Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2007 | Arbeidsmigratiebeleid

Arbeidsmigratiebeleid

Advies 2007/02 - 16 maart 2007
Nederland moet zich positiever gaan opstellen tegenover kennismigranten van buiten de Europese Unie. In plaats van ‘nee, tenzij’ moet Nederland tegen hen ‘ja, mits’ gaan zeggen. Dat is belangrijk, omdat zo’n beleidsomslag past in de ontwikkeling van de kennissamenleving en nodig is voor het op het peil houden van onze internationale concurrentiepositie. Verder moeten de toelatingsprocedures voor arbeidsmigranten sneller en minder bureaucratisch worden. De vele instanties moeten gaan werken vanuit één loket. Dat is voor zowel de arbeidsmigrant als de werkgever van belang.

Download:Volledig advies (5829 kB)Samenvatting (95 kB)

Samenvatting

In dit advies geeft de SER zijn visie op de toekomst van het arbeidsmigratiebeleid. Daarbij gaat het om het beleid voor arbeids- en studiemigratie van personen van buiten de Europese Unie, ook wel aangeduid als derdelanders. Binnen de EU geldt namelijk, afgezien van bijvoorbeeld een overgangsperiode voor arbeidsmigranten uit Roemenië en Bulgarije, vrij verkeer van werknemers. Hierdoor hebben EU-lidstaten voor arbeidsmigranten afkomstig uit landen binnen de EU geen nationale beleidsvrijheid.

Adviesaanvraag
Het advies vormt de reactie van de raad op een adviesaanvraag van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De adviesaanvraag – van 28 september 2006 – bevat een groot aantal vragen over het toekomstige beleid, waarbij nadrukkelijk een relatie wordt gelegd met de in mei 2006 verschenen beleidsnotitie van het kabinet Naar een modern migratiebeleid. Deze beleidsnotitie bevat voorstellen voor een nieuw toelatingsbeleid voor reguliere migranten; de notitie heeft geen betrekking op vluchtelingen of asielzoekers.
De raad is gevraagd begin 2007 te adviseren, opdat het advies een rol kan spelen bij de start van een nieuw kabinet.

Algemene visie van de raad

Basisfilosofie: van ‘nee tenzij’ naar ‘ja mits’
De raad bepleit een omslag in het arbeidsmigratiebeleid: het beginsel ‘nee tenzij’ dat op verschillende plaatsen in de wet- en regelgeving is neergelegd en bij de uitvoering centraal staat, moet plaatsmaken voor een basisfilosofie waarbij ‘ja mits’ de leidende gedachte is.

Voor hooggekwalificeerde arbeidsmigranten die een meerwaarde hebben voor de Nederlandse samenleving betekent dit een omslag naar een meer selectief en uitnodigend beleid. Zo’n beleid kan namelijk een bijdrage leveren aan de ontwikkeling naar een kennissamenleving en het op peil houden van de internationale concurrentiepositie van Nederland.
Een eerste stap op weg naar een meer uitnodigend beleid is gezet met de introductie van de kennismigrantenregeling (2004) en de zelfstandigenregeling (2006).

Voor migranten in het onder- en middensegment van de arbeidsmarkt dient selectiviteit vooralsnog gecombineerd te worden met restrictiviteit. Alleen indien geen arbeidsaanbod vanuit de EU of EER beschikbaar is – of niet zonder meer de voorkeur verdient – kunnen derdelanders in aanmerking komen voor een tewerkstellingsvergunning (toets op prioriteit genietend arbeidsaanbod). Maar ook dan mogen er geen onnodige barrières zijn voor arbeidsmigranten met een meerwaarde voor de Nederlandse samenleving.

Arbeidsmigratie biedt geen oplossing voor de vergrijzing
De raad concludeert dat arbeidsmigratie in algemene zin niet helpt om de grijze druk substantieel te verminderen. De gevolgen van vergrijzing zullen primair moeten worden opgevangen door een hogere arbeidsdeelname en aanpassing van vergrijzingsgevoelige instituties.
Het optreden van tijdelijke knelpunten op de arbeidsmarkt vormt evenmin reden voor verruiming van het arbeidsmigratiebeleid. Een restrictief beleid voor het lage en middensegment van de arbeidsmarkt betekent niet dat de arbeidsmarkt op slot gaat, maar dat getoetst blijft worden op de beschikbaarheid van prioriteit genietend aanbod.
Aldus kan de arbeidsmigratie meeademen met tijdelijke knelpunten op de arbeidsmarkt. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is wel dat de daarvoor geldende procedures voldoende snel en effectief zijn.
Van belang is dat door de verdere vrijmaking van het werknemersverkeer met de nieuwe EU-lidstaten het prioriteit genietend arbeidsaanbod in omvang zal toenemen, waardoor arbeidsmigratie van buiten de EU of de Europese Economische Ruimte (EER) minder aan de orde zal zijn. De raad meent dat er meer zicht moet komen op de mogelijke omvang van de toekomstige migratiestroom uit Roemenië en Bulgarije.

Arbeidsmigratiebeleid blijft in de ogen van de raad een aanvulling op en het sluitstuk van het nationale arbeidsmarktbeleid dat zich richt op arbeidsparticipatie van personen en groepen die nu nog aan de zijlijn staan. Daarbij gaat het ook om een betere inschakeling op de arbeidsmarkt van de in Nederland aanwezige asielmigranten.
Verder zou nader onderzoek moeten uitwijzen in hoeverre er sprake is van een vertrek van hooggekwalificeerden uit Nederland en wat er gedaan zou kunnen worden om mensen hier te behouden of om ze weer naar Nederland te halen.

Uitvoering moet veel beter
De raad vindt het van groot belang dat het toelatingsbeleid en de uitvoering daarvan over de gehele linie worden vereenvoudigd en gestroomlijnd. Hij ondersteunt dan ook het voornemen van het kabinet om het toelatingsbeleid grondig op de schop te nemen en te vereenvoudigen. Hij voegt hieraan toe dat een belangrijke voorwaarde voor verbeteringen op dit punt is gelegen in een goede uitvoering. Hij stelt vast dat in de afgelopen jaren weliswaar diverse aanpassingen in de uitvoeringsorganisatie zijn gerealiseerd, maar dat zich thans nog steeds uiteenlopende problemen voordoen.

Aandacht voor internationale afstemming
De raad vindt het van belang om bij de modernisering van het arbeidsmigratiebeleid aandacht te besteden aan de internationale afstemming van beleid. Het gaat daarbij om de volgende punten.
a De bestaande Europese regelgeving aangaande de toegang van migranten tot de arbeidsmarkt.
b Het evenwicht tussen beleidsconcurrentie en beleidsharmonisatie op Europees niveau.
c Internationale normen over arbeidsmigratie. Het gaat daarbij met name om de rechten van migranten en het voorkomen van braindrain uit ontwikkelingslanden.
d Regels en afspraken ten aanzien van de vrijheid van dienstenverkeer zoals vastgelegd in het EG-verdrag en de General Agreement on Trade and Services (GATS).

Beoordeling van het nieuwe toelatingsmodel

De raad staat in grote lijnen positief tegen het kabinetsvoorstel voor een nieuw toelatingsmodel zoals beschreven in de beleidsnotitie Naar een modern migratiebeleid.
Het betreft hier een beschrijving op hoofdlijnen. Het model dient nog te worden uitgewerkt.

Nadere invulling convenantensystematiek cruciaal
Dit laatste geldt in elk geval voor de zogeheten convenantensystematiek waarin het model voorziet en die inhoudt dat het bedrijf of de instelling die een arbeids- of studiemigrant toegelaten wil zien, een convenant met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet hebben afgesloten. Via de convenantensystematiek wordt het bedrijf of de instelling medeverantwoordelijk voor de toelating van de migrant, waardoor de toelatingsprocedure aanzienlijk sneller kan verlopen.
De hiermee gepaard gaande verschuiving van verantwoordelijkheden ziet de raad als een wezenlijk element van het nieuwe model. De convenantensystematiek is dan ook in belangrijke mate bepalend voor het succes van het model.

De raad ziet de beoogde versnelling van de behandeling van aanvragen voor een verblijfsvergunning als een belangrijk voordeel van de beoogde herverdeling van verantwoordelijkheden. Tegelijkertijd bestaat er bij de raad zorg over de mogelijkheid om via de systematiek van convenanten recht te doen aan de uiteenlopende belangen, zoals die van de migrant, de betrokken bedrijven en instellingen en van de samenleving als geheel (handhaving). Veel hangt dan ook af van de nadere invulling van de systematiek.

De raad vraagt nadrukkelijk aandacht voor de positie van de migrant en in het bijzonder voor de relatie tussen de migrant en de referent/convenanthouder. Voorkomen moet worden dat deze relatie onder druk komt te staan als gevolg van de toegenomen verantwoordelijkheden van de referent die voortvloeien uit het convenant met de uitvoeringsorganisatie. Gelet op het belang dat de raad hecht aan rechtszekerheid voor de arbeidsmigrant en aan voldoende duidelijkheid over zijn positie, verdient het aanbeveling bij de nadere uitwerking van de convenantensystematiek te voorzien in betrokkenheid van onder meer werknemersorganisaties.

Tevens vraagt de raad aandacht voor de positie van bedrijven die slechts incidenteel arbeidsmigranten in dienst nemen, waaronder met name kleine bedrijven. De voorwaarde dat ieder bedrijf moet beschikken over een convenant met de uitvoeringsorganisatie, levert namelijk een extra schakel op in het proces van de toelating van de arbeidsmigrant. Vooral wanneer een bedrijf slechts incidenteel een arbeidsmigrant in dienst neemt, kan dit een onevenredig zware (administratieve) belasting opleveren. De raad bepleit dan ook dat wordt nagegaan hoe brancheorganisaties daarbij een rol kunnen spelen. In elk geval moet worden voorkomen dat nieuwe belemmeringen worden opgeworpen voor de toelating van arbeidsmigranten, waar het nieuwe toelatingsmodel juist beoogt de toelating te vereenvoudigen en te versnellen.

De raad acht het van groot belang dat de nadere uitwerking en invulling van de convenantensystematiek plaatsvindt met consultatie van betrokken partijen, waarbij hij met name denkt aan de betrokkenheid van potentiële convenanthouders via hun organisaties.
Hij bepleit bij de aanbevolen consultatie ook de rol van brancheorganisaties als mogelijke convenanthouder te betrekken. Een verkenning van de mogelijkheden daartoe zal in nauw overleg met de brancheorganisaties moeten worden ontwikkeld. Als een en ander in de praktijk niet tot een werkbare aanpak zou leiden, zouden ook andere opties in de verkenning moeten worden betrokken.

De raad stelt met instemming vast dat het nieuwe toelatingsmodel en de convenantensystematiek die het kabinet voorstelt, geen belemmeringen opwerpen voor de totstandkoming van zogeheten arbeidsmarktconvenanten. Bedoelde convenanten, waarbij de gezamenlijke sociale partners in een sector of branche en het CWI partij zijn, kunnen afspraken bevatten over bijvoorbeeld de werving van arbeidsmigranten in samenhang met afspraken over arbeidsmarktbeleid in de branche. Afspraken in dergelijke convenanten kunnen in het kader van een tewerkstellingsvergunning door het CWI aan de orde komen. Dergelijke afspraken zijn erop gericht dat het reeds aanwezige arbeidsaanbod optimaal wordt benut dan wel geschikt wordt gemaakt voor arbeidsdeelname. Zij kunnen daarmee bijdragen aan het vergroten van de arbeidsparticipatie.

De raad wijst erop dat de convenantensystematiek die het kabinet voorstaat spanning oplevert met het Europese rechtkader, voor zover het gaat om derdelanders die worden gedetacheerd door in de EU gevestigde dienstverleners.

Voorstel voor meer flexibele verblijfskolommen
Het nieuwe toelatingsmodel dat het kabinet voorstelt, kent een structuur met een vijftal verblijfskolommen. In het kader van het voorliggende advies over arbeids- en studiemigratie zijn de kolommen I, II en III relevant.

De raad plaatst diverse kanttekeningen bij de indeling van migranten in de eerste drie verblijfskolommen van het nieuwe model. Vooral het onderscheid tussen de kolommen I en II acht hij in de praktijk niet goed hanteerbaar. Zo gaat kolom I uit van strikte tijdelijkheid van het verblijf (maximaal één jaar) en is verlenging van het verblijf niet mogelijk.
Als de betrokken migrant na het eindigen van zijn verblijfsrecht opnieuw de Nederlandse arbeidsmarkt wil betreden, dient hij eerst terug te keren naar zijn land van herkomst om van daaruit een nieuwe verblijfsvergunning aan te vragen.

De raad bepleit een alternatieve indeling van de verblijfskolommen. Hij stelt voor de indeling tussen de kolommen I en II niet hoofdzakelijk te baseren op een onderscheid naar verblijfsduur maar naar verblijfsdoel. Dit onderscheid biedt ook aanknopingspunten om de uitvoeringsorganisatie te verbeteren. Het kan ook goed aansluiten bij de internationale en supranationale wetgeving.

De raad gaat in het advies in op de positie van een aantal bijzondere groepen en hun positie in een verblijfskolom. Dit betreft onder meer gedetacheerde werknemers, stagiaires en ‘practicanten’.
Ten aanzien van stagiaires werpt de raad de vraag op of het in alle gevallen nodig is een tewerkstellingsvergunning te verlangen. Dit vereiste zou naar zijn oordeel niet behoeven te gelden voor een stagiair die is ingeschreven bij een erkende buitenlandse onderwijsinstelling waarmee een convenant is afgesloten.
Wat de groep practicanten betreft, gaat het – volgens de omschrijving van deze groep door het CWI – kort gezegd om vreemdelingen die gedurende korte tijd naar Nederland komen om werkervaring op te doen die voor hun toekomstig functioneren in het buitenland van belang is. Het accent ligt dan op het volgen van een leer- en werkervaringstraject en niet op het verrichten van reguliere werkzaamheden. De raad geeft in overweging de practicantenregeling met ruimte voor maatwerk toe te passen, waarbij in de regeling duidelijk is omschreven onder welke voorwaarden door een werkgever kan worden afgeweken van verplichtingen die in het kader van de Wav voor een reguliere arbeidsplaats gelden. Op deze wijze kan een handhaafbare regeling tot stand komen.

Relatie met Wet arbeid vreemdelingen (Wav)
De raad constateert dat de toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) in belangrijke mate bepalend is voor de invulling van het toelatingsbeleid van arbeidsmigranten.
In de beleidsnotitie Naar een modern migratiebeleid krijgt deze samenhang echter nauwelijks aandacht.
Bij een modernisering van het toelatingsbeleid die gericht is op het snel en slagvaardig inspelen op de behoeften van de arbeidsmarkt, ligt het in de rede dat ook wordt gekeken naar mogelijkheden om het toelatingsbeleid voor arbeidsmigranten in het kader van de Wav waar mogelijk sneller en slagvaardiger te maken. Daarbij dient het uitgangspunt van de Wav te worden gehandhaafd, hetgeen inhoudt dat bij vervulling van vacatures voorrang moet worden gegeven aan prioriteit genietend aanbod. De raad ziet dit als een wezenlijk element in het sociaal-economisch beleid dat is gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van personen en groepen die nu nog aan de zijlijn staan.

Het voorstel van de raad voor een alternatieve indeling van de verblijfskolommen is mede gebaseerd op de samenhang tussen het regime van de tewerkstellingsvergunning in de Wav en het toelatingsregime van de Vreemdelingenwet voor arbeidsmigranten. Het biedt ook mogelijkheden de wetgeving en de uitvoering rond de toelating van arbeidsmigranten te stroomlijnen en te vereenvoudigen. Door achtereenvolgende aanpassingen zijn de Wav en de daaraan gekoppelde regelgeving in de loop der jaren moeilijk toegankelijk geworden. De raad dringt er daarom op aan het gehele complex van regelgeving in verband met de toelating van arbeidsmigranten te vereenvoudigen en te stroomlijnen.
Ook zou kunnen worden onderzocht of het mogelijk is de Wav en de Vreemdelingenwet 2000 samen te voegen, onder handhaving van het uitgangspunt van de Wav dat bij vervulling van vacatures toetsing op prioriteit genietend aanbod plaatsvindt.

Beleid voor kennis- en studiemigratie

Aantrekkelijkheid Nederland als vestigingsland
De raad vindt de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor hooggekwalificeerde arbeidsmigranten een belangrijk aspect van het migratiebeleid. Het kabinet wil deze aantrekkelijkheid vooral vergroten door een eenvoudige en snelle toelatingsprocedure. De raad betwijfelt echter of Nederland met het voorgenomen toelatingsbeleid de facto aantrekkelijker wordt voor de gewenste arbeidsmigranten. Daarbij moet overigens worden bedacht dat het toelatingsbeleid en de toelatingsprocedure maar ten dele bepalend zijn voor de aantrekkelijkheid.

Volgens de raad dient Nederland een meer uitnodigend beleid te voeren voor migranten met een toegevoegde waarde voor de Nederlandse samenleving, zowel in het licht van de ‘battle for brains’ als in het licht van de globalisering. Essentieel daarbij is duidelijkheid over de voorwaarden die gelden voor toelating en over de voorwaarden die gelden voor verlenging van de verblijfsvergunning en permanent verblijf. Op basis daarvan kunnen zowel bedrijven als potentiële migranten vooraf beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor toelating dan wel voor verlenging van de verblijfsvergunning.

Tegen deze achtergrond bepleit de raad de bestaande kennismigrantenregeling in elk geval materieel te handhaven (in verblijfskolom III). Deze regeling blijkt de in de praktijk gewenste duidelijkheid te bieden. Hoewel het gehanteerde inkomenscriterium op zichzelf genomen geen garantie biedt dat de migrant ook daadwerkelijk een kenniswerker is, laat de praktijk zien dat het in het overgrote deel van de gevallen om kenniswerkers gaat.
Wel bepleit de raad een periodieke evaluatie van de regeling om te bezien of het gebruik ervan in overeenstemming blijft met het beoogde doel.

Aanvulling met aanbodgestuurde regeling
Tevens stelt de raad voor om in aanvulling op dit (vraaggestuurde) beleid te komen tot een aanbodgestuurd beleid voor hoogopgeleide migranten. Dit betekent dat betrokkene ook zonder arbeidscontract met een in Nederland gevestigd bedrijf of gevestigde instelling kan worden toegelaten, mits aan bepaalde vereisten is voldaan. In dat verband gaat de voorkeur van de raad uit naar een puntensysteem.
Als basisvoorwaarden zouden moeten gelden: ten eerste de beheersing van het Engels of een andere taal die goed communiceren in de werkomgeving mogelijk maakt en ten tweede het kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud. Als criteria op basis waarvan punten kunnen worden verkregen, denkt de raad aan: opleiding, inkomen of werkervaring, leeftijd, taal en ervaring in Nederland.
De raad acht het wenselijk sociale partners te betrekken bij de verdere uitwerking van een puntensysteem. Verder pleit hij voor monitoring en evaluatie van de regeling.

Verlenging zoekperiode studenten
Ook de aantrekkelijkheid van Nederland voor studenten acht de raad van groot belang. Hij wijst in dat verband op factoren als de mogelijkheid van Engelstalig onderwijs, de kosten verbonden aan de studie, mogelijkheden voor een studiebeurs en dergelijke.
Ook de reputatie van opleidingen is bepalend voor de aantrekkelijkheid. Dit geldt eveneens voor de periode die de student heeft om werk te zoeken na afronding van de studie.
Deze periode is nu drie maanden en dat blijkt in de praktijk te kort te zijn. De raad kan zich vinden in het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken om de zoekperiode te verlengen tot een jaar. Dit sluit ook beter aan bij de zoekperiodes in het VK en Duitsland. Tijdens de zoekperiode dient de afgestudeerde studiemigrant in Nederland te kunnen werken om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien.

Vluchtelingen
De raad is verder van mening dat het potentieel dat aanwezig is bij vluchtelingen, optimaal benut zou moeten worden. Hij bepleit de mogelijkheden voor asielzoekers om te kunnen werken te verruimen.

Uitvoering en handhaving nieuwe toelatingsmodel
De raad wijst in het advies nadrukkelijk op de noodzaak van een goede uitvoering en handhaving van het nieuwe toelatingsmodel. Aan de uitvoering en handhaving van het huidige migratiebeleid is in de voorbije kabinetsperiode reeds veel aandacht besteed.
Verschillende aanpassingen in de uitvoeringsorganisatie zijn gerealiseerd en verdere aanpassingen zijn voorgenomen. De raad heeft waardering voor verbeteringen die tot stand zijn gebracht. De raad moet echter vaststellen dat zich thans nog steeds uiteenlopende problemen voordoen, zowel bij de toelating van reguliere arbeidsmigranten als bij de toelating van kennismigranten.

Eén loket voor arbeidsmigratie
Zoals hiervoor aan de orde kwam (Relatie met Wet arbeid vreemdelingen), gelden ten aanzien van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen thans afzonderlijke uitvoeringstrajecten. Daarnaast moeten arbeidsmigranten nog procedures bij andere instanties doorlopen voordat zij daadwerkelijk aan het werk kunnen gaan.
De raad dringt aan op een sterke verbetering van de kwaliteit en de efficiency van de uitvoering. Hij acht het van groot belang dat er ten behoeve van de binnenkomst van arbeidsmigranten één loket komt, waar belanghebbenden (werkgever en werknemer) terechtkunnen voor de documenten en informatie die voor de toelating van buitenlandse werknemers relevant zijn. Hij stelt voor dat loket zo in te richten dat ook andere overheidsinstanties via dat loket kunnen worden bereikt, zoals de belastingdienst voor de toekenning van een sofinummer of gemeenten voor de registratie in de bevolkingsadministratie.
Het loket zou in de visie van de raad de toegangspoort moeten zijn voor de tewerkstellingsvergunning voor de werkgever, de verblijfsvergunning voor de werknemer en diens gezinsleden, verlengingsvergunningen, sofinummer, huisvestingsvergunning et cetera.
Een dergelijke geïntegreerde één-loket-benadering acht hij ook van belang voor de toepassing van de kennismigranten- en talentenregeling. Hij gaat daarbij uit van een gecoördineerde aansturing van de toelatingsorganisatie onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ministeries Justitie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Economische Zaken.

In algemene zin vraagt de raad niet alleen aandacht voor het nastreven van transparantie in regelgeving en procedures, maar evenzeer voor de wijze van communiceren en servicegerichtheid van instanties die bij de uitvoering een rol spelen.
De uitvoeringsorganisatie zou moeten uitstralen dat Nederland prijs stelt op de komst van getalenteerde personen en kenniswerkers evenals van personen die een functie gaan vervullen waarvoor binnen Europa kennelijk geen passend arbeidsaanbod voorhanden is.

Een aandachtspunt voor de toelatingsorganisatie is dat zij bij de invoering van het nieuwe toelatingsmodel met de daarin voorziene convenantensystematiek kan worden geconfronteerd met een groot aantal verzoeken van bedrijven en instellingen tot het afsluiten van een convenant. Dit pleit voor een fasegewijze invoering.
In elk geval moet worden voorkomen dat de verbeteringen die met het nieuwe toelatingsbeleid worden beoogd, stuklopen op de uitvoering.

Arbeidsmigratie en sociale zekerheid
De raad stelt vast dat, anders dan in het verleden, (arbeids)migranten thans niet snel toegang krijgen tot de sociale zekerheid. Dit is het gevolg van uiteenlopende wijzigingen die de afgelopen jaren in het stelsel zijn doorgevoerd en van de invoering van de Koppelingswet. Hij verwacht dat de toelating van migranten zoals voorzien in de kolommen I t/m III niet tot een extra beslag op het socialezekerheidsstelsel zal leiden.

De raad staat terughoudend tegenover verdere beperkingen van de sociale zekerheid voor (arbeids)migranten, voor zover deze al mogelijk zijn gezien internationaalrechtelijke verplichtingen. Hij is geen voorstander van de inzet van premierestitutie als instrument om te bevorderen dat als tijdelijk bedoelde arbeidsmigratie ook daadwerkelijk tijdelijk blijft.
Voor zover het daarbij gaat om arbeidsmigranten uit ontwikkelingslanden, ligt het naar zijn oordeel meer in de rede hierop gerichte instrumenten in het kader van ontwikkelingssamenwerking in te zetten.
In de praktijk wordt vooral de wettelijke verplichting om een zorgverzekering af te sluiten, als onredelijk ervaren door kennismigranten die gedurende korte tijd in Nederland verblijven en die al een (collectieve) ziektekostenverzekering hebben. De raad geeft in overweging dat wordt nagegaan of er mogelijkheden zijn om tegemoet te komen aan problemen die in de praktijk worden ervaren (dubbele dekking) door bepaalde gedurende zeer korte tijd (maximaal twee weken) in Nederland werkzame buitenlandse werknemers die al een buitenlandse ziektekostenverzekering met een adequate dekking hebben.

Europees arbeidsmigratiebeleid
Europese regelgeving stelt enerzijds randvoorwaarden aan het te voeren Nederlandse migratiebeleid, anderzijds is deze nog volop in ontwikkeling. Specifiek op het terrein van arbeidsmigratie is nog weinig geregeld. De Europese Commissie is voorstander van harmonisatie van wetgeving op het gebied van arbeidsmigratie en heeft daartoe in 2005 opnieuw voorstellen gepresenteerd. Wil Nederland hierop invloed kunnen uitoefenen, dan is het van belang dit tijdig te doen, vooral gezien de samenhang die er op onderdelen is met de beleidsvoornemens van het kabinet.

In lijn met de algemene voorkeur van de raad voor meer selectiviteit in het arbeidsmigratiebeleid, acht hij het wenselijk voor het hoogste segment van de arbeidsmarkt op EU-niveau meer zaken gezamenlijk te regelen. Voor het lage en middensegment van de arbeidsmarkt ligt dit veel minder voor de hand. Dit laat onverlet dat de raad in beginsel voordelen ziet van een minimaal beschermingsniveau voor met name laaggeschoolde arbeidsmigranten, maar dat dit sterk afhankelijk is van de invulling en onderbouwing daarvan. Dit minimale beschermingsniveau zou ten minste betrekking moeten hebben op het waarborgen van de door de ILO vastgestelde fundamentele beginselen en rechten van de arbeid.

De raad vindt de voorstellen van de Europese Commissie in het beleidsplan legale migratie een stap voorwaarts ten opzichte van de in 2001 voorgestelde richtlijn. Nu wordt expliciet een onderscheid gemaakt naar verschillende categorieën migranten. Dit doet recht aan de uiteenlopende problematiek.

Een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van mobiliteit binnen Europa van hooggeschoolde derdelanders kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Europa als vestigingsplaats. Er kunnen schaalvoordelen en positieve externe effecten optreden.
Wenselijke elementen voor een Europese regeling voor hooggeschoolden zijn:

  • procedurele waarborgen voor de aanvraag en toekenning van de betreffende verblijfstitel;
  • een vrijstelling van een arbeidsmarkttoets of een andere toets op economische noodzaak;
  • de toegang, het verblijf en de arbeidsmogelijkheden van de migrant en partner;
  • de voorwaarden en toegang tot verblijf in andere lidstaten dan de lidstaat die de oorspronkelijke verblijfstitel heeft afgegeven.

Wanneer mobiliteit van hooggeschoolde werknemers wordt toegestaan is een (zo mogelijk minimale) gezamenlijke afspraak nodig voor toelatingsvoorwaarden. Belangrijk bij Europese regelgeving hierover is dat overeenstemming wordt bereikt over de definities van deze groepen migranten. De raad bepleit een geleidelijke aanpak en het hanteren van een overgangsperiode.
Dit geldt des te meer wanneer in het Nederlandse beleid of dat van andere lidstaten meer elementen van aanbodsturing zouden worden aangebracht.

Ten aanzien van seizoenswerkers acht de raad het niet nodig en ook niet wenselijk te komen tot gezamenlijke voorwaarden voor toelating en mobiliteit binnen de EU. Dit vanwege het lokale karakter van seizoenswerk en het grote reservoir aan prioriteit genietend aanbod dat met de verdere openstelling van de arbeidsmarkt voor de nieuwe lidstaten beschikbaar komt.

De raad meent dat ook voor andere onderwerpen een gemeenschappelijk Europees beleid meerwaarde kan hebben. In het bijzonder denkt hij daarbij aan flankerend beleid met het oog op de totstandkoming van een Europese kennis- en onderzoeksruimte, om beter te kunnen concurreren met de VS. Ook een regeling voor detachering van derdelanders biedt naar zijn oordeel meerwaarde.

Beleid voor arbeidsmigratie uit ontwikkelingslanden

Wereldwijd vindt migratie vooral plaats vanuit minder ontwikkelde landen naar meer ontwikkelde landen. De economische situatie in veel ontwikkelingslanden speelt daarbij een belangrijke rol. Het bevorderen van tijdelijke arbeidsmigratie uit ontwikkelingslanden wordt gezien als één van de manieren om de positieve effecten van arbeidsmigratie te versterken. Tijdelijke arbeidsmigratie uit ontwikkelingslanden leidt echter niet vanzelfsprekend tot een win-win-situatie voor de verschillende betrokken partijen (de individuele migrant, de werkgever en de zend- en gastlanden). De uiteindelijke effecten voor de landen van herkomst zijn onder andere afhankelijk van de omvang van het land (kleine landen zijn kwetsbaarder voor braindrain), de sectoren waar de arbeidsmigranten in werken (emigratie van medisch personeel is problematischer dan andere sectoren) en de instituties en het beleid in de landen van herkomst (het potentieel van geldovermakingen kan alleen benut worden voor economische groei in goed functionerende markten). De raad onderschrijft het belang van het initiatief van de minister van VWS voor een gedragscode over het niet pro-actief werven van zorgpersoneel uit ontwikkelingslanden en beveelt aan om ook in andere branches de mogelijkheden voor een dergelijke gedragscode te verkennen. Ook op Europees niveau acht de raad een krachtige coördinatie ten aanzien van een wervingscode voor de zorgsector noodzakelijk.

De raad acht het niet wenselijk om in het kader van ontwikkelingssamenwerking de verblijfsduur voor arbeidsmigranten uit ontwikkelingslanden op voorhand te beperken tot maximaal één jaar – zoals het kabinet voorstelt in de nota Naar een modern migratiebeleid.

In de alternatieve kolommenstructuur die de raad voorstelt, is de maximale verblijfstermijn afhankelijk van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer. Dit geldt ook voor projecten in het kader van ontwikkelingssamenwerking. De raad benadrukt dat arbeidsmigranten uit ontwikkelingslanden, evenals werknemers uit andere derdelanden, in de eerste plaats gebruik kunnen maken van de kolommen waar zij op grond van hun kwalificaties in aanmerking voor komen.

Om de ‘brain gain’ in de landen van herkomst te bevorderen pleit de raad voor voortzetting en uitbreiding van programma’s voor circulaire migratie, met aandacht voor goede evaluatie en een expliciete link naar de regelingen voor kennismigranten. Om de tijdelijke arbeidsmigratie van middelbaar en laag opgeleide arbeidsmigranten verder te bevorderen stelt de raad twee aanvullende faciliteiten voor: bilaterale overeenkomsten met onder andere de partnerlanden van de ontwikkelingssamenwerking en leertrajecten.
Behalve in de zorgsector zijn bilaterale overeenkomsten denkbaar in andere sectoren met vraag naar middelbaar en lager geschoold personeel. Afhankelijk van de vraag naar personeel en de mogelijkheden in de partnerlanden zijn werkgevers- en werknemersorganisaties verder graag betrokken bij de vormgeving van degelijke bilaterale overeenkomsten.