Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2003 | Aanpassing Wet op de ondernemingsraden

Aanpassing Wet op de ondernemingsraden

Advies 2003/12 - 19 december 2003

Het is in het belang van zowel ondernemingsraad als ondernemer dat zij aan de medezeggenschap gezamenlijk de invulling kunnen geven die past bij hun eigen situatie. Gezien de verscheidenheid in arbeidsorganisaties dient de Wet op de ondernemingsraden voldoende flexibel te zijn ingericht. De vraag of daarvoor wijziging van de huidige wet nodig is, wordt verschillend beoordeeld.

Download:Volledig advies (3487 kB)Samenvatting (131 kB)

Samenvatting


 In dit advies gaat de raad in op de inhoud en vormgeving van de medezeggenschap van werknemers, zoals deze is geregeld in de Wet op de ondernemingsraden (WOR). De raad geeft zijn zienswijze op een groot aantal onderwerpen, zoals:
  • de bevoegdheden van de ondernemingsraad (OR);
  • de vormgeving van de medezeggenschap binnen ondernemingen en concerns;
  • de vraag of de WOR het karakter zou moeten krijgen van een kaderwet;
  • de openbaarmaking van inkomens en de informatie aan de OR over inkomens;
  • de mogelijke betrokkenheid van de OR bij de besluitvorming over het beloningsbeleid;
  • de verkiezingen en de werkwijze van de OR;
  • de medezeggenschap van uitzendkrachten; de naleving van de instellingsplicht.
Over een aantal van deze onderwerpen wordt binnen de raad verschillend gedacht.

Aanleiding advies
Bij de wijziging van de WOR in 1998 is afgesproken na vier jaar een evaluatie te houden. Na afronding van de evaluatie heeft het kabinet in februari 2003 zijn standpunt hierover toegezonden aan de Tweede Kamer. Daarover is in april 2003 in de Tweede Kamer gedebatteerd. Op 27 juni 2003 heeft het kabinet de SER gevraagd te adviseren over elf concrete beleidsvoornemens die het baseert op de uitkomsten van de evaluatie. Daarnaast heeft het kabinet enkele algemene vragen ter advisering voorgelegd, waaronder de vraag hoe de SER denkt over het initiatiefwetsvoorstel Openbaarheid van inkomens dat bij de Tweede Kamer in behandeling is.
De raad heeft ervoor gekozen bij de bespreking van de verschillende onderwerpen niet de volgorde van de adviesaanvraag aan te houden, maar uit te gaan van vier clusters van bij elkaar horende onderwerpen.

Cluster I: Karakter WOR; bevoegdheden OR; vormgeving medezeggenschap

Algemeen
Het kabinet stelt voor aan OR en ondernemer de mogelijkheid te geven bij ondernemingsovereenkomst de bevoegdheden van de OR te beperken. Volgens het kabinet zou voor de ondernemingsovereenkomst een maximale looptijd van 5 jaar moeten gelden. Ook stelt het voor in de WOR te regelen dat bij CAO een andere vormgeving van de medezeggenschap binnen ondernemingen en concerns kan worden gerealiseerd. Tot slot vraagt het kabinet of er volgens de raad behoefte bestaat aan een opzet van de WOR als ‘kaderwet’ en wat daaronder dan moet worden verstaan.
De raad maakt een onderscheid tussen het oplossen van in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij toepassing van de WOR en de mogelijkheid te komen tot structurele afwijking van de WOR ten aanzien van de bevoegdheden van de OR en de vormgeving van de medezeggenschap, en daarmee tot een andere opzet van de WOR.

Oplossing praktische knelpunten bij toepassing WOR
De raad vindt dat een OR ad hoc moet kunnen afzien van de uitoefening van een advies- of instemmingsbevoegdheid op een moment dat de aard van een door de ondernemer voorgenomen besluit en de gevolgen hiervan voor werknemers in voldoende mate kenbaar zijn. In de praktijk komt dit reeds voor. Een wettelijke regeling die de rechtsgevolgen hiervan regelt komt volgens de raad tegemoet aan de behoefte van de ondernemer aan rechtszekerheid.
Hij bepleit verder in de WOR een bepaling op te nemen die de rechtsgeldigheid van een ondernemingsovereenkomst over toepassing van het advies- of instemmingsrecht buiten twijfel stelt.

Ook stelt hij voor het mogelijk te maken dat bij een ‘meerpartijenovereenkomst’ tussen ondernemer, centrale ondernemingsraad, groepsondernemingsraden en ondernemingsraden ad hoc dan wel structureel afspraken kunnen worden gemaakt over het toedelen van bevoegdheden aan medezeggenschapsorganen op verschillende niveaus binnen een concern. In het verlengde hiervan bepleit hij in de wet een opening te bieden voor een flexibele toedeling van bevoegdheden aan medezeggenschapsorganen die betrokken zijn bij een business unit en de daarin samenwerkende vennootschappen.
Een wettelijke maximering van de duur van de ondernemingsovereenkomst acht de raad niet nodig. Het kan aan ondernemer en OR zelf worden overgelaten voor welke duur de overeenkomst zal gelden en of wordt voorzien in een opzegtermijn dan wel dat de opzegging beheerst wordt door het gewone overeenkomstenrecht. Bij gebreke van een andersluidende afspraak zou de overeenkomst in ieder geval met inachtneming van een termijn van zes maanden opzegbaar moeten zijn.

Mogelijkheid tot structurele afwijking van de WOR voor bevoegdheden OR en voor vormgeving medezeggenschap en daarmee tot een andere opzet van de WOR
De raad als geheel erkent dat het voor OR en ondernemer van belang is de medezeggenschap vorm en inhoud te geven op een wijze die passend is voor hun situatie. Met het oog op de diversiteit in arbeidsorganisaties en de aard van het werk dient het wettelijke kader voldoende flexibel te zijn.
Over de concrete voorstellen en vragen van het kabinet over ‘beperking van de wettelijke bevoegdheden van de OR bij ondernemingovereenkomst’, over ‘vormgeving van de medezeggenschap’ en over ‘een opzet van de WOR als kaderwet’, wordt binnen de raad uiteenlopend gedacht.
Een deel van de raad vindt dat het kabinetsvoorstel over beperking van de wettelijke bevoegdheden van de OR de mogelijkheid biedt tot daadwerkelijke flexibilisering van de medezeggenschap op ondernemingsniveau en daarom steun verdient. Volgens dit deel vormt het dwingendrechtelijke karakter van de bevoegdheden van de OR een beletsel om de meerwaarde van de medezeggenschap ten volle te benutten en toe te snijden op ondernemingsspecifieke situaties. Uitgangspunt van een moderne, aan de eisen van de tijd aangepaste wettelijke regeling van medezeggenschap dient te zijn dat deze de afzonderlijke ondernemingen en OR-en in voldoende mate in staat stelt om – tegen de achtergrond van het wettelijk kader – zelf vorm en inhoud te geven aan hun overleg. Hierbij hoort ook de mogelijkheid dat ondernemer en OR afspreken dat de OR (al dan niet voor een bepaalde termijn) afstand doet van bepaalde wettelijke bevoegdheden, bijvoorbeeld in ruil voor toekenning van bovenwettelijke bevoegdheden waaraan die OR in de specifieke omstandigheden van de betrokken onderneming, (meer) behoefte heeft.
Dit deel steunt het kabinetsvoorstel over vormgeving van de medezeggenschap bij CAO en voegt hieraan toe dat een van de WOR afwijkende vormgeving van de medezeggenschap niet alleen bij CAO, maar ook bij ondernemingsovereenkomst tot stand moet kunnen komen. Het huidige wettelijke kader biedt volgens dit deel onvoldoende mogelijkheden voor flexibiliteit en maatwerk, onder meer omdat oprichting van een OR, GOR of COR geen vrijblijvende zaak is maar door belanghebbenden voor de rechter kan worden afgedwongen.
Dit deel van de raad steunt een opzet waarin de WOR – op de hierboven bepleite wijze – wordt ingericht als kaderwet. Het ziet voorts in een verdergaande ontwikkeling van de WOR tot kaderwet een mogelijke optie voor de toekomstige opzet van de medezeggenschap. Het acht het raadzaam de modaliteiten voor een dergelijke verdergaande opzet van de WOR als kaderwet aan nadere studie te onderwerpen. Daarbij zou een verdere flexibilisering van de medezeggenschapswetgeving, onder meer naar voorbeeld van het Europees ‘contractmodel’ kunnen worden onderzocht. Op basis daarvan kan nadere politieke besluitvorming plaatsvinden, desgewenst na nadere advisering door de raad.

Een ander deel van de raad
beschouwt medezeggenschap als een aan de werknemers in verband met het verrichten van de arbeid in dienstbetrekking toekomend fundamenteel recht. Medezeggenschap ziet op de mogelijkheid voor werknemers om in collectief verband uitdrukking te geven aan verantwoordelijkheidszin voor de gang van zaken van de onderneming, invloed uit te oefenen op de besluitvorming van de ondernemer ten aanzien van de aangelegenheden die hun positie wezenlijk raken, en zelf op te komen voor de bescherming en bevordering van hun belangen. Met de aard en de doelstelling van medezeggenschap en het recht van werknemers daarop laat zich volgens dit deel moeilijk verenigen dat het orgaan door middel waarvan werknemers dit recht uitoefenen – de OR of de personeelsvertegenwoordiging (PVT) – substantiële bestanddelen van dit recht contractueel en op voorhand, voor bepaalde of onbepaalde tijd, zou kunnen opgeven. Terecht draagt de WOR daarom op het punt van de bevoegdheden van de OR en van zijn aanspraak op faciliteiten een in beginsel dwingendrechtelijk karakter. Om deze redenen geeft dit deel aan het kabinetsvoorstel over de mogelijkheid de wettelijke bevoegdheden van de OR bij ondernemingsovereenkomst te beperken, geen steun.
Dit deel van de raad vindt verder dat de WOR nu al ruim voldoende mogelijkheden biedt om de vormgeving van de medezeggenschap (instelling en lokalisering van OR-en, GOR-en en COR) aan te passen aan uiteenlopende organisatiestructuren. Uit de evaluatieonderzoeken blijkt niet dat hier sprake zou zijn van een probleem. Hierbij is van belang dat in eerste instantie de ondernemer bepaalt wat hij voor de onderneming of het concern een wenselijke inrichting van de medezeggenschap vindt. In concerns wordt hierover doorgaans met de reeds bestaande OR-en overleg gevoerd.
Tot slot meent dit deel dat de WOR na oplossing van de eerdergenoemde praktische knelpunten bij de toepassing van de WOR in voldoende mate voorziet in de behoefte aan flexibele invulling van de medezeggenschap op ondernemingsniveau. Dit deel hecht grote betekenis aan het dwingendrechtelijke karakter van de medezeggenschap. Het gaat daarbij uit van een zienswijze op de aard van de medezeggenschap als fundamenteel recht. Daarmee verdraagt zich niet dat de OR structureel afstand zou kunnen doen van zijn rechten en bevoegdheden. Dit deel acht het dus onnodig en ongewenst dat de huidige opzet van de WOR voor een andere opzet wordt ingeruild.

Uitbreiding bevoegdheden OR
Het kabinet ziet geen reden de OR op basis van de WOR meer bevoegdheden toe te kennen en vraagt hierover de mening van de raad.
Een deel van de raad deelt de zienswijze van het kabinet. In de loop der jaren zijn de bevoegdheden van de OR reeds aanzienlijk uitgebreid. Dit geldt in het bijzonder voor het adviesrecht en het instemmingsrecht. Ook de bevoegdheden van de OR in andere regelgeving dan de WOR zijn met de jaren aanzienlijk uitgebreid. Al met al beschikt de OR naar de mening van dit deel van de raad over een ruim arsenaal van wettelijke bevoegdheden, die de OR in staat stellen tot effectieve medezeggenschap. In dit kader is mede van belang dat uit evaluatieonderzoek blijkt dat ook de meeste OR-en vinden dat zij over ruim voldoende bevoegdheden beschikken. Verdere uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden zal voor ondernemers leiden tot meer regeldruk en administratieve lasten en een negatieve invloed hebben op de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemingen. Tot slot wijst dit deel erop dat de raad over verschillende voorstellen tot uitbreiding van bevoegdheden reeds eerder verdeeld heeft geadviseerd en dat de wetgever daarover na uitvoerig debat nog in 1998 een standpunt heeft ingenomen. Dit raadsdeel acht hernieuwde discussie over uitbreiding van bevoegdheden van de OR op die punten ook om die reden niet opportuun.
Een ander deel van de raad stelt vast dat de uitkomsten van de evaluatie van de WOR geen overtuigend argument bieden voor het achterwege laten van enigerlei uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de OR. Dit deel van de raad acht een inhoudelijke benadering aangewezen bij de vraag of er aanleiding is tot uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de OR. Aard en doelstelling van de medezeggenschap brengen volgens dit deel van de raad mee dat de OR betrokken behoort te worden bij het ondernemingsbeleid dat ziet op a) ontwikkeling en voortbestaan van de onderneming en de werkgelegenheid binnen de onderneming en b) collectieve regelingen betreffende de positie van de werknemers en de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij de arbeid in de onderneming verrichten. Daarnaast moet de OR beschikken over een instrument dat hem in staat stelt op te treden als zich een impasse in de besluitvorming van de ondernemer voordoet of grond bestaat voor het vermoeden dat het beleid van de ondernemer in strijd is met fundamentele beginselen van verantwoord ondernemerschap.

Vanuit bovenstaande verschillende visies wordt binnen de raad uiteenlopend gedacht over een mogelijke uitbreiding van de bevoegdheden van de OR met:
  • een adviesrecht over de winstbestemming;
  • het recht om een enquêteverzoek in te dienen bij de Ondernemingskamer;
  • een ‘hoorrecht’ bij aanvraag van faillissement of surseance van betaling.
Ook wordt verschillend gedacht over:
  • versterking van het initiatiefrecht van de OR;
  • schrapping van de ‘buitenlandclausule’ bij het adviesrecht van de OR.

Verder wordt binnen de raad verschillend gedacht over de rol van de OR bij collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en over het instemmingsrecht van de OR ten aanzien van onderwerpen van sociale, bedrijfstechnische en bedrijfsorganisatorische aard, zoals al in 1994 tot uitdrukking kwam in het advies Het arbeidsreglement; het instemmingsrecht van de OR.

Cluster II: Openbaarheid inkomens; informatie aan en betrokkenheid van de OR bij het beloningsbeleid

Algemeen
Het kabinet vraagt naar de opvatting van de raad over het initiatiefwetsvoorstel Openbaarheid van topinkomens bij OR-plichtige ondernemingen, dat bij de Tweede Kamer in behandeling is. In zijn advies geeft de raad eerst zijn oordeel over het wetsvoorstel. Daarna formuleert hij standpunten over enkele onderwerpen die met of in relatie tot het wetsvoorstel aan de orde zijn.

De raad constateert dat het wetsvoorstel, anders dan de titel ervan aangeeft, geen betrekking heeft op de openbaarmaking van inkomens maar op informatieverstrekking aan OR en. Naar het oordeel van de raad is het wetsvoorstel moeilijk, zo niet onmogelijk uitvoerbaar. Dit heeft te maken met de brede materiële werkingssfeer, de onbepaaldheid van de gehanteerde begrippen en het zeer uitgebreide toepassingsgebied. Volgens de raad is het verplicht verstrekken in álle OR plichtige ondernemingen van informatie over de hoogte en inhoud van álle arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken niet uitvoerbaar en zal de in dit wetsvoorstel voorgestelde aanpak niet doeltreffend zijn. In dit verband wijst de raad ook op de problemen die voortvloeien uit de noodzaak om bij de in het wetsvoorstel gekozen aanpak alle aanspraken op grond van arbeidsvoorwaardelijke regelingen in een geldbedrag uit te drukken. De raad wijst om deze redenen het initiatiefwetsvoorstel Openbaarheid van topinkomens unaniem af.

De unanieme afwijzing van het wetsvoorstel laat onverlet dat binnen de raad uiteenlopende zienswijzen bestaan ten aanzien van:

  • a) de openbaarmaking van de bezoldiging van bestuurders en toezichthouders van ondernemingen;
  • b) de betrokkenheid van de OR bij het beleid inzake beloning van bestuurders en toezichthouders;
  • c) de aan de OR te verschaffen informatie over de (ontwikkeling van) beloningsverhoudingen binnen ondernemingen.

Voorafgaand aan zijn standpuntbepaling stelt de raad hierover het volgende vast.
ad a) Openbaarmaking bezoldiging bestuurders en toezichthouders. Sinds 1 september 2002 geldt dat naamloze vennootschappen die een beroep doen op de openbare kapitaalmarkt (open naamloze vennootschappen waaronder de beursgenoteerde vennootschappen) verplicht zijn informatie openbaar te maken over de bezoldiging en het aandelenbezit in de vennootschap van haar bestuurders en commissarissen.
ad b) Betrokkenheid OR bij het beleid inzake beloning bestuurders en toezichthouders.
Het door de Tweede Kamer op 9 september 2003 aangenomen wetsvoorstel tot aanpassing van de structuurregeling bevat bepalingen over de betrokkenheid van de OR bij het beleid inzake de beloning van het bestuur van de onderneming. De desbetreffende bepalingen zijn van toepassing op naamloze vennootschappen en ten dele op besloten vennootschappen; zij gelden niet voor andere rechtspersonen.
ad c) Informatie aan OR-en over de beloningsverhoudingen in de onderneming. De huidige WOR bevat enkele bepalingen met betrekking tot verstrekking van algemene en van specifieke informatie aan de OR.

Tegen de achtergrond van bovenstaande constateringen komen delen van de raad tot de volgende standpunten.
Een deel van de raad is van mening dat het toepassingsbereik van de regeling over openbaarmaking van de bezoldiging van bestuurders en toezichthouders te beperkt is, omdat inzicht in de hoogte en de structuur van de beloning van bestuurders en commissarissen niet slechts van belang is voor de verschaffers van het risicodragend vermogen van de rechtspersoon. De werkingssfeer van de bovengenoemde regeling zou zich volgens dit deel mede moeten uitstrekken tot alle rechtspersonen die op grond van de wetgeving inzake de jaarrekening verplicht zijn tot het openbaar maken van een volledige jaarrekening. Omdat niet het persoonlijke inkomen van de betrokken personen in het geding is maar uitsluitend de bezoldiging die verbonden is aan het door hen bij de rechtspersoon vervulde ambt, meent dit deel dat geen sprake is van een disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Dit deel van de raad acht een nadere regulering van de besluitvorming over het beleid betreffende de bezoldiging van bestuurders en commissarissen op haar plaats. Deze zou moeten gelden voor rechtspersonen die voor de financiering van de door hen in stand gehouden ondernemingen een beroep doen op de openbare kapitaalmarkt dan wel wegens de omvang of de aard van hun ondernemingsactiviteiten van bijzondere maatschappelijke importantie zijn. Het gaat hier om dezelfde rechtspersonen als die welke verplicht zijn een volledige jaarrekening openbaar te maken. Een deugdelijk stelsel van corporate governance vergt volgens dit deel dat de besluitvorming over het bezoldigingsbeleid niet enkel berust op samenspraak van bestuurders en commissarissen. Die besluitvorming dient haar beslag te krijgen in fiattering door degenen die de rechtspersoon als aandeelhouders of leden dragen, te weten de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) of de algemene ledenvergadering (alv) van kapitaalvennootschappen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en (ondernemende) verenigingen. Dit deel acht het ter bevordering van een evenwichtige besluitvorming ook wenselijk dat de bij de ondernemingen van de hier bedoelde rechtspersonen ingestelde OR-en in de gelegenheid worden gesteld zich in adviserende zin over het voorgestelde beloningsbeleid uit te spreken voordat de AvA of de alv daarover een besluit neemt. Hiermee is niet een adviesrecht in de zin van artikel 25 WOR bedoeld.
Dit deel van de raad acht het gewenst dat de OR wettelijk beter wordt gepositioneerd om de beloningsverhoudingen in de onderneming tot voorwerp van overleg met de ondernemer te kunnen maken en daardoor de totstandkoming van verantwoorde beloningsverhoudingen te bevorderen. Gegeven het belang van evenwichtige beloningsverhoudingen in de onderneming acht dit deel een uitdrukkelijke bepaling in de WOR op haar plaats die de ondernemer verplicht om de OR periodiek gegevens te verstrekken. Dit moet ertoe leiden dat de OR een verantwoord inzicht krijgt in de beloningsverhoudingen tussen de in de onderneming onderscheiden functiegroepen (gesplitst naar mannen en vrouwen) inclusief de categorie van de bestuurders van de onderneming en de categorie van de bestuurders en toezichthouders van de rechtspersoon die de onderneming instandhoudt. Dit moet op zodanige wijze gebeuren dat het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt gerespecteerd.

Een ander deel van de raad acht de hierboven door het voorgaande deel van de raad voorgestelde uitbreiding van de openbaarmakingsplicht noodzakelijk noch gewenst. Het merkt allereerst op dat de met een dergelijke uitbreiding beoogde openbaarheid van de beloning van bestuurders en toezichthouders niet voorkomt buiten Nederland. Nederland zou een nadelige internationaal afwijkende positie innemen alsook ondernemingen die geen beroep doen op de openbare kapitaalmarkt, vallen onder de verplichting om informatie over de individuele beloning van bestuurders en toezichthouders openbaar te maken. Dit deel ziet niet welk maatschappelijk belang een uitbreiding van de openbaarmakingsplicht tot alle rechtspersonen die verplicht zijn tot het openbaar maken van een volledige jaarrekening zou kunnen schragen en ziet daarin wel degelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Voorts acht dit deel van de raad een verdere uitbreiding van de bevoegdheden van de OR op het terrein van het bezoldigingsbeleid onwenselijk. Dit deel wenst noch vooruit te lopen op het kabinetsstandpunt ten aanzien van de code Beginselen van goede corporate governance en best practice bepalingen (van de commissie Tabaksblat) noch op de behandeling door de Eerste Kamer van het wetsvoorstel tot aanpassing van de structuurregeling. Het wijst erop dat het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel – terecht – niet voorziet in een formele rol voor de OR in de besluitvorming over de bezoldiging van bestuurders, maar uitsluitend in de verplichting de OR te informeren over het voorgenomen bezoldigingsbeleid. In feite zou de OR in het voorstel van het deel van de raad dat hiervoor aan het woord kwam standaard met informatie worden belast op een terrein waarop de OR ook in dat voorstel geen primaire rol vervult. Dit vergroot niet alleen de administratieve belasting voor de ondernemer, maar leidt ook tot extra belasting voor de OR-leden en wekt verwachtingen bij de achterban die de OR niet waar zal kunnen maken.
Tot slot is dit raadsdeel van mening dat de huidige WOR bepalingen met betrekking tot de informatieverstrekking voldoende aanknopingspunten bevatten voor een OR die dat wenst om in algemene zin geïnformeerd te worden over de beloningsverhoudingen in de onderneming. In dat verband wijst dit deel ook op de aanbeveling van 1990 van de Stichting van de Arbeid dat de ondernemer aan de OR informatie verschaft over de binnen de onderneming bestaande beloningsverhoudingen. Dit deel kan zich voorstellen dat die aanbeveling opnieuw onder de aandacht van alle betrokkenen wordt gebracht. Het acht nadere wetgeving overbodig en onwenselijk, mede omdat er ten aanzien van deze kwestie in de praktijk geen knelpunten blijken te zijn.

Cluster III: Verkiezingen en werkwijze OR

Synchronisatie OR-verkiezingen
Het kabinet stelt voor te komen tot een wettelijke regeling voor een synchronisatie van OR-verkiezingen in één week of op één dag, zoals ook in enkele andere Europese landen is geregeld. Dit zal volgens het kabinet de naleving van de WOR bevorderen.
Een deel van de raad ondersteunt het kabinetsvoorstel. Bij de uitwerking daarvan geeft het de voorkeur aan een per bedrijfstak door de bedrijfscommissie vast te stellen periode voor de OR-verkiezingen.
Een ander deel van de raad voelt niets voor het kabinetsvoorstel, onder meer omdat een dergelijk initiatief haaks staat op het bij uitstek decentrale karakter van de medezeggenschap.

Vereenvoudiging OR-verkiezingen

Het kabinet wil de procedure van kandidaatstelling voor de OR-verkiezingen vereenvoudigen door gelijktijdige indiening van kandidatenlijsten door werknemersverenigingen en werknemers mogelijk te maken en door het aantal handtekeningen dat nodig is ter ondersteuning van een ‘vrije lijst’ te verlagen van 30 naar 10.
De raad stemt met beide onderdelen van het kabinetsvoorstel in.

Procedure voor instelling van commissies
De wet bevat thans een limitatieve opsomming van de soorten commissies die een OR kan instellen en verbindt daaraan gevolgen voor de samenstelling en de bevoegdheden van elk van die typen commissies. Het kabinet wil het limitatieve karakter van de typen OR-commissies laten vervallen en het aan de OR overlaten wat voor commissies hij wil instellen.
De raad wijst het kabinetsvoorstel af. In de praktijk levert (ook naar de mening van de minister) de instelling van OR-commisies geen problemen op. Het kabinetsvoorstel zal volgens de raad wel leiden tot problemen: op onderdelen is onduidelijk welke consequenties het voorstel zal hebben en, waar dat wel duidelijk is, acht hij die consequenties onwenselijk.

OR en achterban
Volgens de adviesaanvraag blijkt de relatie tussen OR en achterban een belangrijk knelpunt te zijn bij het functioneren van de medezeggenschap in de praktijk. Het kabinet acht het primair de taak van de OR hiervoor oplossingen te vinden die aansluiten bij de omstandigheden in de onderneming. Volgens het kabinet zou de wet de OR wel moeten verplichten in zijn reglement vast te leggen over welke onderwerpen de achterban zal worden geraadpleegd en op welke wijze en onder welke voorwaarden de achterban onderwerpen op de agenda van de OR kan plaatsen.
De raad is met het kabinet van mening dat de communicatie tussen OR en achterban te wensen overlaat en dat het verstandig is daaraan aandacht te besteden. Hij acht het, anders dan het kabinet, niet wenselijk daartoe aan de OR nadere wettelijke verplichtingen op te leggen. De raad neemt zich voor bij de herdruk van het SER-Voorbeeldreglement Ondernemingsraden in de bijlagen aanbevelingen over dit onderwerp op te nemen.

OR-faciliteiten
Hoewel de adviesaanvraag geen expliciete vraag over OR faciliteiten bevat, geeft de raad een reactie op de opvatting van het kabinet dat het niet wenselijk is deze faciliteiten uit te breiden. Binnen de raad leven hierover uiteenlopende zienswijzen.
Een deel van de raad is met het kabinet van oordeel dat er geen aanleiding is tot wijziging van de faciliteitenregeling in de WOR.
Een ander deel van de raad vindt dat de huidige wettelijke regeling van de faciliteiten knelpunten vertoont en dat er reden is het wettelijk minimum aan faciliteiten op te trekken. Dit deel van de raad signaleert ook dat het recht op scholing van de personeelsvertegenwoordiging (PVT) onbevredigend is geregeld.

Cluster IV: Overige onderwerpen

Medezeggenschapspositie uitzendkrachten
Het kabinet stelt voor de termijn gedurende welke uitzendkrachten en gedetacheerden ten minste bij de inlenende onderneming werkzaam moeten zijn om medezeggenschap te kunnen uitoefenen, te verlagen van 24 naar 6 maanden. Het kabinet gaat niet in op de medezeggenschap bij de uitzendondernemingen . De raad besteedt daaraan wel aandacht.
Een deel van de raad deelt staat positief tegenover het kabinetsvoorstel over de medezeggenschap van uitzendkrachten en gedetacheerden bij de inlener. Mede omdat betrokkenen vervolgens nog moeten voldoen aan de eisen voor actief en passief kiesrecht (6, respectievelijk 12 maanden) geeft dit deel in overweging om na te gaan of een verkorting van de periode van werkzaamheid bij de inlener naar 3 maanden, verantwoord zou zijn.
Ten aanzien van de door ‘een ander deel van de raad’ gesignaleerde ‘knelpunten’ rond de medezeggenschap bij uitzendondernemingen, meent dit deel dat die knelpunten en de factoren waaraan deze dienen te worden toegeschreven nader onderzocht moeten worden, voordat een verantwoorde oplossingsrichting gekozen kan worden.
Een ander deel van de raad wijst het kabinetsvoorstel tot verkorten van de termijn van werkzaamheid bij de inlener van 24 naar 6 maanden nadrukkelijk af. Het is van mening dat de medezeggenschap primair dient te worden uitgeoefend bij de uitzendonderneming die de werkgever van de uitzendkracht is. Dit deel van de raad wijst op de administratieve lasten en andere problemen die voor uitzendondernemingen aan de naleving van de WOR zijn verbonden en doet aanbevelingen tot wetswijziging om deze problemen te verminderen.

Bedrijfscommissies
Het kabinet stelt voor dat de SER de bevoegdheid krijgt om bij de bedrijfscommissies kamers in te stellen. Verder stelt het voor dat een (hoofd)productschap kan worden aangewezen als bedrijfscommissie en dat de wettelijke verplichting om (gewijzigde) OR reglementen bij de bedrijfscommissie in te dienen komt te vervallen.
De raad stemt in met deze voorstellen van het kabinet.

Naleving instellingsplicht
Het kabinet stelt vast dat ruim 70 procent van de OR-plichtige ondernemingen daadwerkelijk een OR heeft. Het meent dat dit te ver van de gewenste volledige naleving ligt, maar is niet van mening dat naleving moet worden bevorderd door sanctiebepalingen.
De raad deelt de visie van het kabinet dat naleving van de instellingsplicht mede de verantwoordelijkheid is van de betrokkenen zelf: de ondernemer, en de werknemers in de onderneming en hun organisaties. Reeds op grond van de huidige wet kan iedere belanghebbende (waaronder individuele werknemers) de ondernemer van een OR-plichtige onderneming aanspreken op zijn verplichting om tot instelling van een OR over te gaan (artikel 36 WOR). Hiervan uitgaande is de raad met het kabinet van mening dat verbetering van de naleving van de instellingsplicht door middel van sanctiebepalingen ongewenst is. De raad is eveneens met het kabinet van mening dat goed functionerende OR-en – en PVT’s – op zich weer bijdragen aan een betere naleving van de wet. De raad stelt daarom aan ondernemers en OR-en informatie beschikbaar, waaronder het SER-Voorbeeldreglement ondernemingsraden en de SER-Leidraad personeelsvertegenwoordiging , die behulpzaam kunnen zijn bij het functioneren van de medezeggenschap in de praktijk. Hij neemt zich voor bij gelegenheid van de te verwachten wijziging van de WOR het Voorbeeldreglement ondernemingsraden en de Leidraad personeelsvertegenwoordiging te herzien.