Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2008 | Kernenergie en een duurzame energievoorziening

Advies Kernenergie en een duurzame energievoorziening

Advies nr. 2008/02 - 14 maart

In dat advies pleit de raad ervoor dat het kabinet alle energieopties, dus inclusief kernenergie, op een zakelijke en gelijkwaardige manier laat onderzoeken. Dat moet gebeuren op basis van de criteria betrouwbaarheid, milieubelasting, veiligheid en betaalbaarheid. De SER vindt dat de uitkomsten van dit onderzoek een rol moeten spelen bij de evaluatie van het klimaat- en energiebeleid die het kabinet van plan is in 2010 uit te voeren met het oog op de doelstellingen voor 2020.

Download:Volledig advies (837 kB)Kernpunten van het advies (95 kB)Samenvatting (124 kB)

Samenvatting

Achtergrond
De ontwikkelingen op het gebied van energie en klimaat hebben nationaal en internationaal geleid tot discussies over de toekomstige rol van kernenergie in de elektriciteitsvoorziening. Belangrijke overwegingen hierbij zijn de voorzieningszekerheid, de beperkte uitstoot van broeikasgassen en de kostprijs. Onder meer door veiligheidsrisico’s, de afvalproblematiek en proliferatierisico’s is kernenergie op dit moment echter net zo min als kolen en gas een duurzame bron van elektriciteitsopwekking; dat geldt ook voor diverse manieren om hernieuwbare energiebronnen te gebruiken.

Het vierde kabinet-Balkenende heeft bij zijn aantreden aangegeven de bouw van nieuwe kerncentrales in deze kabinetsperiode uit te sluiten. Het kabinet heeft tevens aangekondigd zich mede op basis van het voorliggende SER-advies te beraden op de gewenste brandstofmix en de rol van kernenergie daarin.

Centrale uitgangspunten
Startpunt van de redenering ligt bij het advies Naar een duurzame en kansrijke energievoorziening (06/10). De SER streeft naar een duurzame energievoorziening. Dat is een maatschappelijk ontwikkelingsproces waarin steeds opnieuw een optimale balans moet worden gevonden tussen de verschillende elementen van duurzaamheid: leverings- en voorzieningszekerheid (betrouwbaarheid), minimale milieubelasting (schoon en veilig) en betaalbaarheid (voor burger en bedrijf). Dat betekent volgens de SER: 

  • Een maximale en kosteneffectieve inzet van energie-efficiencyverbetering en energiebesparingsmogelijkheden.In het licht van het huidige niveau van energiebesparing (0,7 procent per jaar) zijn aanzienlijke extra financiële en technologische inspanningen en nieuwe beleidsmaatregelen nodig om de beoogde besparingsdoelstelling (2 procent per jaar) in het vizier te krijgen. 
  • Substantiële investeringen in verdere ontwikkeling, opschaling en uitrol van hernieuwbare energie. Het vereist een langjarig zeer stevig pakket van maatregelen om het huidige aandeel (2,4 procent in 2005) fors te verhogen. 
  • Een geavanceerd gebruik van fossiele bronnen (kolen en gas) met het oog op de terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen (‘schoon fossiel’).

De SER onderschrijft de doelstelling uit het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 dat “Nederland de komende kabinetsperiode grote stappen neemt in de transitie naar één van de duurzaamste en efficiëntste energievoorzieningen in Europa in 2020”. Dit beleid past binnen de uitspraak van de Europese Unie in Bali dat ten opzichte van 1990 de gezamenlijke emissiereducties van broeikasgassen in ontwikkelde landen zouden moeten liggen tussen 25 en 40 procent in 2020 en tussen 60 en 80 procent in 2050. Verder heeft de Europese Raad voorgesteld in de lidstaten een breed debat te voeren tussen alle belanghebbende partijen over de mogelijkheden en risico's van kernenergie. Dit advies beoogt hier mede invulling aan te geven.

Afwegingen op weg naar een duurzame energievoorziening
De omvorming van het elektriciteitsproductiepark, met veel grootschalige centrales, in duurzame richting is een proces dat vele decennia in beslag zal nemen. Ook als het de komende decennia lukt op grote schaal energiebesparing door te voeren en meer hernieuwbare energie in te zetten, dan nog zal een groot deel van de elektriciteit door fossiele brandstoffen worden opgewekt. De CO2-uitstoot zal echter drastisch teruggedrongen moeten worden, anders wordt de EU-doelstelling om de temperatuurstijging te beperken tot maximaal 2 graden Celsius onhaalbaar. Om de capaciteit van de elektriciteitsproductie op de middellange termijn op peil te houden, moet op korte termijn naast een grotere inzet van hernieuwbare bronnen (vooral wind en duurzame biomassa) ook in verduurzaming van kolen- en gasgestookte energieopwekking (‘schoon fossiel’) worden geïnvesteerd.
De centrale vraag voor de commissie Toekomstige Energievoorziening was of, gegeven het belang van een betrouwbare, CO2-arme, veilige en betaalbare elektriciteitsvoorziening, ook de inzet van meer kernenergie nodig zou zijn.

In de afweging tussen betrouwbaar, schoon en veilig, en betaalbaar scoort vooralsnog geen enkele energiebron op alle onderdelen positief. Toegespitst op de vergelijking tussen kolen, gas en kernenergie is het algemene beeld van de plussen en minnen als volgt. 

  • Bij kolen zijn de enorme winbare voorraden in grote delen van de wereld het belangrijkste pluspunt. In de mijnbouw vallen jaarlijks echter vele duizenden doden. Daarnaast is de grote CO2-uitstoot een belangrijk knelpunt, zij het dat bijstook van duurzame biomassa (indien voldoende beschikbaar) tot emissiereducties leidt. Een stijgende CO2-prijs maakt elektriciteit uit kolen- (en gas)gestookte centrales duurder.
    Grootschalige toepassing van de technologie om de uitstoot van CO2 uit kolencentrales af te vangen en op te slaan (CCS) bevindt zich voorlopig nog in de fase van proefprojecten, kent specifieke veiligheidsrisico’s en juridische vragen. CCS is bovendien prijsverhogend en heeft een negatief effect op het energetisch rendement van centrales. 
  • Bij aardgas speelt de CO2-problematiek eveneens, zij het dat gasgestookte elektriciteitscentrales veel minder CO2 uitstoten (ongeveer de helft) dan kolengestookte centrales.
    Ook gascentrales lenen zich voor CCS-toepassing. Met het geleidelijk opraken van de Nederlandse gasvoorraad, wordt Nederland (en zijn buurlanden) de komende decennia afhankelijker van importen deels uit politiek instabiele landen. Bij gaswinning in verre buitenlanden (zoals Rusland) gaat veel aardgas verloren door gaslekken bij exploratie en transport, hetgeen in een toename van het broeikaseffect resulteert.
    Ook zijn er bij aanlanding van vloeibaar aardgas veiligheidsrisico’s. Het risico van grotere afhankelijkheid van instabiele regio’s kan deels worden gemitigeerd door een groeiende inzet van meer vloeibaar en, zij het vooralsnog prijzig, ‘groen’ gas. Een voordeel van gasgestookte centrales is de grote flexibiliteit. Dit is belangrijk als de betekenis van weersafhankelijke energiedragers (vooral wind) toeneemt. Een nadeel is de relatief hoge en volatiele prijs. 
  • Bij kernenergie is de relatief geringe CO2-uitstoot gedurende de levenscyclus een belangrijk milieuvoordeel. Er zijn de eerstkomende decennia geen leveringsproblemen met betrekking tot uranium. De productie van kernstroom wordt gekenmerkt door grote initiële investeringen en lage variabele kosten. Door de ongevallen met kerncentrales in Harrisburg (1979) en Tsjernobyl (1986) richt de maatschappelijke aandacht zich in eerste instantie vooral op de veiligheidsrisico’s van kernreactoren. De laatste jaren is er ook de angst voor misbruik door nucleaire proliferatie. Bij de afvalproblematiek speelt het ontstaan van radioactief afval gedurende de mijnbouw en ook de opslag en eindberging van hoogradioactief afval. De kerncentrale van Borssele produceert jaarlijks 1,4 m3 hoogradioactief afval en 2 m3 samengeperste hoogradioactieve metaaldelen die onder gecontroleerd toezicht voor maximaal 100 jaar in een speciaal hiertoe ontworpen en ingerichte opslagbunker (HABOG) worden opgeslagen. Vervolgens zal dit afval opgeslagen worden in een ondergrondse berging. De ondergrondse berging moet naar verwachting zeker 1000 jaar intact blijven om de grootste negatieve effecten te voorkomen. Uiteindelijk duurt het zo’n 100.000 jaar voordat het hoog-radioactieve afval het radioactiviteitsniveau bereikt van natuurlijk uranium. In Europa is nog nergens een ondergrondse eindberging in bedrijf; wel is er in Finland een in aanbouw.

    Hoewel de kans op een ongeluk in een kerncentrale zeer klein is, kunnen de effecten enorm zijn, zowel in termen van aantallen slachtoffers als door langdurige radioactieve straling van grote gebieden. De veiligheidsrisico’s van kernenergie zijn wezenlijk, maar tijdens de bedrijfsvoering van kerncentrales de afgelopen decennia sterk verminderd. Bij de kernreactoren die nu op de markt zijn, streeft men ernaar de reactorveiligheid te waarborgen via principes van actieve en passieve veiligheid. Actieve systemen staan onder normaal bedrijf stand-by en worden pas geactiveerd als dit voor de veiligheid nodig is. Nieuwe reactoren die thans op de markt komen, maken meer van passieve veiligheidsystemen gebruik. Passieve systemen maken gebruik van altijd aanwezige krachten, zoals de zwaartekracht, die ervoor zorgen dat veiligheidssystemen – zonder tussenkomst van mensen – ingrijpen als dat nodig is. Deze systematiek vermindert de kans op ongelukken als gevolg van een eventuele terroristische aanslag.

Marktpartijen moeten in grote onzekerheid beslissen over omvangrijke investeringen in nieuwe elektriciteitscentrales. Bovendien leiden investeringen pas na vele jaren tot daadwerkelijke elektriciteitsproductie. Bij een investeringsbeslissing spelen, naast de verwachte elektriciteitsvraag en een rendementsinschatting, onder meer de veronderstelde effecten van het Nederlandse en Europese energie- en klimaatbeleid (ontwikkeling van de CO2-prijs) en de technologische ontwikkelingen in verband met de marktrijpheid van hernieuwbare energie.

Bij het energie-intensieve bedrijfsleven bestaat de wens stroom te kunnen betrekken van kerncentrales, aangezien dan prijzen kunnen worden gerealiseerd die minder gevoelig zijn voor prijsfluctuaties van fossiele brandstoffen. Daarmee verwacht de energie-intensieve industrie een betere concurrentiepositie te verwerven ten opzichte van vergelijkbare industrieën in omringende landen.

Herijking klimaat- en energiebeleid in 2010
De SER heeft er kennis van genomen dat het kabinet in 2010 een evaluatie van het klimaaten energiebeleid wil uitvoeren om te bezien hoe de kabinetsdoelstellingen voor 2020 kunnen worden gerealiseerd. De raad vindt 2010 een logisch moment voor een brede herijking van het klimaat- en energiebeleid. Bij die herijking moet het kabinet een inschatting maken van mogelijkheden, risico’s en randvoorwaarden van de verschillende energiedragers in het licht van zowel de voortschrijdende technologische ontwikkelingen als de doelstellingen en het instrumentarium van het klimaat- en energiebeleid.

De SER beveelt het kabinet aan, nu het kabinet voornemens is de herijking uit te voeren, daarbij alle opties serieus en op een gelijkwaardige manier op hun maatschappelijke wenselijkheid te laten onderzoeken op basis van de toetsingscriteria betrouwbaarheid, milieubelasting, veiligheid en betaalbaarheid, met inbegrip van de mogelijkheden, specifieke risico’s en randvoorwaarden van de verschillende energiedragers1. Maatschappelijke organisaties moeten in de gelegenheid worden gesteld vanuit hun kennis en inzichten opvattingen rondom de herijking kenbaar te maken, zodat in 2010 inzicht bestaat in het maatschappelijk draagvlak voor de verschillende opties in de brede politieke afweging.

De door de SER bepleite analyse moet onderdeel uitmaken van de besluitvorming van het kabinet en zich vertalen in transparante en consistente randvoorwaarden en vergunningseisen die aan verschillende energieopties gesteld zullen worden. Potentiële investeerders zullen op basis hiervan beslissingen kunnen nemen. Specifieke voorwaarden gelden behalve voor kernenergie ook voor andere energiedragers, bijvoorbeeld ten aanzien van CCS, waarbij onder meer vraagstukken spelen rondom de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden van de ondergrondse opslag van CO2. Deze opslag zal eeuwigdurend moeten zijn, mede afhankelijk van de hoeveelheid CO2 die mineraliseert, oplost in water, of zich bindt aan de ondergrond. Bij de inzet van meer biomassa in kolengestookte centrales is volop in discussie welke vormen van biomassa wenselijk zijn. Rekening houdend met de hele levenscyclus blijkt immers dat lang niet alle vormen van biomassa bijdragen aan de beoogde verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening.

Een zorgvuldige formulering van specifieke randvoorwaarden voor kernenergie is van belang voor de maatschappelijke acceptatie van een eventuele uitbreiding hiervan. Bij de inzet van kernenergie hebben de randvoorwaarden vooral betrekking op de uraniumwinning, de afvalproblematiek, de veiligheid, nucleaire proliferatie en de wijze van kostendoorrekening.
Voor sommige partijen in de commissie van voorbereiding voldoet de huidige technologische stand van kernenergie niet aan de door hen gestelde uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals in hun commentaar op het ECN-rapport Fact Finding Kernenergie is gebleken (zie de kadertekst).

Van belang voor de politieke en maatschappelijke discussie over de verduurzaming van de elektriciteitsopwekking is niet een geïsoleerd standpunt over kernenergie, maar het bredere ontwikkelingsperspectief van elektriciteitsopwekking waarbinnen een eventuele uitbreiding van kernenergie in Nederland moet worden geplaatst. Dat perspectief loopt zeker tot de periode 2020-2030. Tussen nu en deze periode hebben energiebesparing en hernieuwbare energie de hoogste prioriteit, zullen potentiële knelpunten in CCS-toepassing moeten worden aangepakt, zullen door leercurves de kosten van hernieuwbare energie dalen en zal in een aantal landen de ontwikkeling en bouw van een derde generatie kerncentrales zijn beslag krijgen.

De politieke en maatschappelijke discussie gaat over de randvoorwaarden en vergunningseisen die de overheid stelt bij elektriciteitsopwekking. Dat geldt voor de bouw van een kerncentrale, maar ook voor kolen- of gasgestookte centrales of een windpark op zee. Uiteindelijk zijn de marktpartijen aan zet. Mocht uitbreiding van kernenergie mogelijk worden, dan zullen investeerders op basis van hun eigen ‘business case’ besluiten over al dan niet investeren in meer Nederlands kernvermogen.


Opvattingen naar aanleiding van het ECN-rapport Fact Finding Kernenergie

Opvattingen van de ondernemersorganisaties
De ondernemersorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO nemen als vertrekpunt van hun analyse de sterk uiteenlopende groeiscenario’s van het elektriciteitsverbruik in samenhang met het maximaal haalbare ten aanzien van duurzame energie en energiebesparing. Dit leidt tot de conclusie dat het aandeel fossiele brandstoffen zeker tot 2050 een belangrijk aandeel houdt in de energievoorziening. Het is van maatschappelijk en economisch groot belang dat bij de energievoorziening een optimale balans tussen betrouwbaarheid, voorzieningszekerheid, CO2-reductie en betaalbaarheid gevonden wordt. Het is daarom noodzakelijk dat kernenergie deel uitmaakt van de toekomstige energievoorziening.

Opvattingen van FNV en CNV
FNV en CNV constateren dat kernenergie risico’s kent met betrekking tot de mijnbouw, de extreem lange duur van radioactief kernafval, het probleem van de eindberging, de ernst van de risico’s van mogelijke reactorongelukken, de mogelijkheid van terroristische aanslagen, terwijl anderzijds de effecten met betrekking tot de werkgelegenheid en prijzen geen directe aanleiding geven om het gebruik van kernenergie te stimuleren. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen die aanvullend gebruik van kernenergie in een nieuw daglicht stellen: de CO2-uitstoot, het opraken van aardgas in Nederland, de lagere voorzieningszekerheid en de stijgende en sterk fluctuerende prijzen van fossiele brandstoffen.
Voor beide vakcentrales is uitbreiding van kernenergie alleen mogelijk als voorrang wordt gegeven aan hernieuwbare bronnen en als aan de volgende randvoorwaarden wordt voldaan: het verhogen van de efficiëntie van uraniumgebruik, publieke acceptatie van kernenergie (publieksvoorlichting en breed maatschappelijk debat), toepassing van inherente veiligheid, het terugbrengen van de levensduur van hoogradioactief nucleair afval door partitioning en transmutatie als verwijderingsmethode voor gebruikte splijtstof, een besluit over eindberging van radioactief afval voor het in gebruik nemen van een nieuwe kerncentrale, verkleining van het profileringsrisico door minder gebruik van splijtstof en versterken van internationaal toezicht; en het verdisconteren van externe kosten in kostprijs.
Het is onzeker of en op welke termijn aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Beide vakcentrales pleiten voor verdere ontwikkeling van de nucleaire technologie die een meer duurzame toepassing in de toekomst mogelijk maakt.

Opvattingen van de MHP
Volgens de MHP bestaat zowel onzekerheid over de omvang van de toekomstige Nederlandse energiebehoefte als over de wijze waarop de energieproductie in de toekomst georganiseerd zal zijn. Bij gebruik van bijvoorbeeld wind- en/of zonne-energie zou dat wel eens kleinschaliger/decentraler kunnen zijn dan momenteel het geval is. Voor de keuze van de energiemix in de genoemde transitieperiode betekent dit dat een te maken keuze dit soort ontwikkelingen niet mag blokkeren dan wel bemoeilijken. In dit opzicht hoeft in de MHP-visie het gebruik van kernenergie in de transitieperiode niet op voorhand te worden uitgesloten. Maar dit kan alleen onder de randvoorwaarde dat het gebruik daarvan als voldoende veilig voor mens en milieu wordt gekwalificeerd. Naar de huidige inzichten is dat het geval voor wat de (toekomstige) productie betreft. Over de veilige opslag van het radioactieve afval bestaat nog geen volledige zekerheid.

Opvattingen van Stichting Natuur en Milieu en Vereniging Milieudefensie
Tegen de tijd dat een extra kerncentrale in Nederland operationeel kan zijn (volgens Kema op zijn vroegst in 2023) zijn zonne-energie (achter de meter) en wind op zee rendabel zonder subsidies. Volgens het ECN-rapport Fact Finding Kernenergie zijn er geen economische redenen voor uitbreiding van kernenergie in Nederland, omdat dit nauwelijks effect heeft op de elektriciteitsprijs. Ook het werkgelegenheidseffect is onzeker.
Kernenergie kan volgens de milieuorganisaties geen rol spelen in de overgang naar een duurzame energievoorziening zolang niet aan de volgende randvoorwaarden is voldaan: 

  • Duurzame opties zoals energiebesparing en hernieuwbare energie moeten maximaal zijn benut. 
  • Er mag geen kans bestaan dat radioactieve stoffen zich bij een ongeluk buiten het reactorgebouw verspreiden (inherente veiligheid) en een kerncentrale moet bestand zijn tegen terroristische aanslagen zoals een inslaand verkeersvliegtuig. 
  • De levensduur van gevaarlijk radioactief afval moet zijn teruggebracht van thans 100.000 jaar naar minder dan 300 jaar. De eindberging dient vooraf geregeld te zijn. 
  • Er moet technologie worden ingezet waarbij geen splijtstof ontstaat die geschikt is voor het maken van kernwapens. 
  • In de prijs van kernstroom dienen de (externe) kosten van non-proliferatie, beheer van opslagplaatsen, veiligheid, ontmanteling, verzekeringpremies voor ongelukken en eindberging te worden verdisconteerd en voor 100 procent gedekt te zijn.

  1. De milieuorganisaties merken hierbij het volgende op: zij constateren dat sommige partijen in reactie op de feitenstudie van ECN hebben aangegeven dat kernenergie op dit moment niet voldoet aan de door hen gestelde randvoorwaarden (zie kaderteksten, op de pagina’s 16-17 en 78-79). Voor de milieuorganisaties heeft dit ertoe geleid dat zij het standpunt betrekken dat op basis van de verwachte technologische ontwikkelingen, zoals ook blijkt uit feitenstudie van ECN, zij geen aanleiding zien om de uitbreiding van kernenergie over twee jaar te heroverwegen. Een hernieuwde afweging van de rol van kernenergie is voor deze organisaties pas aan de orde indien de ontwikkelingen in de technologie daar aanleiding toe geven en duurzame alternatieven zijn benut.