Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2006 | Wetsvoorstel herziening concurrentiebeding

Wetsvoorstel herziening concurrentiebeding

Advies 2006/02 - 17 maart 2006
Het wetsvoorstel tot wijziging van het concurrentiebeding is op een aantal onderdelen onduidelijk· Hierdoor kan de rechtszekerheid voor zowel de werkgever als de werknemer in het gedrang komen. Dit klemt te meer omdat het juist de bedoeling van dit wetsvoorstel is de rechtszekerheid en de kwaliteit van wetgeving te bevorderen.

Download:Volledig advies (5237 kB)Samenvatting (101 kB)

Samenvatting

De Eerste Kamer heeft het advies van de Sociaal-Economische Raad gevraagd over het wetsvoorstel tot wijziging van het concurrentiebeding. Dit wetsvoorstel is thans bij de Eerste Kamer in behandeling. De adviesaanvraag bevat een algemene vraagstelling over de balans tussen flexibiliteit in arbeidsrelaties en mobiliteit van de arbeid enerzijds, en stabiliteit en rechtszekerheid voor werkgever en werknemer anderzijds. Daarnaast wordt een viertal specifieke vragen gesteld die betrekking hebben op de positie van de uitzendwerknemer en -werkgever, op het relatiebeding en op de koppeling van een procedure over het concurrentiebeding met die over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Een concurrentiebeding is een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst ‘op zekere wijze werkzaam te zijn’; de regeling is nader uitgewerkt in artikel 7: 653 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het wetsvoorstel, dat eind 2001 aan de Tweede Kamer is voorgelegd, bevatte als belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de huidige regeling een (verplicht) door de werkgever aan de werknemer te betalen vergoeding (voor de beperking in arbeidskeuze die deze door het beding ondervindt) en een beperking van de geldingsduur van het beding tot een jaar. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is daar bij amendement onder meer nog aan toegevoegd dat het relatiebeding van de werking van de regeling van het concurrentiebeding is uitgesloten. Het (geamendeerde) wetsvoorstel is eind 2004 aan de Eerste Kamer voorgelegd.

De raad komt in dit advies tot de conclusie dat het wetsvoorstel op een aantal onderdelen vooral in juridische zin onvoldoende duidelijkheid biedt. Dit kan ertoe leiden dat de rechtszekerheid voor zowel de werkgever als de werknemer in het gedrang komt. Dit klemt temeer nu juist de bevordering van de rechtszekerheid een van de beleidsdoelstellingen van het wetsvoorstel is. Verder merkt de raad op dat, bezien vanuit het element ‘Wetgevingskwaliteit’ (het wetsvoorstel is opgezet vanuit het overheidsproject Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit) vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het wetsvoorstel.

Wat de positie van de uitzendwerkgever en –werknemer betreft hebben de bewindslieden van Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer aangegeven dat in de situatie waarin het de uitzendwerknemer wordt verboden in dienst te treden bij de opdrachtgever, er noch sprake is van een relatiebeding, noch van een concurrentiebeding.
Volgens de raad is het op grond van de tekst van het wetsvoorstel echter mogelijk dat een beding tussen een uitzendonderneming en een uitzendwerknemer, dat verbiedt dat de werknemer rechtstreeks bij de opdrachtgever in dienst treedt (belemmeringsbeding), dient te worden aangemerkt als een beding tussen een ‘gewone’ werkgever en werknemer. Er is dan (anders dan de bewindslieden meenden) sprake van een concurrentiebeding; het betreft immers een beperking voor de uitzendwerknemer in zijn bevoegdheid om ‘op zekere wijze werkzaam te zijn’.
Daarmee kan het wetsvoorstel tot onzekerheid voor de uitzendwerkgever en –werknemer aanleiding geven. Enerzijds zouden zij op grond van de nadere uitleg van de bewindslieden kunnen menen dat een tussen hen overeengekomen belemmeringsbeding niet onder de werking van de gewijzigde regeling inzake het concurrentiebeding zal vallen en daarmee vormvrij is, anderzijds is het volgens de raad niet ondenkbaar dat de rechter daarover anders zal oordelen.

In het (geamendeerde) wetsvoorstel wordt het relatiebeding omschreven als een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt verboden om na het einde van de arbeidsovereenkomst de klanten van de werkgever te benaderen.
Uit de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer blijkt dat de regering van opvatting is dat het relatiebeding wezenlijk anders is dan het concurrentiebeding.
De raad signaleert dat uit de literatuur, maar ook uit de jurisprudentie, kan worden afgeleid dat over deze opvatting twijfel bestaat. In de in het advies aangehaalde literatuur wordt gesteld dat het beding dat de ex-werknemer op enigerlei wijze verbiedt contacten aan te gaan of te onderhouden met klanten van de ex-werkgever, hem (de ex-werknemer) wel degelijk kan beperken in zijn bevoegdheid om na het einde van het dienstverband ‘op zekere wijze werkzaam te zijn’. De gekozen definitie in het wetsvoorstel bergt volgens de raad het risico in zich dat bedingen die qua strekking op het relatiebeding lijken, door de rechter toch niet als zodanig zullen worden uitgelegd. Denkbaar is dat deze bedingen dan volgens de regeling van het concurrentiebeding zullen worden beoordeeld. Er kan dan gedurende lange tijd onzekerheid blijven bestaan of het ‘relatiebeding’ ook daadwerkelijk een relatiebeding is.

Het wetsvoorstel creëert de mogelijkheid om aan een tot de rechter gedaan verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een verzoek te koppelen met betrekking tot een concurrentiebeding. De raad meent dat dit voorstel past in een ontwikkeling die ook op andere terreinen waarneembaar is, namelijk om procedures zoveel mogelijk te concentreren bij één rechter. Verder schept het voorstel duidelijkheid en kan het bijdragen aan de snelheid van de afwikkeling van arbeidsrechtelijke procedures. Ook kan de raad zich vinden in het voorstel van de regering om ter zake van het concurrentiebeding niet af te wijken van het uitgangspunt van het recht op behandeling in meerdere instanties.