de sociale dialoog stimuleren. De raad onderschrijft het belang van deze initiatieven en wijst op de noodzaak de Decent Work Agenda in samenhang te bezien.

Uiteraard dient men te beseffen dat Decent Work als beleidsdoel alleen gerealiseerd kan worden als vrucht van een beleid dat is gericht op economische groei en bevordering van ondernemerschap. Daarnaast is er ook een aantal kanttekeningen bij het concept als zodanig te maken: het gedifferentieerde karakter van de Decent Work Agenda, het bestaan van mogelijke trade-offs tussen de verschillende doelstellingen en een goed evenwicht tussen nagestreefde doelen, instrumenten, en verantwoordelijkheden. De raad wijst op de noodzaak tot beleidscoherentie bij het bevorderen van de Decent Work Agenda. De Raad beveelt aan dat de Nederlandse regering bevordert dat ook andere VN-organen en internationale instellingen en organisaties het belang van productieve en duurzame werkgelegenheid in hun beslissingen meewegen, met volledig behoud van de eigen, verschillende missie en verantwoordelijkheden van ieder der organisaties.

2 Handelsmaatregelen
Gezien de mogelijke effecten van handelsmaatregelen op de wereldhandel, het wereldhandelsstelsel en de exportmogelijkheden van ontwikkelingslanden, moet volgens de Raad terughoudend worden omgegaan met de inzet van handelspolitieke maatregelen.
En mogen zij niet voor protectionistische doeleinden worden gebruikt. Dat geldt zeker voor de inzet van unilaterale maatregelen. De ruimte voor Nederland voor het nemen van unilaterale maatregelen is bovendien ingeperkt door de exclusieve bevoegdheid van de EU op het terrein van de buitenlandse handel.

De centrale beleidsuitdaging op dit terrein ligt enerzijds in het ontwikkelen van breed gedragen internationale normen waar deze nog ontbreken (bijvoorbeeld op het terrein van dierenwelzijn), en anderzijds in een meer effectieve waardering ten behoeve van consumenten middels keurmerken en etikettering van producten die zijn voortgebracht met in achtneming van deze normen. Landen hebben de mogelijkheid om op grond van duurzaamheidsoverwegingen eisen aan ingevoerde producten te stellen, voor zover het meetbare kenmerken van die producten betreft. Voorwaarde daarbij is dat de eisen ook voor nationale producten gelden (non-discriminatie), en dat er geen sprake is van verkapt protectionisme. Bij non-trade concerns gaat het evenwel vaak juist om omstandigheden (arbeidsomstandigheden, milieu-effecten van productieprocessen, dierenwelzijn) die niet meetbaar in een product herkenbaar zijn. Het WTO-recht laat op dit moment in het algemeen niet toe dat producten geweerd kunnen worden op basis van de gehanteerde productiemethode. Er staat dan een aantal wegen open om deze non-trade concerns te adresseren.

De ideale weg is de totstandkoming van breed gedragen multilaterale overeenkomsten, waarin zowel materiële normen op het terrein van duurzaamheid worden vastgelegd als de verhouding tussen deze normen en de handelsaspecten. De raad pleit ervoor deze weg maximaal te benutten. Omdat het WTO-recht en ander internationaal recht nevengeschikt zijn, moeten dergelijke verdragen gelijke geldingskracht hebben als de WTOregels. Dit is echter een lange weg om te gaan wegens de benodigde brede internationale consensus.

Ook blijken bilaterale en regionale overeenkomsten mogelijkheden te bieden om clausules over arbeidsnormen, milieu en dierenwelzijn op te nemen. Daarnaast moet internationale steun voor initiatieven op het terrein van duurzaamheid en technologietransfers plaatsvinden.

Voorts kan de ruimte onderzocht worden om binnen het WTO-recht, bijvoorbeeld door een extensievere uitleg van de uitzonderingsbepalingen in artikel XX GATT, eenzijdige maatregelen gericht op non-trade concerns te nemen. Met eenzijdige maatregelen moet evenwel behoedzaam worden omgesprongen. Daarnaast moet de vraag worden gesteld naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van eenzijdige maatregelen van een relatief klein land als Nederland om een wereldwijd vraagsstuk aan te pakken.

De invoering van een koppeling tussen arbeidsrechten en handelsmaatregelen in de WTO-regels staat al sinds de oprichting van de WTO op de agenda, maar stuit steeds op verzet van met name ontwikkelingslanden. Een koppeling maakt dan ook op dit moment alleen kans als zij kan aansluiten bij de huidige formuleringen van de uitzonderingsbepalingen in het WTO-recht. Daartoe zou het WTO-verbod op dwangarbeid zo geïnterpreteerd kunnen worden dat daaronder ook de ergste vormen van kinderarbeid vallen, waarbij een zekere mate van dwang plaatsvindt. De raad steunt de inzet van het kabinet om dit op Europees niveau aan de orde te stellen.

Waar internationale normen ontbreken, zijn (vrijwillige) keurmerken en sectorspecifieke afspraken een alternatief om de duurzaamheidsaspecten van handel te adresseren. Het is daarom belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over de ruimte voor keurmerken en certificering in het WTO-recht.

3 Ketenverantwoordelijkheid Nederlandse bedrijven
Sinds het SER-advies De winst van waarden uit 2000 hebben er zich op het terrein van MVO voortdurend nieuwe ontwikkelingen en initiatieven voorgedaan. Steeds meer bedrijven zien MVO als een wezenskenmerk van het moderne ondernemen, nationaal en internationaal, en rapporteren hierover.

De raad vindt verdere stimulering en facilitering van MVO op alle niveaus geboden. In internationaal verband speelt hier ook het complexe thema van het ketenbeheer respectievelijk de verdeling van verantwoordelijkheden in grensoverschrijdende productieketens. Dit thema is urgenter geworden door het opknippen van productieprocessen en de hiermee gepaard gaande uitbesteding naar landen zoals China en India.

De raad doet in het advies een aantal aanbevelingen aan de Raad van de Jaarverslaggeving (RJ), de overheid en bedrijfsleven om nadere invulling te geven aan de internationale aspecten van maatschappelijke verantwoord ondernemen in het algemeen en ketenbeheer van bedrijven in het bijzonder. Hiermee wil de raad de navolging van good practices op dit terrein bevorderen. De raad neemt zijn eigen verantwoordelijkheid in de vorm van een SER-initiatief over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Deze aanbevelingen worden gedaan vanuit de visie zoals ontwikkeld in het advies De winst van waarden dat bedrijven in dialoog met hun maatschappelijke omgeving primair zelf invulling moeten geven aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en het daarbij behorende verantwoord ketenbeheer. De diversiteit van situaties maakt het ook niet goed mogelijk om bedrijven precies voor te schrijven hoe ze hun ketenverantwoording moeten vormgeven. Maar van bedrijven mag wel de nodige transparantie worden verwacht op dit vlak.

De raad wil ook zelf een bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. De SER zal uiterlijk in december 2008 een document opstellen waarin het bovenstaande normatieve kader voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen uitgebreid wordt beschreven en toegelicht.
Tevens wordt een overzicht gegeven van de verschillende andere initiatieven ter zake zoals opgenomen in bijlage 6 van dit advies. Het SER-document wordt door de partijen die zijn vertegenwoordigd in de SER namens de betreffende leden ondertekend en zal door hen nadrukkelijk onder de aandacht van deze leden worden gebracht. Deze werkwijze garandeert een breed commitment aan dit initiatief. De raad roept bedrijven en sectoren thans reeds op om actief invulling te geven aan het SER-initiatief.

Het document richt zich in het bijzonder op de verdere ontwikkeling en invulling van ketenbeheer van de betreffende bedrijven en sectoren, met name aan de hand van de richtsnoeren van de International Chamber of Commerce (ICC) over de omgang met ketenverantwoordelijkheid. Het gaat daarbij op bedrijfsniveau om met name de integratie van de ketenverantwoordelijkheid in het inkoopbeleid en risicomanagementsystemen, het duidelijk maken van de verwachtingen aan toeleveranciers, het ondersteunen van toeleveranciers bij het naleven van afspraken en bij het doorvoeren van veranderingen, het volgen van de prestaties van toeleveranciers, het ontwikkelen van een beleid voor het niet naleven van afspraken, en een beleid dat het mogelijk maakt de onderneming aan te spreken op de naleving van de richtsnoeren.

Over de invulling hiervan wordt in het reguliere jaarverslag van de betreffende bedrijven dan wel in een apart maatschappelijk jaarverslag gerapporteerd, conform de aanbevelingen van de RJ. Ook sectoren kunnen een verslag ter zake uitbrengen. Op basis hiervan wordt door de SER een jaarlijkse voortgangsrapportage opgesteld. Hierin zal onder andere worden ingegaan op het aantal bedrijven dat rapporteert over ketenbeheer langs de hierboven geschetste lijnen, de verschillende onderwerpen waarover gerapporteerd wordt, good practices, maar ook over al dan niet specifieke gesignaleerde knelpunten en problemen.
Deze jaarlijkse voortgangsrapportage wordt binnen de SER besproken.

Hiertoe zal een aparte commissie worden ingesteld. Deze commissie komt tweemaal per jaar bijeen. Afgezien van het bespreken van de bovenstaande voortgangsrapportage, heeft deze commissie een open agenda, waarin alle zaken aan bod komen die relevant zijn voor de toepassing door bedrijven van het bovenstaande normatieve kader en het ontwikkelen en stimuleren van good practices op het terrein van internationaal MVO en ketenbeheer in het bijzonder.
De precieze werkwijze en de samenstelling van de commissie is nog nader te bepalen. Het lijkt nuttig om het Nationaal Contact Punt (NCP) bij de activiteiten van deze commissie te betrekken op een nader te bepalen wijze (formeel dan wel informeel).

De SER is van plan om vanaf medio 2011 de bovenstaande aanbevelingen alsmede het eigen initiatief te evalueren en dit uiterlijk op 1 juli 2012 af te ronden. In het vertrouwen dat er tussen nu en de genoemde datum de nodige voortgang wordt bereikt, acht de SER in ieder geval in deze periode een wetgevingsinitiatief op dit terrein onnodig.

4 Verduidelijking keuzes voor consumenten
De raad ondersteunt het streven van het kabinet om meer transparantie aan te brengen in de talrijke keurmerken, certificaten en andere vormen van informatievoorziening over duurzaam consumeren en produceren. Het aloude schisma tussen de calculerende consument en de goedwillende burger mag niet langer een obstakel voor ondernemingen en overheid vormen om die informatievoorziening te verbeteren. Hoewel ons land ook zelfstandig de nodige verbeteringen kan realiseren, moeten de nationale inspanningen om het schisma te doorbreken volgens de raad zoveel mogelijk in de pas lopen met de internationale initiatieven. Omwille van de eenvormigheid en duidelijkheid geeft de raad er de voorkeur aan om voor uitsluitend binnenlands verhandelde goederen en diensten zoveel mogelijk aansluiting bij internationale afspraken over keurmerken en dergelijke te zoeken.

Hoe meer landen en meer mensen laten profiteren van het globaliseringsproces?
(Hoofdstuk 6)

In 1997 constateerde de SER dat ondanks vele jaren van internationale samenwerking en beleidsinspanningen ter plaatse het armoedeprobleem in veel ontwikkelingslanden nog steeds niet is opgelost. Het wereldarmoedebeeld is momenteel erg versnipperd. De (her)aansluiting van China en India bij de wereldeconomie heeft mede gezorgd voor een forse groei in deze landen en heeft, zeker in China, bijgedragen aan een forse reductie van de extreme armoede. Maar het aantal extreem armen is in Afrika gestegen, zowel in
absolute als in relatieve zin.

De vraag die hierbij naar voren komt is: hoe kunnen meer landen en mensen profiteren van het globaliseringsproces? Deze uitdaging omvat de volgende drie stappen: 

  1. Toegang van producten uit ontwikkelingslanden tot de markten van de ontwikkelde landen en (geleidelijke) openstelling van de markten van de ontwikkelingslanden voor investeringen uit de ontwikkelde landen. Dit is een zeer belangrijk kanaal voor het bevorderen van de integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie. 
  2. De ontwikkeling van de particuliere sector en goed bestuur zodat de opening van de markten ook wordt benut en de economische groei tot stand komt. 
  3. Het scheppen van voorwaarden die ervoor zorgen dat de economische groei ook de armen ten goede komt (pro-poor-groei).

Voor een betere integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie zijn alle drie de bovengenoemde stappen een belangrijke voorwaarde. Deze stappen vragen om coherent beleid. In dit advies staat de eerste stap van de uitdaging om meer landen en mensen te laten profiteren van het globaliseringsproces centraal, namelijk de markttoegang voor ontwikkelingslanden. Een nadere uitwerking van stap twee en drie in de uitdaging om meer landen en mensen te laten profiteren van het globaliseringsproces, vindt plaats in een vervolgadvies.

Markttoegang voor ontwikkelingslanden
De raad constateert dat de daadwerkelijke reikwijdte van producten uit ontwikkelingslanden met preferentiële toegang tot de Europese markt beperkt blijft. Beperkte tariefverlagingen, stringente oorsprongsregels, tariefescalatie en niet-tarifaire belemmeringen zorgen voor een verminderde effectiviteit van een handelsovereenkomst. Daar komt bij dat door het grote aantal ‘gevoelige producten’ die aangewezen zijn door de EU, ontwikkelingslanden significant minder voordeel halen uit handelsovereenkomsten.

Economic Partnership Agreements
De raad meent dat transparant handelen vereist dat sociale partners in de zogeheten ACPlanden met regelmaat geconsulteerd worden over het onderhandelingsproces met de EU over de Economic Partnership Agreements. Verder beveelt de raad aan dat Nederland in EU verband blijft onderstrepen dat de mogelijkheid moet blijven bestaan om bepaalde marktsegmenten in ontwikkelingslanden in een aangepast tempo open te stellen.

Hervorming Europees Landbouwbeleid en effecten op ontwikkelingslanden
De hervormingen van het Europees Landbouwbeleid zijn met name gericht op het wegnemen van handelsverstorende exportsubsidies en interne landbouwsteun. Verdere voortgang voor het EU-handels- en landbouwbeleid in relatie tot de (armste) ontwikkelingslanden ligt voornamelijk op het gebied van markttoegang. Belangrijke punten voor voortgang daarin zijn: 

  • het afbouwen van tariefescalatie voor landbouwproducten naarmate ze verder bewerkt zijn; 
  • het versoepelen van oorsprongregels in preferentiële handelsovereenkomsten; 
  • het verminderen van het aantal ‘gevoelige producten’ in handelsovereenkomsten.

Bevordering integratie door hulp voor handel
Een verbetering van de markttoegang voor ontwikkelingslanden is geen voldoende voorwaarde voor een betere integratie van deze landen in de wereldeconomie. Het ‘hulp-voorhandel-programma’ is een voorbeeld dat via flankerend beleid een betere integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie stimuleert.
De EU kan een betere integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie bevorderen door: 

  • het harmoniseren van productnormen op mondiaal niveau en tegelijkertijd het begeleiden van ontwikkelingslanden in het voldoen aan niet-tarifaire belemmeringen zoals technische handelsbelemmeringen, douane- en administratieprocedures en de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen; 
  • het stimuleren van diversificatie van de economieën van ontwikkelingslanden, waaronder in het bijzonder ontwikkelingslanden die preferenties genieten.

Nederlandse beleidsinzet
De bijdrage die Nederland kan leveren aan een betere markttoegang van producten uit ontwikkelingslanden loopt via de Nederlandse inzet in het Europese handels- en landbouwbeleid en via de inzet van het bilaterale beleid op handelsbevordering. De raad beveelt aan dat bovenstaande punten hierbij als uitgangspunt moeten gelden.

Slotbeschouwing (Hoofdstuk 7)
In de slotbeschouwing wijst de SER erop dat Nederland veel te winnen heeft bij een breed gedragen opstelling rond het globaliseringsthema, waarin doorklinkt dat de globalisering bij zorgvuldig en op duurzaamheid gericht beleid de wereld, Europa en Nederland veel kan opleveren. Dat onderstreept het belang van het in goede banen leiden van de met specialisatie verbonden aanpassingsprocessen, waaraan ook de overlegeconomie een belangrijke bijdrage kan leveren. Op mondiaal niveau gaat het vooral om een globalisering waarvan steeds meer mensen kunnen profiteren.