Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2003 | De rol van de werknemers in de Europese Vennootschap

De rol van de werknemers in de Europese Vennootschap

Advies 2003/08 - 20 juni 2003

Over de totstandkoming van een statuut voor de Europese vennootschap (ook wel: Societas Europaea, of kortweg: SE) is in Europees verband meer dan dertig jaar gedebatteerd. Doel van totstandbrenging van de SE is het creëren van een niet-lidstaatgebonden rechtsvorm voor vennootschappen met grensoverschrijdende activiteiten.

Download:Volledig advies (2388 kB)Samenvatting (157 kB)

Samenvatting


Totstandkoming van de ‘Europese vennootschap’ (SE)
Over de totstandkoming van een statuut voor de Europese vennootschap (ook wel: Societas Europaea, of kortweg: SE) is in Europees verband meer dan dertig jaar gedebatteerd. Doel van totstandbrenging van de SE is het creëren van een niet-lidstaatgebonden rechtsvorm voor vennootschappen met grensoverschrijdende activiteiten. De EG-Verordening voor het statuut van de SE geeft regels voor de vennootschapsrechtelijke aspecten van deze nieuwe rechtsvorm. De EG-Richtlijn met betrekking tot de rol van de werknemers in de SE vult de Verordening aan. De Richtlijn is onlosmakelijk verbonden met de Verordening. Op grond van de Verordening is oprichting van een SE niet mogelijk zonder dat toepassing is gegeven aan de Richtlijn over de rol van de werknemers. De Verordening heeft rechtstreekse werking in de lidstaten, maar behoeft op enkele onderdelen uitvoering. De Richtlijn moet worden omgezet in nationale wetgeving. De Verordening en de Richtlijn zijn op 8 oktober 2001 door de Europese Raad van Ministers vastgesteld. De uitvoering van de Verordening en de implementatie van de Richtlijn moeten op 8 oktober 2004 zijn afgerond.

Adviesaanvraag
Over de implementatie van de Richtlijn heeft het kabinet medio november 2002 bij brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het advies van de SER gevraagd. De adviesaanvraag bevat tien concrete beleidsvoornemens. Het kabinet heeft de SER (hierna ook: de raad) niet om advies gevraagd over de uitvoering van de Verordening. Het ministerie van Justitie heeft eind maart 2003 via zijn website een ‘ambtelijk voorontwerp’ voor een wetsvoorstel tot uitvoering van de Verordening (hierna ook: het voorontwerp) en een bijbehorende memorie van toelichting (hierna: mvt) openbaar gemaakt en eenieder de gelegenheid geboden daarop te reageren.

Verordening voor het statuut van de SE
Een SE kan worden opgericht door fusie, of door instelling van een holding of een dochteronderneming. De n.v. met een dochteronderneming of vestiging in een andere lidstaat kan zich omzetten in een SE. Kenmerk van alle oprichtingswijzen is dat al vóór oprichting van de SE sprake moet zijn van een communautaire dimensie: bij oprichting van een SE zijn altijd ten minste twee vennootschappen betrokken die ressorteren onder het recht van verschillende lidstaten.
Voor de bestuurlijke inrichting van de SE hebben de oprichters de keuze tussen een monistisch model, waarin er alleen een bestuursorgaan is, of een dualistisch model, waarin naast een leidinggevend orgaan ook een toezichthoudend orgaan fungeert. Een communautair fiscaal regime voor de SE ontbreekt. De Europese Commissie heeft aangekondigd de fiscale problemen die samenhangen met de SE te willen aanpakken.

Richtlijn over de rol van de werknemers in de SE
Kern van de Richtlijn is dat bij oprichting van een SE de rol van de werknemers onderwerp van onderhandeling moet zijn tussen de oprichtende vennootschappen en een ‘bijzondere onderhandelingsgroep’ van werknemers (hierna ook: de bog). De Richtlijn stelt die onderhandelingen voorop en laat grote vrijheid bij het tot stand brengen van een overeenkomst. Indien de oprichters van de SE niet binnen zes maanden met de bog tot overeenstemming komen, kunnen zij de oprichting van de SE alleen effectueren met toepassing van door de lidstaten op te stellen zogenoemde referentievoorschriften die voldoen aan de Bijlage bij de Richtlijn. De Bijlage bevat bepalingen over het vertegenwoordigingsorgaan van de SE (deel 1), over informatie en raadpleging van de werknemers (deel 2) en over medezeggenschap (deel 3).
De Richtlijn verstaat onder ‘de rol van de werknemers’ elke procedure, met inbegrip van informatie, raadpleging en medezeggenschap, die de vertegenwoordigers van werknemers in staat stelt invloed uit te oefenen op binnen de SE te nemen besluiten. De Richtlijn bedoelt met medezeggenschap niet het brede begrip medezeggenschap zoals wij dat in Nederland kennen, maar de vennootschappelijke medezeggenschap: de invloed van werknemers op de samenstelling van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE via het recht om een aantal leden daarvan te kiezen of te benoemen, dan wel via het recht om bij de benoeming van een aantal of alle leden aanbevelingen te doen of bezwaar te maken.

Algemene beschouwing van de raad
De Verordening en de Richtlijn zijn in oktober 2001 vastgesteld. De inhoud van beide is een gegeven en staat in dit advies niet ter discussie. Dat ligt anders voor de beleidsvrijheid die de Verordening en de Richtlijn de lidstaten laten voor verdere uitwerking van die inhoud. De SER-commissie die het advies voor de raad heeft voorbereid, is gestuit op een aantal vragen en aandachtspunten bij de kabinetsvoornemens voor implementatie van de Richtlijn en bij de nauwe samenhang tussen Richtlijn en Verordening. De raad brengt een aantal van deze vragen en aandachtspunten onder de aandacht van kabinet en wetgever Over een deel daarvan is de raad unaniem. Over een drietal aandachtspunten wordt verschillend gedacht.

Samenhang Verordening, Richtlijn en Bijlage daarbij
De raad constateert dat er een belangrijke materiële samenhang is tussen Verordening en Richtlijn. De Verordening regelt de vennootschapsrechtelijke aspecten van de SE. De Richtlijn en de Bijlage daarbij geven regels over onder meer de medezeggenschap, die gestalte krijgt in de invloed van werknemers op de samenstelling van het in de Verordening geregelde toezichthoudend of bestuursorgaan van de SE via het recht om een aantal leden daarvan te kiezen of te benoemen, dan wel via het recht om bij de benoeming van een aantal of alle leden aanbevelingen te doen of bezwaar te maken.

Wetgevingstraject
Voor de implementatie van de Richtlijn is een wetsvoorstel in voorbereiding bij het ministerie van SZW. Voor de uitvoering van de Verordening bereidt het ministerie van Justitie een wetsvoorstel voor. Het kabinet wenst de wetsvoorstellen tegelijkertijd in te dienen bij het parlement. De raad acht het wenselijk dat daaraan voorafgaand goede afstemming plaatsvindt die recht doet aan de samenhang tussen de wetsvoorstellen.
Daarnaast wijst de raad erop dat het van belang is om bij de keuzes die moeten worden gemaakt de systematiek en de eenheid brengende strekking van Richtlijn en Verordening in het oog te houden, maar ook te streven naar consistentie tussen de tot stand te brengen SE-wetgeving enerzijds en de relevante geldende Nederlandse wetgeving anderzijds. Dat laatste omvat eveneens consistentie in het gebruik van de beleidsvrijheid die de Verordening en de Richtlijn bieden. Ten slotte merkt de raad op dat een keuze van de wetgever om van die vrijheid gebruik te maken door het stellen van uitvoeringsregels gevolgen kan hebben voor de door de Richtlijn beoogde onderhandelingen over de bestuurs- en medezeggenschapsstructuur van de SE.

Bestuurlijke inrichting en medezeggenschap bij de SE
De lidstaten moeten de oprichters van de SE de keuze bieden tussen een monistische (alleen een bestuursorgaan) dan wel een dualistische bestuursstructuur (leidinggevend orgaan en toezichthoudend orgaan). Het Nederlandse vennootschapsrecht biedt ruimte voor beide varianten, al is het dualistische stelsel aanmerkelijk beter uitgewerkt dan het monistische stelsel. Bij de ‘gewone’ Nederlandse naamloze en besloten vennootschap (hierna: n.v. en b.v.) is instelling van een toezichthoudend orgaan (de raad van commissarissen (RvC)) facultatief.
Voor ‘grote’ Nederlandse n.v.’s en b.v.’s die vallen onder de zogenoemde structuurregeling is een RvC evenwel verplicht. De RvC van een dergelijke ‘structuurvennootschap’ beschikt krachtens de wet over bepaalde bevoegdheden, zoals benoeming en ontslag van bestuurders van de vennootschap en de goedkeuring van bepaalde categorieën bestuursbesluiten. De werknemers kunnen – naast het bestuur en de aandeelhouders – via de OR invloed uitoefenen op de samenstelling van deze RvC. De OR kan kandidaten voor benoeming aanbevelen en op grond van gewichtige redenen bezwaar maken tegen een door de RvC voorgenomen commissarisbenoeming.

De SE wordt een afzonderlijke rechtsvorm naast de Nederlandse n.v. en b.v. Op de SE zijn de bepalingen van de Verordening rechtstreeks van toepassing. Waar de Verordening geen (volledige) regeling geeft, gelden de wettelijke voorschriften die Nederland zal vaststellen ter uitvoering van de Verordening, alsmede de wettelijke voorschriften die gelden voor de ‘gewone’ Nederlandse n.v. Dit betekent dat voor de ‘grote’ SE niet van rechtswege (de) bepalingen van de structuurregeling gelden.

De werknemers van de SE kunnen niet met een beroep op het nationale recht medezeggenschap in de organen van de SE claimen. Of en in welke zin aan de werknemers van de SE medezeggenschapsrechten toekomen, bepaalt in eerste instantie de overeenkomst tussen oprichters en bog. Komt er geen overeenkomst tot stand, dan kan medezeggenschap aan de werknemers toekomen op grond van door de lidstaten op te stellen ‘referentievoorschriften’.Deze dienen onder meer aan te geven welke medezeggenschapsregels gelden als partijen daar niet bij overeenkomst uitkomen. Bij medezeggenschap op basis van de referentievoorschriften zijn de vóór oprichting van een SE overeenkomstig de nationale wetgeving bestaande medezeggenschapsrechten uitgangspunt voor de invulling van de medezeggenschap van de werknemers in de SE. Voor omzetting van een bestaande n.v. in een SE bepaalt de Bijlage bij de Richtlijn dat alle elementen van de werknemersmedezeggenschap die van toepassing waren op de n.v., van toepassing blijven op de SE. Indien er vóór de inschrijving van de SE voor geen van de deelnemende vennootschappen medezeggenschapsregels golden, hoeft de SE geen voorschriften voor medezeggenschap van de werknemers in te voeren. Voor andere gevallen van oprichting van een SE, namelijk door fusie, door instelling van een holding of door instelling van een dochteronderneming laat de Richtlijn, indien er in de diverse deelnemende vennootschappen meer dan één vorm van medezeggenschap bestond, de keuze voor de medezeggenschapsvorm bij de bog. Met medezeggenschapsvorm is bedoeld het recht om hetzij een aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan te kiezen of te benoemen, hetzij met betrekking tot een aantal of alle leden daarvan aanbevelingen te doen of bezwaar te maken. Vervolgens geeft de Bijlage bij de Richtlijn ‘rekenkundige regels’ die bepalen voor welk aantal leden van het toezichthoudend of bestuursorgaan die medezeggenschapsvorm geldt. Indien de bog de hiervoor bedoelde keuze niet maakt, kan een lidstaat regels geven die, bij gebreke van die keuze, voor een op zijn grondgebied ingeschreven SE van toepassing zijn.

Deze beschouwingen brengen de raad tot de volgende aanbevelingen. Aan het begrip ‘vormen van medezeggenschap’ wordt in de literatuur geen eenduidige interpretatie gegeven. De wetgever zou op dit fundamentele punt, in samenspraak met de andere lidstaten, duidelijkheid moeten scheppen. Daarnaast zou de wetgever moeten aangeven volgens welke procedures wordt vastgesteld hoe de werknemers hun medezeggenschapsrechten geldend kunnen maken, indien de bog de eerder bedoelde keuze niet maakt.
Voorts constateert de raad dat de Richtlijn en de Bijlage, waar het gaat om het ‘meetellen’ van de werknemers van dochterondernemingen van de SE (in oprichting), niet consequent lijken te zijn. Hij verzoekt het kabinet voor deze kwestie aandacht te vragen in het Europese overleg.
Tot slot vraagt de raad aandacht voor artikel 11 van de Richtlijn. Deze bepaling draagt de lidstaten op maatregelen te nemen om te voorkomen dat de oprichtingsprocedure van een SE wordt misbruikt om aan werknemers rechten met betrekking tot de rol van de werknemers te ontnemen of te ontzeggen. Noch de Verordening, noch de Richtlijn, noch de Nederlandse wetgeving verbiedt herstructurering van de SE of van het concern waarvan de SE deel uitmaakt of deel uit gaat maken, ook niet indien een dergelijke herstructurering consequenties heeft voor de rechten van werknemers. Een herstructurering levert niet reeds misbruik op omdat zij de rechten van werknemers bekort. Onder omstandigheden kan evenwel een dergelijke herstructurering voorafgaand aan de oprichting van een SE dan wel binnen korte tijd volgend op die oprichting de vraag oproepen of deze in overeenstemming is met het beginsel dat artikel 11 van de Richtlijn tot uitdrukking brengt.

Bestuurlijke inrichting en medezeggenschap bij de dualistische SE
De Verordening neemt tot uitgangspunt dat het leidinggevend orgaan van de SE wordt benoemd en ontslagen door het toezichthoudend orgaan. De lidstaten kunnen echter bepalen of toestaan dat benoeming en ontslag plaatsvinden door de aandeelhoudersvergadering (AvA). Volgens het ‘ambtelijk voorontwerp’ komt de bevoegdheid tot benoeming en ontslag toe aan het toezichthoudend orgaan, tenzij de statuten bepalen dat de AvA daartoe bevoegd is.

Ingevolge de Verordening is het aan de statuten van de SE te bepalen voor welke categorieën besluiten het leidinggevend orgaan de goedkeuring nodig heeft van het toezichthoudend orgaan. De lidstaten kunnen voorschrijven welke categorieën besluiten de SE in elk geval in haar statuten moet onderwerpen aan die goedkeuring. Een bepaling over de goedkeuring van besluiten komt in het voorontwerp niet voor. Het voorontwerp volgt hiermee de hoofdregel van de Verordening.

Voor het geval de oprichters van de SE en de bog een overeenkomst sluiten over de medezeggenschap van werknemers, waartoe ook afspraken kunnen behoren over de taken en bevoegdheden van het toezichthoudend orgaan, acht de raad geen wettelijke voorziening nodig over bepaalde substantiële bevoegdheden voor het toezichthoudend orgaan.

Voor het geval er geen overeenkomst tot stand komt (en dus door Nederland op te stellen referentievoorschriften van toepassing zijn) is een deel van de raad (1) van mening dat de wetgever bij SE’s die aan zekere groottecriteria voldoen, niet kan volstaan met hetgeen nu in het voorontwerp wordt voorgesteld. Met het oog op het doelmatig functioneren van bestuur en toezicht acht dit deel van belang dat het toezichthoudend orgaan in de hier bedoelde situatie wordt toegerust met substantiële bevoegdheden. Daarmee zou tevens recht worden gedaan aan het feit dat de medezeggenschap bij de dualistische SE gestalte krijgt in de invloed die de werknemers kunnen uitoefenen op de samenstelling van dat toezichthoudend orgaan.
Tot de substantiële bevoegdheden van het toezichthoudend orgaan zouden naar het oordeel van dit deel moeten behoren de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van het leidinggevend orgaan en de bevoegdheid tot goedkeuring van bepaalde belangrijke besluiten van dat orgaan.

Anders dan het voorontwerp nu doet, zou de wetgever voor de hier bedoelde situatie dan ook het uitgangspunt van de Verordening moeten volgen dat het toezichthoudend orgaan de leden van het leidinggevend orgaan benoemt, waarbij dit deel een uitzondering wil maken voor het geval de SE een afhankelijke maatschappij is dan wel een jointventure vennootschap. Voorts zou de wetgever voor de hier bedoelde situatie gebruik moeten maken van de door de Verordening geboden optie dat de lidstaten kunnen bepalen welke besluiten van het leidinggevend orgaan de SE in haar statuten ten minste moet onderwerpen aan goedkeuring van het toezichthoudend orgaan.
Door – voor de hier besproken situatie – zeker te stellen dat deze bevoegdheden aan het toezichthoudend orgaan toekomen, onderstreept de wetgever de centrale functie van dit orgaan in het besluitvormingssysteem van de SE met een duale structuur. Deze benadering acht dit deel consistent met de Verordening alsook met de Nederlandse structuurregeling, waar dezelfde hiervóór weergegeven overwegingen een rol hebben gespeeld: enerzijds een goede toerusting van bestuur en toezicht en anderzijds de wetenschap dat het toezichthoudend orgaan in het dualistische stelsel de weg is waarlangs werknemers medezeggenschap kunnen uitoefenen en dat daarom dat orgaan met substantiële bevoegdheden toegerust moet zijn.

Een ander deel van de raad
(2) stelt vast dat de Verordening nadrukkelijk de mogelijkheid openlaat dat niet het toezichthoudend orgaan maar de AvA het leidinggevend orgaan benoemt. De Verordening stelt daarmee buiten twijfel dat het voor het door overweging 14 van de Verordening verlangde deugdelijk toezicht niet noodzakelijk is dat de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van de leden van het leidinggevend orgaan toevalt aan het toezichthoudend orgaan. Dit deel van de raad steunt dan ook de mogelijkheid die het voorontwerp biedt om in de statuten van de SE te bepalen dat de AvA de leden van het leidinggevend orgaan benoemt en ontslaat. Dit deel verzet zich voorts tegen de suggestie dat Nederland zou moeten voorschrijven welke bestuursbesluiten een SE ten minste in haar statuten moet onderwerpen aan goedkeuring van het toezichthoudend orgaan. De Verordening laat het aan de statuten van de SE over te bepalen of en zo ja voor welke handelingen van het leidinggevend orgaan de goedkeuring van het toezichthoudend orgaan nodig is. Ook in het voorontwerp komt een bepaling over goedkeuring van besluiten van het leidinggevend orgaan niet voor. Het voorontwerp volgt in beide hiervoor genoemde gevallen naar het oordeel van dit deel terecht het algemene uitgangspunt om, waar de Verordening Nederland beleidskeuzes laat, zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wettelijke bepalingen die gelden voor de gewone n.v.
Voor beide besproken kwesties merkt dit deel nog het volgende op. De raad stelt in dit advies op diverse plaatsen vast dat de structuurregeling niet op de SE van toepassing is. Bij die stand van zaken gaat het (naar de mvt bij het voorontwerp terecht aangeeft) niet aan om (elementen ontleend aan) dat regime op de SE van toepassing te verklaren. Een dergelijke benadering wringt temeer, nu het (huidige) structuurregime berust op een afweging van een aantal verschillende belangen die bij het functioneren van een grote n.v. of b.v. betrokken zijn en niet slechts op het belang van werknemers bij een goed functionerende medezeggenschap: de wetgever heeft in dat regime beoogd om naast de werknemersbelangen uitdrukkelijk ook de belangen van (onder meer) de kapitaalverschaffers zoveel mogelijk te waarborgen.
Daarnaast tekent dit deel van de raad aan dat het vanuit het belang dat Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats dient te zijn voor SE’s uiterst onwenselijk is dat bepaalde elementen ontleend aan de structuurregeling van toepassing zouden zijn voor de in Nederland gevestigde SE. En ten slotte wijst dit deel van de raad erop dat een wettelijke (minimum)regeling op dit punt de door de Richtlijn voorziene onderhandelingen zou kunnen beïnvloeden, hetgeen dit deel in het licht van het uitgangspunt van de Richtlijn dat medezeggenschap door onderhandelingen gestalte moet krijgen, onwenselijk acht.

Concernvrijstellingen
De structuurregeling geldt voor ‘grote’ naamloze en besloten vennootschappen naar Nederlands recht die voldoen aan de criteria die de wet stelt. Een n.v. of b.v. die niet wettelijk verplicht is het structuurregime toe te passen, kan dat op basis van vrijwilligheid doen. Zij kan daarbij kiezen voor het volledige dan wel het beperkte regime en in dat laatste geval de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van bestuurders en vaststelling van de jaarrekening opdragen aan de AvA. Volgens de structuurregeling behoeven ‘dochtervennootschappen’ van een structuurvennootschap niet zelf het structuurregime toe te passen: de werknemers van de dochters oefenen hun aanbevelings- en bezwaarrechten uit op het niveau van de moeder-structuurvennootschap. De Bijlage bij de Richtlijn bevat voor de uitoefening van medezeggenschapsrechten bij de SE een soortgelijke regeling.
Het ambtelijk voorontwerp voorziet niet in concernvrijstellingen voor dochtervennootschappen van een SE die de structuurregeling toepast. De mvt werpt evenwel de vraag op of en zo ja onder welke voorwaarden een dergelijke vrijstellingsregeling zou moeten gelden.

Een deel van de raad
(3) ziet een bezwaar in het feit dat een Nederlandse vrijstellingsregeling alleen geldt voor de Nederlandse structuurvennootschappen die dochter zijn van de SE en niet voor de buitenlandse dochters met een vergelijkbaar medezeggenschapssysteem. De werknemers van die dochterondernemingen behouden hun medezeggenschap bij de in het desbetreffende land gevestigde dochters van de SE. De Nederlandse werknemers daarentegen zouden hun medezeggenschap in de Nederlandse dochter-structuurvennootschap(pen) moeten inleveren voor medezeggenschap in de SE, die zij moeten delen met werknemers van buitenlandse vennootschappen wier belangen niet steeds sporen met die van de Nederlandse dochtervennootschappen en hun werknemers. Dit deel meent dat volledige vrijstelling daarom leidt tot onevenwichtigheid, die nog verder zou toenemen als het vrijstellingsregime niet alleen van toepassing zou zijn bij aanvaarding door de SE van het Nederlandse structuurregime, maar ook bij aanvaarding van een qua niveau van medezeggenschap gelijkwaardig buitenlands (of ‘eigen’) regime. Volledige vrijstelling voor Nederlandse dochters van een SE die de structuurregeling (of een daaraan qua medezeggenschap gelijkwaardig te achten ander regime) toepast zou daarom naar het oordeel van dit deel van de raad slechts in aanmerking kunnen komen in het kader van een in EU-verband gecoördineerde regeling. Wel aanvaardbaar acht dit deel een nader in de wet uit te werken gedeeltelijke vrijstelling van de structuurregeling voor Nederlandse dochters ter wille een door de SE te voeren concernbeleid.

Een ander deel van de raad (
4) is voorstander van een systeem van volledige vrijstellingen voor het concern van de SE. Van een dergelijk systeem kan een belangrijke stimulans uitgaan naar de onderhandelingen tussen bog en SE, voorzover in die onderhandelingen aansluiting wordt gezocht bij de medezeggenschapsregeling die zijn neerslag heeft gevonden in het structuurregime. Daarnaast is wenselijk dat de SE een concernbeleid kan voeren en dat Nederland voor de SE als vestigingsland aantrekkelijk is. Een vrijstellingsregeling dient er rekening mee te houden dat op de SE de Nederlandse structuurregeling niet van rechtswege van toepassing is, en dat, indien de SE het structuurregime wel toepast, dit gebeurt op basis van – volledig vrije – afspraken tussen oprichters en bog. Voorzover het gaat om toepassing door de SE van de Nederlandse structuurregeling dienen aan de SE geen strengere eisen te worden gesteld dan aan de Nederlandse n.v. en b.v. die vrijwillig de structuurregeling toepassen. Volgens de vrijstellingsregeling in de structuurregeling kunnen deze n.v. en b.v., om te bewerkstelligen dat hun afhankelijke maatschappijen worden vrijgesteld, volstaan met toepassing van het verzwakte regime. Het ligt dan niet voor de hand de SE tot meer te verplichten. Bovendien zou de wetgever moeten bezien of er belemmeringen zijn om vrijstellingen niet alleen te verlenen bij aanvaarding door de SE van het Nederlandse structuurregime, maar ook van een buitenlands of ‘eigen’ medezeggenschapsregime dat niet onderdoet voor het niveau van de medezeggenschap in de structuurregeling.

Bestuurlijke inrichting en medezeggenschap bij de monistische SE
In de literatuur is de vraag opgeworpen of de (summiere) uitwerking van de Verordening in het voorontwerp en de beknopte regeling van de monistische bestuursstructuur in de Nederlandse wetgeving wel voldoende zijn voor een gedegen bestuurlijke inrichting van de monistische SE.
De raad meent dat het nadere overweging verdient of een goede bestuurlijke inrichting van de monistische SE op onderdelen uitwerking vraagt van de thans geldende Nederlandse wetgeving voor de n.v.

De raad constateert dat de mvt bij het ‘ambtelijk voorontwerp’ voor een wetsvoorstel tot uitvoering van de Verordening beschrijft dat het Nederlandse recht twee vormen kent van ‘medezeggenschap’ in de betekenis van de Richtlijn. Voor medezeggenschap bij de samenstelling van de RvC van een n.v. of b.v. wijst de mvt op de structuurregeling. Voor de medezeggenschap bij de samenstelling van het bestuur van een n.v. of b.v. gaat het volgens de mvt om “het adviesrecht van de ondernemingsraad over voorgenomen besluiten tot benoeming of ontslag van een bestuurder (artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden)”.

De raad meent dat de interpretatie die de mvt geeft van artikel 30 WOR niet juist is. Het adviesrecht van de OR bij benoeming of ontslag van de ‘bestuurder’ van de onderneming in de zin van de WOR impliceert niet dat de OR medezeggenschap heeft ten aanzien van de samenstelling van het bestuursorgaan van de vennootschap. Dat betekent dat dit adviesrecht van de OR, anders dan de mvt veronderstelt, niet de betekenis heeft van ‘medezeggenschap’ in de zin van de Richtlijn.

De raad constateert voorts dat, voor het geval de oprichters van de SE en de bog een overeenkomst sluiten over de medezeggenschap van werknemers, waartoe ook afspraken kunnen behoren over de taken en bevoegdheden van het bestuursorgaan, geen wettelijke voorziening nodig is over uitdrukkelijke besluitvorming voor bepaalde bestuurshandelingen.

Voor het geval er geen overeenkomst tot stand komt (en dus door Nederland op te stellen referentievoorschriften van toepassing zijn) is een deel van de raad (5) van mening dat de wetgever bij SE’s die aan zekere groottecriteria voldoen, niet kan volstaan met hetgeen nu in het voorontwerp wordt voorgesteld. Met het oog op een doelmatige en deugdelijke bestuurlijke inrichting van de monistische SE dient volgens dit deel bij belangrijke aangelegenheden van de SE collegiale besluitvorming door het bestuursorgaan wettelijk te worden gewaarborgd. In het monistische stelsel zijn de leidinggevende functie en toezichtfunctie immers in dat (ene) bestuursorgaan verenigd. Daarmee zou tevens recht worden gedaan aan het feit dat de medezeggenschap bij de monistische SE gestalte krijgt in de invloed die de werknemers kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuursorgaan.
De Verordening bepaalt dat de statuten van de monistische SE de categorieën handelingen noemen waarover het bestuursorgaan (zelf) een ‘uitdrukkelijk besluit’ moet nemen. Strekking van die bepaling is dat de besluitvorming ten aanzien van die aangelegenheden niet kan worden gedelegeerd aan een of meer bestuurders (of aan een derde). De Verordening biedt de lidstaten de mogelijkheid te bepalen welke categorieën handelingen de statuten van de monistische SE ten minste moeten onderwerpen aan ‘uitdrukkelijke besluitvorming’ door het bestuursorgaan. In het ambtelijk voorontwerp komt een dergelijke bepaling niet voor. Dit deel van de raad is evenwel van mening dat de Nederlandse wetgever, voor de hier bedoelde situatie, gebruik zou moeten maken van de door de Verordening geboden optie, en voor de monistische SE in de wet een aantal bestuursbesluiten zou moeten noemen waarvoor plenaire besluitvorming door het bestuursorgaan nodig is.

Een ander deel van de raad (6) onderschrijft dat de bestuurlijke inrichting dient te voldoen aan de waarborgen die overweging 14 van de Verordening verlangt – een efficiënt bestuur en een deugdelijk toezicht – maar meent dat de Verordening de door overweging 14 verlangde waarborgen zelf voldoende uitwerkt in titel III over de structuur van de SE. De Verordening bepaalt in artikel 48 dat de statuten van de monistische SE de categorieën handelingen noemen waarvoor het bestuursorgaan een uitdrukkelijk besluit moet nemen en laat het aldus aan de statuten over te bepalen of en zo ja voor welke handelingen uitdrukkelijke besluitvorming nodig is. Het voorontwerp volgt in dezen de hoofdregel, in lijn met het algemene uitgangspunt van het voorontwerp om, daar waar de Verordening Nederland beleidskeuzes laat, zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wettelijke bepalingen die gelden voor de gewone n.v., welke geen voorschrift bevatten over uitdrukkelijke besluitvorming voor bepaalde bestuurshandelingen. Daarnaast wijst dit deel van de raad erop dat een wettelijke (minimum)regeling op dit punt de door de Richtlijn voorziene onderhandelingen zou kunnen beïnvloeden, hetgeen dit deel in het licht van het uitgangspunt van de Richtlijn dat medezeggenschap door onderhandelingen gestalte moet krijgen, onwenselijk acht.

De adviesaanvraag en de visie van de raad
Vanuit het oogpunt van consistentie van beleid en wetgeving stelt het kabinet in de adviesaanvraag voor bij implementatie van de Richtlijn zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Wet op de Europese ondernemingsraden (WEOR). Die wet en de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn EOR berusten op eenzelfde benadering als de Richtlijn SE, namelijk een ‘contractmodel’ met een ‘vangnet’ op basis van de wet.

Visie van de raad op kabinetsvoorstellen voor bijzondere onderhandelingsgroep
Het kabinet stelt voor om de wijze van verkiezing of aanwijzing van leden van de bijzondere onderhandelingsgroep (bog) te laten aansluiten op de overeenkomstige regeling voor de bog in de WEOR. De raad stemt daarmee in. Dit houdt voor de in Nederland gevestigde ondernemingen en vestigingen in dat de aanwijzing van bog-leden plaatsvindt door de bij die ondernemingen of vestigingen ingestelde ondernemingsraden. Waar een centrale of groepsondernemingsraad is ingesteld berust die bevoegdheid bij die ondernemingsraad, met dien verstande dat werknemers voor wie een OR is ingesteld die niet is vertegenwoordigd in een centrale ondernemingsraad of groepsondernemingsraad, hun rechten inzake de aanwijzing van de leden van de bog via hun eigen OR geldend maken.

Waar geen OR is ingesteld vindt verkiezing of aanwijzing plaats door de gezamenlijke in Nederland werkzame werknemers.
De raad stemt ook in met het kabinetsvoorstel om voor verkiezing of aanwijzing van leden van de bog door de betrokken OR-en en werknemers aan te sluiten bij de regeling in de WEOR die er ruimte voor laat dat van de bog ook vertegenwoordigers van vakbonden – ongeacht of deze leden hebben onder het personeel – dan wel andere derden lid kunnen zijn.
Eveneens stemt de raad in met het kabinetsvoorstel dat de vergoeding van kosten van door de bog geraadpleegde deskundigen wordt afgestemd op de regeling in de WEOR. Dit betekent dat de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de taakvervulling van de bog, ten laste komen van de SE; voor de kosten van het raadplegen van een of meer deskundigen geldt dit slechts indien het bestuur van de SE vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten.

Visie van de raad op kabinetsvoorstellen over vertegenwoordigingsorgaan van SE
De raad onderschrijft het kabinetsvoorstel om voor de wijze van verkiezing of aanwijzing van de leden van het vertegenwoordigingsorgaan van de SE aan te sluiten bij de overeenkomstige regeling voor de Europese ondernemingsraad (EOR) in de WEOR. Alleen werknemers van de SE en haar concern kunnen als lid van het vertegenwoordigingsorgaan van de SE worden aangewezen of verkozen. Voor de financiering van de kosten van door het vertegenwoordigingsorgaan geraadpleegde deskundigen stelt de raad een ruimere regeling voor dan het kabinet, dat wil aansluiten bij het criterium ‘één deskundige per agendaonderwerp’ dat gebruikt wordt in de verwante bepaling in de WEOR. De raad vindt dat dit criterium onvoldoende onderscheidend vermogen heeft. Hij meent dat de eis dat de te maken kosten ‘redelijkerwijze noodzakelijk’ moeten zijn, tezamen met de eis dat het leidinggevend orgaan van de SE vooraf van die kosten in kennis dient te zijn gesteld, voor de praktijk voldoende houvast biedt.
De raad kan zich verenigen met het kabinetsvoorstel het voorzitterschap van een informatie- en raadplegingsvergadering afwisselend te laten bekleden door het leidinggevend of bestuursorgaan en het vertegenwoordigingsorgaan van de SE, tenzij partijen daar zelf een andere afspraak over maken.

Visie van de raad op kabinetsvoorstellen over toepassing van de Bijlage bij de Richtlijn
Het kabinet is van mening dat de bepalingen over ‘medezeggenschap’ in de betekenis van de Richtlijn, die zijn opgenomen in deel 3 van de Bijlage bij de Richtlijn, ook in geval van fusie van toepassing moeten zijn. De raad is het hiermee eens, mede op grond van de samenhang tussen de Richtlijn en de Verordening.
Verder constateert de raad dat het kabinet geen voorschriften zal geven over de verdeling van aan Nederland toegewezen zetels in het toezichthoudend of bestuursorgaan van een SE. Het kabinet wil het aan de gezamenlijke ondernemingsraden en werknemers van het Nederlandse ‘compartiment’ van de SE overlaten om te komen tot een afvaardiging van de Nederlandse werknemers in het bestuurs- of toezichthoudend orgaan.
De raad signaleert dat zich daarbij in de praktijk allerlei varianten kunnen voordoen.

Hij bepleit voor de uitoefening van de bevoegdheid tot benoeming en aanbeveling en bezwaar bij de samenstelling van het bestuurs- of toezichthoudend orgaan van de SE, een regeling die overeenkomt met de eerder in dit advies aanbevolen regeling van de WEOR voor de uitoefening van de bevoegdheid tot aanwijzing van leden van de bog en het vertegenwoordigingsorgaan van de SE.

Visie van de raad op overige kabinetsvoorstellen in de adviesaanvraag
Het kabinet is niet van plan om weigering van informatie door het leidinggevend orgaan van een SE te onderwerpen aan voorafgaande toestemming van een administratieve of rechterlijke instantie. Het gaat daarbij om informatie die, bij bekendmaking, het functioneren van de SE of haar dochterondernemingen en vestigingen ernstig zou belemmeren of schaden. Wel wordt voorzien in een mogelijkheid om een dergelijke weigering achteraf aan de rechter voor te leggen. De raad stemt in met het standpunt van het kabinet en meent eveneens dat een repressieve correctiemogelijkheid de voorkeur verdient boven een preventieve correctiemogelijkheid.
Ten slotte stemt de raad ook in met het voorstel van het kabinet een regeling te treffen om de representativiteit van bog en het vertegenwoordigingsorgaan van de SE te waarborgen in overeenstemming met de desbetreffende regeling in de WEOR.
  1. Bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden mevrouw prof.mr. I.P. Asscher-Vonk, prof.dr. A.F.P. Bakker, mevrouw prof.dr. J.M. Cramer, prof.dr. C. van Ewijk, prof.dr. K.P. Goudswaard, prof.dr. A.H.J. Kolnaar, prof.dr. J.M.G. Leune, R.L.O. Linschoten, dr. M.L. Wilke en dr. H.H.F. Wijffels.
  2. Bestaande uit de ondernemersleden.
  3. Bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden mevrouw prof.mr. I.P. Asscher-Vonk, prof.dr. A.F.P. Bakker, mevrouw prof.dr. J.M. Cramer, prof.dr. C. van Ewijk, prof.dr. K.P. Goudswaard, prof.dr. A.H.J. Kolnaar, prof.dr. J.M.G. Leune, R.L.O. Linschoten, dr. M.L. Wilke en dr. H.H.F. Wijffels.
  4. Bestaande uit de ondernemersleden.
  5. Bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden mevrouw prof.mr. I.P. Asscher-Vonk, prof.dr. A.F.P. Bakker, mevrouw prof.dr. J.M. Cramer, prof.dr. C. van Ewijk, prof.dr. K.P. Goudswaard, prof.dr. A.H.J. Kolnaar, prof.dr. J.M.G. Leune, R.L.O. Linschoten, dr. M.L. Wilke en dr. H.H.F. Wijffels.
  6. Bestaande uit de ondernemersleden.
  7. Bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden mevrouw prof.mr. I.P. Asscher-Vonk, prof.dr. A.F.P. Bakker, mevrouw prof.dr. J.M. Cramer, prof.dr. C. van Ewijk, prof.dr. K.P. Goudswaard, prof.dr. A.H.J. Kolnaar, prof.dr. J.M.G. Leune, R.L.O. Linschoten, dr. M.L. Wilke en dr. H.H.F. Wijffels.
    Op 14 november 2003 heeft het kabinet bij het parlement het voorstel van Wet rol werknemers bij de Europese vennootschap ingediend (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 29 298, nrs. 1-3, dat op 21 november is gevolgd door het voorstel van Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 29 309, nrs. 1-3). De volledige kamerstukken zijn te vinden op Overheid.nl onder Officiële publicaties .