Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2007 | Lissabon in de wijk

Lissabon in de wijk: Het grotestedenbeleid in een nieuwe fase

Advies 2007/04 - 20 april 2007
Door de hardnekkige problemen in een beperkt aantal wijken blijft er behoefte aan grotestedenbeleid. Het Rijk moet haar middelen echter wel anders inzetten.

Download:Volledig advies (1409 kB)

Naar een nieuw grotestedenbeleid

De SER is het eens met het kabinet dat er ook na afloop van de huidige convenantperiode in 2009 behoefte blijft aan een grotestedenbeleid. Hij staat evenwel drie duidelijke veranderingen voor:

  1. Concentratie van het grotestedenbeleid op het aanpakken van hardnekkige en complexe knelpunten respectievelijk op het benutten van kansen die de krachten van afzonderlijke steden te boven gaan en waarvoor dus een bijzondere bijdrage van het Rijk nodig is. Daarbij past een scherpere differentiatie tussen gemeenten op basis van de feitelijke verschillen tussen steden en wijken in de ernst van de grootstedelijke problematiek. Die verschillen moeten helder in kaart worden gebracht.
     
  2. Decentralisatie van financiële middelen daar waar steden redelijkerwijs in staat zijn zelf – zonder bijzondere betrokkenheid van het Rijk – hun stedelijke problematiek aan te pakken. Dit sluit goed aan bij de afspraken in het coalitieakkoord over het krachtig bevorderen van decentralisatie van taken en bevoegdheden naar en van zelfstandigheid van provincies en gemeenten. Daarbij is sprake van omzetting van de helft van het aantal doeluitkeringen in een generieke bijdrage aan de gemeenten.
    Evenzo zou een nader te bepalen, substantieel deel van de voor het grotestedenbeleid gereserveerde middelen aan de steden kunnen worden overgedragen voor besteding aan zelf te kiezen prioriteiten.
     
  3. Partnerschap zou de verhouding tussen Rijk en stad in het grotestedenbeleid moeten kenmerken. Dit partnerschap kan het beste tot ontwikkeling komen in een charter (wilsovereenkomst) dat stad en Rijk met elkaar sluiten. Daarbij kunnen prestatie van de stad en tegenprestatie van het Rijk in een transactie aan elkaar worden gekoppeld.
    De uit te wisselen prestaties kunnen betrekking hebben op inspannings- en resultaatverplichtingen respectievelijk op het beschikbaar stellen van financiële middelen en expertise en het aanpassen van regels. De (tegen)prestaties kunnen ook over de grenzen van het huidige grotestedenbeleid heengaan en kunnen daarmee beleidsvelden als mobiliteit, milieu en onderwijs nadrukkelijker bij partnerschappen tussen Rijk en steden (of stedelijke netwerken) betrekken.

In de visie van de raad komt het initiatief in het nieuwe grotestedenbeleid nadrukkelijk bij de afzonderlijke stad te liggen: daar worden de prioriteiten gesteld; daar komen de verschillende partnerschappen bij elkaar.
Die partnerschappen – binnen de stad met onder meer woningcorporaties, bedrijfsleven en onderwijs- en kennisinstellingen – zijn vooral nodig om de hardnekkige en meervoudige problemen in achterstandswijken aan te pakken. De uitdaging voor de gemeente is om de fysieke vernieuwing te verbinden met de aanpak van de sociale opgaven in de wijk. De woonvisie en de structuurvisie vormen daarvoor belangrijke kaders.