Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2006 | Personenkring werknemersverzekeringen (vervolgadvies)

Personenkring werknemersverzekeringen (vervolgadvies)

Advies 2006/07 - 16 juni 2006

Werknemers die incidentele arbeid verrichten, moeten worden vrijgesteld van de verzekerings- en premieplicht voor de werknemersverzekeringen (WW, WIA en ZW). Het biedt een alternatief voor het kabinetsvoorstel om voor het ontstaan van de verzekeringsplicht een ondergrens in te voeren in de vorm van zowel een inkomens- als een duurvoorwaarde. De SER stelt voor dat er sprake moet zijn van een minimale arbeidsduur van dertig kalenderdagen.

Download:Volledig advies (6638 kB)Samenvatting (103 kB)

Samenvatting

In dit advies spreekt de SER zich nader uit over het bereik en de afbakening van de personenkring van de werknemersverzekeringen (WIA, WW en ZW). De raad reageert hiermee op de adviesaanvraag van de minister van SZW, mede namens de staatssecretaris van Financiën, van 22 december 2005 over de personenkring van de werknemersverzekeringen. De adviesaanvraag is een vervolg op het SER-advies Personenkring werknemersverzekeringen van 18 juni 2004.

Adviesaanvraag
Naar aanleiding van het advies uit 2004 heeft het kabinet twee varianten voor een herziening van de personenkring van de werknemersverzekeringen onderzocht, die het nu ter advisering heeft voorgelegd. Het kabinet heeft een voorkeur voor de variant waarin in beginsel alle werkenden onder de werknemersverzekeringen vallen, tenzij zij hun arbeid verrichten als zelfstandige. Verzekeringsplicht ontstaat daarbij alleen als de arbeidsrelatie voldoet aan een ondergrens in de vorm van een cumulatieve inkomens- en duurvoorwaarde van achtereenvolgens 20 procent van het wettelijk minimumloon (i.c. 253 euro) én 30 dagen. Het kabinet legt de raad vragen voor over:
  • de voorkeursvariant;
  • de vormgeving van de ondergrens;
  • uitzonderingen op de verzekeringsplicht.
De raad heeft in dit advies gekozen voor een pragmatische invalshoek. Het oplossen van in de praktijk bestaande knelpunten en beperking van de administratieve lasten staan centraal.

Bereik personenkring werknemersverzekeringen
Volgens de raad moet de personenkring van de werknemersverzekeringen het volgende materiële bereik hebben.
In de eerste plaats moeten personen die arbeid in (privaatrechtelijke of publiekrechtelijke) dienstbetrekking van een bepaalde minimale duur verrichten, verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.
Ten tweede moet de personenkring ook overige arbeidsrelaties omvatten waarin tegen beloning arbeid wordt verricht, mits die arbeidsrelatie een bepaalde minimale omvang heeft en er geen sprake is van zelfstandigheid. Dit is ook nu al het geval.
Ten derde dient volgens de raad een vrijstelling van de verzekerings- en premieplicht te gelden voor incidentele of gelegenheidsarbeid, dat wil zeggen dienstverbanden die in duur (zeer) beperkt zijn (zie hierna).
Tot slot moeten bepaalde arbeidsrelaties (kunnen) worden uitgezonderd.

Volgens de raad wordt een andere afbakening van de personenkring mogelijk wanneer voor echte dienstbetrekkingen en overige arbeidsrelaties waarin (anders dan als zelfstandige) tegen beloning arbeid wordt verricht, dezelfde omvangseisen voor het ontstaan van verzekeringsplicht gaan gelden. De verzekeringsplicht kan dan worden verbonden aan alle arbeidsrelaties waarin tegen beloning feitelijk arbeid wordt verricht, op voorwaarde dat die arbeidsrelatie een bepaalde minimale omvang heeft én er geen sprake is van zelfstandigheid of ervoor is gekozen van de verzekeringsplicht af te zien onder nader te stellen voorwaarden. Daardoor hoeft er niet langer te worden gekeken naar de aanwezigheid van een echte of fictieve dienstbetrekking, zoals nu het geval is. Dit brengt een vereenvoudiging van de afbakeningsproblematiek met zich.
Wel is het uit praktisch oogpunt extra noodzakelijk dat de minister van SZW de bevoegdheid houdt om de status van bepaalde categorieën arbeidsrelaties te verduidelijken of hen uit te zonderen van de verzekeringsplicht, als daaraan behoefte is.

Vormgeving ondergrens incidentele arbeid
Voor incidentele of gelegenheidsarbeid stelt de raad een vrijstelling voor van de verzekerings- en premieplicht. Het gaat om arbeidsrelaties die in duur (zeer) beperkt zijn.
Te denken valt aan vakantiewerkers, scholieren/studenten die incidenteel arbeid verrichten, seizoensarbeiders en personen die naast een verzekerde hoofdbetrekking op incidentele basis nevenarbeid verrichten. Deze personen en hun werkgevers dragen nu premies werknemersverzekeringen af en de werkgever moet voldoen aan de daarmee gepaard gaande administratieve verplichtingen. In de praktijk ontstaat er echter vaak geen aanspraak op een uitkering (omdat niet aan de referte-eisen wordt voldaan) of wordt geen beroep op de verzekering gedaan.

Een cumulatieve inkomens- en duurvoorwaarde als ondergrens voor de verzekeringsplicht vindt de raad een te grof middel, omdat dit ook tot uitsluiting leidt van meer duurzame dienstverbanden van de werknemersverzekeringen. Daarom stelt de raad uitsluitend een duurvoorwaarde voor: alleen arbeidsrelaties die zijn aangegaan voor een periode van langer dan 30 kalenderdagen zijn verzekeringsplichtig. Het moet mogelijk zijn om binnen een tijdsbestek van 12 maanden bij verschillende werkgevers werkzaam te zijn in maximaal drie onverzekerde dienstverbanden (samentellingsregeling).

De raad vraagt in het advies nadere aandacht voor enkele aspecten van de voorgestelde vrijstellingsmogelijkheid. Zo is een voorwaarde voor een samentellingsregeling dat de werkgever bij het aangaan van een incidentele arbeidsrelatie (dus vooraf) weet of voor die arbeidsrelatie vrijstelling geldt. Een melding ‘per ommegaande’ door UWV of Belastingdienst is daarvoor een vereiste. Verder is de vrijstelling alleen van toepassing op de publiekrechtelijke werknemersverzekeringen. Zij is niet van toepassing op arbeidsrechtelijke bepalingen (en daarmee ook niet op de loondoorbetalingsplicht bij ziekte). Ook is de regeling niet bedoeld om bestaande sectorale regelingen te vervangen. Voor sectoren waarin premiedifferentiatie voor de WW wordt toegepast, stelt de raad een uitbreiding voor van de toepassing van het lage tarief voor de WW-premie voor scholieren en studenten. Tot slot is een nadere uitwerking van de vrijstellingsregeling nodig voor arbeidsrelaties waarvan de duur niet op voorhand vaststaat (zoals arbeidsovereenkomsten die voortvloeien uit een voorovereenkomst en uitzendovereenkomsten).

Uitzonderingen
Volgens de raad moeten de bestaande uitzonderingen op de verzekeringsplicht voor personen van 65 jaar en ouder, politieke ambtsdragers, directeur-grootaandeelhouders en commissarissen en statutair bestuurders, gehandhaafd blijven. Ook bepleit de raad handhaving van de bestaande uitzondering voor vrijwilligers en voor stagiair(e)s. Voor de verzekeringspositie van de huishoudelijke hulp en van gastouders verwijst de raad naar het advies van de RWI over de markt voor persoonlijke dienstverlening.