Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2006 | Cofinanciering van het EU-landbouwbeleid

Cofinanciering van het EU-landbouwbeleid

Advies 2006/05 - 16 juni 2006
Het advies, dat bepleit de EU-toeslagen aan boeren sterker te koppelen aan maatschappelijke prestaties, is bijna geheel unaniem. Vorige maand had de raad besloten de behandeling van het advies een maand uit te stellen, vanwege een verdeeldheid over de vraag hoe cofinanciering van inkomenstoeslagen aan boeren precies zou kunnen worden uitgevoerd. Inmiddels zijn partijen het hierover eens geworden. Een andere verdeeldheid is gebleven, namelijk over de vraag of arbo-regels onderdeel moeten uitmaken van de voorwaarden waaraan boeren moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een inkomenstoeslag. De drie vakcentrales zijn dit van mening, maar zij kregen geen steun van de kant van de ondernemers en de kroonleden.

Download:Volledig advies (1037 kB)Samenvatting (136 kB)

Samenvatting

De Tweede Kamer vraagt advies van de SER over de haalbaarheid, de afdwingbaarheid en de consequenties van cofinanciering van (de inkomenstoeslagen in) het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Daarbij gaat het vooral om inzicht in de gevolgen van cofinanciering voor de lange termijn.

Cofinanciering houdt in dat lidstaten gereserveerde middelen uit het EU-budget kunnen ‘activeren’ door passende programma’s en projecten in te dienen en zelf een eigen aandeel in de financiering ter beschikking te stellen.

Beoordelingskader
De invalshoek van het verbeteren van de netto-betalingspositie van Nederland, die het kabinet eerder voorop stelde, vindt de raad te eng. Voor de raad is de kernvraag in hoeverre en op welke wijze cofinanciering van inkomenstoeslagen bij kan dragen aan een doeltreffender en doelmatiger landbouwbeleid. Inkomenstoeslagen zijn een instrument van dat beleid; cofinanciering van die toeslagen vormt een mogelijke verdere ontwikkeling van dat instrument. De raad wil de wenselijkheid en mogelijkheid van cofinanciering beoordelen in het licht van toekomstgerichte doelstellingen van het beleid. In de kern gaat het dan om:
  • een doelgerichter sturen op maatschappelijke wensen en voorkeuren die niet of onvoldoende via het marktmechanisme kunnen worden gerealiseerd;
  • een herijking van de taakverdeling tussen de EU en de lidstaten aan de hand van het subsidiariteitsbeginsel.

De goede werking van de interne (landbouw)markt – met vrije en onvervalste concurrentie – vormt een belangrijke randvoorwaarde waaraan voorstellen voor een meer nationale invulling van het landbouwbeleid moeten worden getoetst. De ordening van landbouwmarkten en het toezicht op staatssteun zijn en blijven daarom bij uitstek een zaak voor de EU.
Dat betekent niet dat alle instrumenten die in dat kader worden gehanteerd, ook (geheel) door de EU moeten worden gefinancierd. Vooral de directe betalingen aan boeren roepen wat dat betreft vragen op. De personele inkomensverdeling wordt immers in het algemeen gerekend tot het exclusieve domein van de lidstaten. Bovendien is de diversiteit verder toegenomen in de EU van 25 lidstaten. De structuur van zowel landbouwbedrijven als platteland vertoont grote verschillen; daarmee zijn ook de ontwikkelingsbehoeften van producenten sterk verschillend en is meer ruimte voor ‘maatwerk’ gewenst.
Cofinanciering van inkomenstoeslagen ligt daarom voor de hand.

Om redenen van doelmatigheid en doeltreffendheid – en daarmee ook van duurzame maatschappelijke legitimatie – is het zaak de toeslagen meer expliciet te koppelen aan maatschappelijk gewenste prestaties; dit als aanvulling of correctie op de werking van het marktmechanisme.
Cofinanciering van de bedrijfstoeslag vormt een eerste optie om die koppeling naderbij te brengen. Een andere mogelijkheid is het opzetten van nieuw beleid in combinatie met het afkopen van verworven rechten via een obligatiesysteem.

Nu inzetten op hervormingen na 2013
In het akkoord over de Financiële Vooruitzichten 2007-2013 is een evaluatieclausule opgenomen. De Europese Commissie wordt gevraagd zowel uitgaven als inkomsten van de EU tegen het licht te houden en daarover in 2008/2009 verslag uit te brengen. Nederland dient zich op deze evaluatie goed voor te bereiden, op basis van een breed gedragen visie op doelstellingen en instrumenten van een toekomstgericht landbouwbeleid – Europees en nationaal.

Het zou niet goed zijn deze evaluatie primair vanuit een financiële invalshoek te benaderen. Pogingen om langs deze weg tussentijds een extra verbetering van de eigen nettopositie te realiseren, zullen de weerstand tegen beleidsmatige hervormingen alleen maar versterken. Het is van belang om voor de hervormingsagenda een breed draagvlak te scheppen – ook door rekening te houden met het belang van agrarische ondernemers bij een duidelijk en voorspelbaar beleid. Door de discussie over de bedrijfstoeslag te richten op de periode na 2013 krijgen agrariërs de ruimte om zich aan veranderde omstandigheden aan te passen.
Daarom beveelt de raad met nadruk aan om de bedrijfstoeslag vóór 2013 niet te veranderen en de tussentijdse evaluatie te richten op de hervormingen in de periode daarna. De raad ziet cofinanciering dus als een optie voor na 2013. Mocht desondanks een eerdere invoering aan de orde komen, dan dienen de lidstaten – waaronder Nederland – zich te verplichten om hun nationale deel tot en met 2013 ook geheel te betalen; dit om een ongelijk(er) speelveld en daarmee aantasting van de interne markt te voorkomen.

Optie één: cofinanciering effent de weg van eerste naar tweede pijler
De cross compliance – het naleven van bestaande wetgeving en beheerseisen als voorwaarde voor toekenning van de bedrijfstoeslag – kan worden beschouwd als een aanzet voor een meer expliciete koppeling van betalingen aan bepaalde maatschappelijke doelen. Op EUniveau loopt men echter aan tegen de grote onderlinge verschillen tussen regio’s en tussen (typen) bedrijven. Dat maakt het lastig, zo niet onmogelijk, om aan zo’n meer expliciete koppeling op een uniforme wijze voor de gehele EU vorm te geven. De invoering van cofinanciering van de bedrijfstoeslag kan een uitweg bieden door de lidstaten binnen een gemeenschappelijk kader – dat concurrentieverstoringen op de interne markt tegengaat – ruimte voor maatwerk te bieden. Cofinanciering door de lidstaten kan helpen bij het geleidelijk verder expliciteren en toespitsen van die koppeling tussen betaling en prestatie. Door de invoering van cofinanciering in de eerste pijler (marktgerelateerde uitgaven en directe betalingen) zou het overbrengen van middelen (modulatie) naar de tweede pijler (plattelandontwikkelingsbeleid) voor de lidstaten ook een meer reële optie worden.

Gelijke behandeling
Bij de huidige toekenning van bedrijfstoeslagen is nu al allerminst sprake van een gelijke behandeling, ook al zijn de verschillen historisch verklaarbaar. De invoering van cofinanciering zou in beginsel tot nog grotere verschillen in de hoogte van toeslagen tussen de lidstaten kunnen leiden. Dan gaat het concreet om de mogelijkheid dat een lidstaat zou besluiten om géén cofinanciering ter beschikking te stellen, waardoor ook het door de EU gefinancierde deel van de bedrijfstoeslag zou vervallen. Het is echter de vraag of de kans hierop erg groot is: lidstaten doen over het algemeen hun best om beschikbare EU-middelen optimaal ‘binnen’ te halen.

Tegengaan van concurrentieverstoring
De verschillen waartoe cofinanciering kan leiden kan men onwenselijk of zelfs ongerechtvaardigd vinden. Daarmee is nog niet direct sprake van concurrentieverstoringen in de zin van het EG-Verdrag. De verschillen vallen binnen een bandbreedte die beleidsmatig wordt ingesnoerd door de desbetreffende EU-verordening en de mechanismen van de cofinanciering. De invoering van cofinanciering kan tot een verdere toename van verschillen tussen bedrijven leiden, maar een schadelijk effect op de concurrentieverhoudingen op de interne markt is daarvan niet te verwachten. Zoals de EU overigens ook in WTO-verband naar voren brengt als het gaat om bedrijfstoeslagen als zodanig.

Oormerken van financiële middelen voor bepaalde beleidsdoelen
Op Europees niveau worden – bijvoorbeeld in de Financiële Vooruitzichten – financiële middelen geoormerkt voor bepaalde beleidsdoelen. Via het mechanisme van de cofinanciering wordt een relatie gelegd tussen oormerken van financiële middelen voor een bepaald doel op Europees niveau en oormerken van nationale financiële middelen voor datzelfde doel.

De toekenning van de bedrijfstoeslag wordt via de cross compliance gekoppeld aan de naleving van communautaire voorschriften op het gebied van milieu, dierenwelzijn en volksgezondheid. Duurzaam ondernemen heeft ook een sociale dimensie; deze komt in de huidige cross compliance-voorwaarden niet terug. De raad vindt het gewenst dat arboregels, voor zover het gaat om levensbedreigende risico’s, niet alleen in Nederland maar ook in EU-verband voor zelfstandigen gaan gelden. Een deel van de raad (1) beveelt aan in de voorwaarden van de cross compliance ook wettelijke eisen op het gebied van arbeidsomstandigheden op te nemen.

Zekerheid voor de langere termijn
(Bedrijfs)zekerheid voor degenen die financiële middelen ontvangen wordt in de eerste plaats geboden door het GLB steeds voor een aantal jaren vast te leggen. De invoering van cofinanciering brengt daarin geen verandering, behalve op één punt: de uitbetaling van de bedrijfstoeslag wordt afhankelijk van de vraag of de lidstaat zijn deel meebetaalt.

Op lange termijn moeten ondernemers in de landbouw hun zekerheid vooral zoeken in:

  • het goed bedienen van koopkrachtige vraag (op de markt voor voedsel);

  • collectieve arrangementen voor vergoeding van ‘groene diensten’;

  • een duurzame maatschappelijke legitimatie voor eventuele resterende bescherming en steun (voor zover het niet lukt om duurzame productie én consumptie op een marktconforme manier te realiseren).

Gevolgen voor het EU-budget
Invoering van cofinanciering schept niet vanzelf meer ruimte voor herschikking van uitgaven op de EU-begroting. Cofinanciering leidt namelijk tot een verschuiving van de financiering van het EU-budget naar de nationale budgetten. Lidstaten zouden in reactie daarop kunnen aandringen op verlaging van het uitgavenplafond voor de EU.
Een ander aspect betreft het EU-budget in relatie tot beter beleid. De bedoeling van cofinanciering zou moeten zijn om de doelmatigheid en doeltreffendheid van het landbouwbeleid te vergroten. Dat zou zeker winst voor het EU-budget opleveren.

De kosten die verbonden zijn aan de uitbreiding van de EU vormen een extra prikkel om het GLB te hervormen. Wezenlijker is dat de uitbreidingen van de EU leiden tot grotere diversiteit en daarmee tot een grotere behoefte aan maatwerk. Door invoering van cofinanciering kan beter op de grotere diversiteit worden ingespeeld.

Optie twee: Obligatiesysteem als alternatief voor cofinanciering
De SER wijst op een alternatieve optie om te komen tot een nieuwe balans tussen eerste pijler (marktgerelateerde uitgaven en directe betalingen) en tweede pijler (plattelandontwikkelingsbeleid). Deze optie gaat niet uit van een geleidelijke overgang, maar zet (op termijn) juist nadrukkelijk een punt achter de huidige bedrijfstoeslag. Dat is op een voor alle betrokkenen aanvaardbare manier te verwezenlijken door de bestaande bedrijfstoeslag om te zetten in een soort obligatie. Die obligatie verzekert de ontvanger (boer of grondeigenaar) van een bepaalde inkomstenstroom gedurende een bepaalde reeks van jaren (bijvoorbeeld tien jaar). De obligatie is verhandelbaar en kan tussentijds worden verzilverd. Boeren zijn dus verzekerd van een bepaalde inkomstenstroom die niet meer blootstaat aan de onzekere gevolgen van politieke besluitvorming. Aan de andere kant wordt hierdoor de eindigheid van het systeem van bedrijfstoeslagen duidelijk gemarkeerd. Dat schept ook ruimte voor een nieuwe rolverdeling tussen de EU en de lidstaten op het gebied van landbouw en platteland die meer dan nu op het subsidiariteitsbeginsel kan zijn geënt. De cofinancieringsconstructie van de tweede pijler past goed in die nieuwe rolverdeling.

Het invoeren van een obligatie geeft ruimte voor een nieuwe afweging voor het vergoeden van ‘groene diensten’. Als de inkomenstoeslagen in de eerste pijler zijn omgezet in een obligatie, dan bevat de eerste pijler geen (impliciete) vergoeding meer voor ‘groene diensten’. Daarmee ontstaat ruimte voor een afzonderlijke afweging over de mogelijke rol van de EU bij het bevorderen van collectieve arrangementen voor het vergoeden van ‘groene diensten’. Die afweging wordt dan niet belast met erfenissen uit het verleden die hoe dan ook in het systeem van de bedrijfstoeslag besloten liggen.

  1. Bestaande uit de werknemersleden.