Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2004 | Beoordeling kabinetsvoornemens Aanpassing toetredingsvoorwaarden WW

Beoordeling kabinetsvoornemens Aanpassing toetredingsvoorwaarden WW

Advies 2004/11 - 18 juni 2004 

Binnen de SER wordt verschillend gedacht over de kabinetsplannen om de toetredingsvoorwaarden tot de Werkloosheidswet (WW) aan te scherpen. Een deel stemt met deze plannen in, een ander deel wijst ze af en weer een ander deel onderschrijft alleen sommige voornemens.

Download:Volledig advies (426 kB)Samenvatting (94 kB)

Samenvatting

Dit advies bevat het oordeel van de Sociaal-Economische Raad over een drietal voorstellen van het kabinet om de toetredingsvoorwaarden tot de Werkloosheidswet (WW) aan te scherpen. Het gaat om de volgende voorstellen:
  • de afschaffing van de kortdurende uitkering;
  • de aanpassing van de wekeneis (39 weken uit 52 weken in plaats van de huidige eis van 26 uit 39 weken); 
  • de harmonisatie van de toetredingsvoorwaarden door het intrekken van het Besluit verlaagde wekeneis WW.
Over deze voornemens heeft het kabinet een advies van de raad gevraagd. De raad heeft toegezegd het advies uiterlijk in juni 2004 vast te stellen.

Het kabinet wil met de voorgestelde maatregelen de band met de arbeidsmarkt die vereist is om aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering, versterken. Het ziet de afschaffing van de kortdurende uitkering ook als een eerste aanzet voor een vereenvoudiging van de WW. Verder wil het kabinet vermijdbaar gebruik van de WW terugdringen.
De kabinetsvoornemens leiden tot een besparing op de WW-lasten van structureel 319 miljoen euro netto, waarbij rekening is gehouden met weglekeffecten door extra beroep op het Fonds Werk en Inkomen.

De raad heeft deze voorstellen al in analytische zin behandeld in zijn advies Aanpassing toetredingsvoorwaarden WW (februari 2004). Hij heeft toen geen beoordeling gegeven van de voorstellen. Wel constateerde de raad dat de voornemens kunnen leiden tot een verandering van de basisinrichting van de WW, dat ze vergaande gevolgen kunnen hebben voor de WW als arbeidsmarktinstrument en voor de functie van de WW in het geheel van het stelsel van sociale zekerheid. Daarom achtte hij het wenselijk dat de finale beoordeling van de voorstellen in een breder kader zou geschieden. De adviesaanvraag van 3 februari 2004 over de toekomstbestendigheid van de WW biedt dat kader. Aan de voorbereiding van dat advies wordt thans gewerkt. Dit betekent dat het onderhavige advies zich toespitst op de aanpassing van de toetredingsvoorwaarden.

Ten aanzien van de voorstellen wil de raad allereerst herinneren aan de uitspraak “ten principale van mening te zijn” dat in de werknemersverzekeringen (WW en WAO) sprake dient te zijn van een structureel lastendekkende premiestelling. In het advies van februari heeft de raad aangegeven dat de voorstellen effecten hebben die uiteenlopend beoordeeld kunnen worden. Binnen de raad heeft dit geleid tot verschillende standpunten over de kabinetsvoorstellen.

Een deel van de raad
(1) steunt de kabinetsvoorstellen. Dit deel meent dat de voorstellen leiden tot een meer activerend stelsel van sociale zekerheid, tot een versterking van de band tussen het recht op WW en het arbeidsproces. Dit geldt zowel voor de afschaffing van de kortdurende uitkering als voor de aanscherping van de wekeneis. Daarnaast vindt dit deel het van belang dat deze maatregelen ook leiden tot een verschuiving van collectieve naar meer individuele verantwoordelijkheid; de betrokkenen moeten zelf in grotere mate mede ervoor zorgen dat perioden van arbeidsinkomen elkaar zoveel mogelijk opvolgen dan wel dat zij zelf sparen voor zekere perioden van werkloosheid. Over het Besluit verlaagde wekeneis WW oordeelt dit deel van de raad dat de achterliggende gedachte niet meer spoort met de maatschappelijke inzichten en de huidige inrichting van de arbeidsmarkt. Ten slotte wijst dit deel erop dat de maatregelen tot een substantiële structurele netto besparing leiden bij, als gevolg van de toenemende werkloosheid, sterk oplopende WW-uitkeringslasten.

Een ander deel van de raad
(2) wijst de kabinetsvoornemens af. Dit deel vindt de voornemens van het kabinet eenzijdig. Ze zijn alleen gericht op een afname van de WW-instroom door het beperken van de toegang tot de WW. De voorstellen zullen vooral jongeren, starters, herintreders op de arbeidsmarkt en werknemers met kortlopende tijdelijke contracten treffen. Volgens dit deel zullen de maatregelen niet leiden tot een meer activerende werking, maar eerder tot een verstarring van de arbeidsmarkt door minder belangstelling voor flexibele arbeidscontracten. De afschaffing van de kortdurende uitkering leidt er tevens toe dat pas na een lange wachttijd (van vier kalenderjaren) aanspraak op WW gemaakt kan worden. Dit staat op gespannen voet met de verzekeringsgedachte omdat in die periode wel premie betaald moet worden. Verder gaat Nederland met deze erg lange wachtperiode uit de pas lopen met andere EU-landen. De aanscherping van de wekeneis bemoeilijkt ook de toegang tot de loongerelateerde uitkeringen voor mensen met een flexibele arbeidsrelatie. De drempel voor het verkrijgen van een loongerelateerde uitkering is al hoog genoeg. Dit deel meent dat het Besluit verlaagde wekeneis WW een instrument is waarmee adequaat en flexibel kan worden ingespeeld op de specifieke arbeidsmarktomstandigheden in bepaalde sectoren. Afschaffing wordt dan ook afgewezen. De voornemens tot premiedifferentiatie invoering in een aantal wachtgeldfondsen van premiegroepen op basis van contractvorm) worden door dit deel wel gesteund. Ten slotte meent dit deel dat de huidige en de te verwachten financiële situatie van de werkloosheidsfondsen geen aanleiding geeft tot de kabinetsvoorstellen, noch tot een aantasting van de polisvoorwaarden. Dit deel herinnert hierbij aan het standpunt van de raad dat de premiestelling voor de WW structureel lastendekkend dient te zijn.

Weer een ander deel van de raad
(3) beoordeelt de voorstellen van het kabinet verschillend. Dit deel wil de voorstellen van het kabinet vooral bezien in het kader van de toekomstbestendigheid van de WW, waarbij er aandacht zal moeten zijn voor zowel de aanbodzijde als de vraagzijde van de arbeidsmarkt en beperking van de WW-instroom en bevordering van de WW-uitstroom. De maatregelen van het kabinet betreffen vooral het inperken van de instroom. Dit deel meent dat de kortdurende uitkering een bijdrage levert aan het met elkaar in evenwicht brengen van de behoefte aan flexibiliteit van werkgevers en werknemers (arbeidsmarktfunctie WW). Afschaffing verandert de verhouding tussen premiebetaling en aanspraken. De premie moet wel betaald worden maar er bestaat geen aanspraak op een uitkering als niet aan de jareneis wordt voldaan. Dit geldt vooral voort jongeren, starters en werknemers met een flexible arbeidsrelatie. Verder wijst dit deel erop dat niet-loongerelateerde uitkeringen een belangrijke functie zouden kunnen hebben in een toekomstbestendige WW. Dit deel meent dan ook dat de kortdurende uitkering gehandhaafd moet worden, met daarbij een toetredingseis van 26 uit 39 weken. Dit deel steunt het voorstel om de wekeneis voor de loongerelateerde uitkering aan te scherpen (naar 39 uit 52 weken). Dit geeft een sterkere en meer duurzame band tussen het recht op WW en deelname aan het arbeidsproces. Daarmee heeft het geen effect op de WW-positie van mensen met een stabiele arbeidsmarktrelatie. Dit deel vindt het te vroeg om het Besluit verlaagde wekeneis WW in te trekken. Het verwacht dat de voorstellen tot premiedifferentiatie het beroep op de WW zullen terugdringen. Daarvan uitgaande wil dit deel de wekeneis uit het besluit aanscherpen in de richting van 26 uit 39 weken, bijvoorbeeld per medio 2005. Ook zou het toepassingsgebied van het besluit kritisch moeten worden heroverwogen. Het Besluit kan volgens dit deel mettertijd gefaseerd worden afgeschaft. Dit deel onderkent dat met dit voorstel slechts een deel van de door het kabinet beoogde nettobesparing wordt gerealiseerd. Voorzover nettobesparing op de WW-lasten noodzakelijk of wenselijk zou zijn, moet – zo meent dit deel – worden uitgegaan van een structureel lastendekkende premiestelling. Daarnaast kunnen ook opties met betrekking tot de inrichting en de systematiek van de WW (onder meer de loongerelateerde WW-uitkering) in dit verband aan de orde komen in het advies over de toekomstbestendigheid van de WW.

  1. De ondernemersleden benoemd door VNO-NCW.
  2. De werknemersleden benoemd door CNV en FNV.
  3. De ondernemersleden benoemd door LTO-Nederland en MKB-Nederland, het werknemerslid benoemd door Mhp, en de kroonleden Bakker, Van Duyne, Van Ewijk, Goudswaard, Kolnaar, Linschoten, Wijffels en Wilke.