Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2004 | Aanpassing toetredingsvoorwaarden WW

Aanpassing toetredingsvoorwaarden WW

Advies 2004/01 - 20 februari 2004

De SER zal zijn visie op enkele kabinetsvoorstellen tot beperking van het recht op een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) geven in het advies over de toekomstbestendigheid van de Werkloosheidswet. De SER vindt het wenselijk dat een definitief beleidsoordeel over deze voorstellen past in een visie op de toekomst en toekomstbestendigheid van de WW.

Download:Volledig advies (1234 kB)Samenvatting (87 kB)

Samenvatting

Adviesaanvraag, opvattingen kabinet
In dit advies reageert de SER op een drietal voorgenomen maatregelen van het kabinet om de toetredingsvoorwaarden van de WW aan te scherpen. Het betreffen:
  • de afschaffing van de kortdurende WW-uitkering;
  • de aanscherping van de wekeneis tot 39 uit 52;
  • het harmoniseren van de wekeneis en het intrekken van het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidwet.
De adviesaanvraag is een van de uitkomsten van het Najaarsoverleg (oktober 2003) tussen kabinet en Stichting van de Arbeid waar is afgesproken de SER in de gelegenheid te stellen een zwaarwegend advies uit te brengen over deze WW-maatregelen. In de adviesaanvraag vraagt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de SER aandacht te besteden aan de gevolgen voor de functie van de WW in het stelsel van sociale zekerheid en voor de WW als arbeidsmarktinstrument. Daarbij geeft de minister aan dat het kabinet de SER begin 2004 om advies zal vragen over de toekomstbestendigheid van de WW.

Met de maatregelen wil het kabinet de band met de arbeidsmarkt die vereist is om aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering, versterken. Het aanscherpen van de toetredingsvoorwaarden leidt tevens tot een versterking van het opbouwkarakter van de WW. De minister ziet de afschaffing van de kortdurende uitkering ook als een eerste aanzet voor een vereenvoudiging van de WW. Verder wil de minister vermijdbaar gebruik van de WW terugdringen. Het kabinet lijkt van oordeel te zijn dat de huidige toetredingsvoorwaarden voor de WW afwenteling van het bedrijfsrisico van het individuele bedrijf op de werkloosheidskassen mogelijk maakt.

In het onderstaande schema worden de kabinetsvoorstellen gerelateerd aan de huidige situatie
Huidige wetgeving
Kabinetsvoorstellen
Soort WW-uitkering Referte-eisen



Kortdurende WW-uitkering (70% minimumloon, maximaal halfjaar) Wekeneis: 26 uit 39 weken Afschaffen kortdurende uitkering
Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidwet. Voor bepaalde groepen werknemers geldt als wekeneis 13, 16 of 20 uit 39 Harmoniseren en aanscherpen wekeneis tot 39 uit 52 en intrekken Besluit verlaagde wekeneis
Loongerelateerde uitkering (70% dagloon tot maximumdagloon, maximaal 5 jaar) Wekeneis: 26 uit 39 Jareneis: 4 uit 5 jaar waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen Wekeneis: 39 uit 52 Jareneis: handhaven


Gevolgen van de maatregelen
Berekeningen van het UWV geven aan dat de WW-maatregelen in 2002 tot een afname zouden hebben geleid van 50.751 WW-uitkeringen. De grootste instroomreductie wordt veroorzaakt door de afschaffing van de kortdurende uitkering (39.072). De aanscherping van de wekeneis leidt tot een reductie met 11.679 uitkeringen.

Het ministerie van SZW heeft, op basis van de UWV-berekeningen, geraamd dat de maatregelen leiden tot een bezuiniging op de WW-lasten van 320 miljoen euro in 2005 oplopend tot 560 miljoen in 2007 en een structurele bezuiniging van 600 miljoen. Daarvan komt 250 miljoen voor rekening van de afschaffing van de kortdurende uitkering en 350 miljoen is het gevolg van de aanscherping van de wekeneis. Van de bezuinigingen lekt naar verwachting de helft weg naar het Fonds Werk en Inkomen door een verwacht extra beroep op de Wet werk en bijstand (WBB). Netto is het structurele effect van de maatregelen dus 300 miljoen euro.
Door het weglekken leiden de maatregelen tot een verschuiving van lasten. Er treedt een (relatieve) premieverlaging op voor werkgevers en werknemers, en voor de overheid een verlaging van de collectieve lasten. Tegelijkertijd treedt een verhoging op van de lasten voor gemeenten en rijk door een extra beroep op de, uit de algemene middelen gefinancierde, WBB.

De kabinetsvoornemens hebben tot gevolg dat in de toekomst een meer continue band met het arbeidsproces vereist is om aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering. Naast de wekeneis moet ook voldaan worden aan de jareneis. De nieuwe referte-eis is lang in vergelijking met de referte-eisen in andere EU-landen.

De aanscherping van de wekeneis en de afschaffing van de kortdurende uitkering hebben ook consequenties voor het equivalentiebeginsel (evenredigheid tussen gedekt risico, premie en prestatie). Door de afschaffing van de kortdurende uitkering kan de situatie ontstaan dat gedurende vier jaar premie betaald moet worden zonder dat daar een recht op uitkering tegenover staat.

De maatregelen zullen vooral jongeren treffen evenals personen die starten of herintreden op de arbeidsmarkt, werknemers met een kortlopend tijdelijk contract en werknemers voor wie het recente arbeidspatroon onregelmatig is. Van de instroomreductie door de WW-maatregelen komt 25 procent op het conto van de jongeren (tot 23 jaar). Van de jongeren verliest 63 procent het recht op een uitkering. Van de werknemers die onder het Besluit verlaagde wekeneis vallen zal bij het harmoniseren en aanscherpen van de wekeneis (39 uit 52) ongeveer 75 procent het recht op een uitkering verliezen.
Een deel van de werkloze werknemers dat niet meer een beroep kan doen op de WW zal in aanmerking kunnen komen voor een WWB-uitkering en geconfronteerd worden met de daarvoor geldende (middelen- en) vermogenstoets.

Afwegingen en conclusie van de raad
Op basis van de gemaakte analyse is de raad van menig dat de kabinetsvoornemens verschillende effecten veroorzaken en aspecten bevatten die uiteenlopend beoordeeld kunnen worden. Daarenboven is hij van oordeel dat deze voornemens leiden tot een wijziging van onderdelen van de huidige kaders en van de systematiek van de WW en daarmee tot een verandering van de basisinrichting van de WW.
De raad vindt het daarom wenselijk dat een zorgvuldige afweging en een finale beoordeling van de ter advisering voorgelegde voornemens in een breder kader kunnen plaatsvinden. De adviesaanvraag van 3 februari 2003 over de toekomstbestendigheid van de WW biedt daarvoor zijns inziens het juiste kader en de gepaste gelegenheid. De raad merkt daarbij op dat een eventuele instemming met of afwijzing van (onderdelen van) de thans ter advisering voorliggende kabinetsvoornemens zou leiden tot een aanzienlijke beperking van de vrijheidsgraden in de komende beleidsdiscussie over de toekomstige inrichting van de WW in relatie tot andere socialezekerheids- en arbeidsmarktregelingen.
Hij bepleit dan ook geen wezenlijke veranderingen in de WW door te voeren, in afwachting van zijn advies over de toekomst van de WW. In dit verband acht de raad het ook van groot belang dat de met de kabinetsvoornemens beoogde besparingen op de WW-uitgaven ten vroegste vanaf 1 januari 2005 kunnen optreden. Al met al acht de raad het wenselijk dat een finale oordeelsvorming over de ter advisering voorgelegde kabinetsvoornemens kan plaatsvinden in het bredere kader van zijn advies over de toekomstbestendigheid van de WW, welk advies het kabinet in juni 2004 verwacht.
In dat advies zal hij zijn definitieve oordeel geven over (onder meer) de nu ter advisering voorliggende voornemens en over het opvangen van de eventuele budgettaire consequenties van dat oordeel.
De raad zal in dat advies ook ingaan op de nu reeds voorliggende bredere vraagstelling over de gevolgen van de kabinetsvoornemens voor de functie van de WW in het stelsel van sociale zekerheid en als arbeidsmarktinstrument. Tevens zal hij dan beleidsmatige conclusies verbinden aan de consequenties van het vervallen van de WW-vervolguitkering.