Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2003 | Aanpassing Arbeidstijdenwet

Aanpassing Arbeidstijdenwet

Advies 2003/03 - 25 april 2003

In dit advies geeft de raad zijn standpunt over een vijftal wijzigingen van de Arbeidstijdenwet. Aanleiding voor de wijzigingen is een evaluatieonderzoek naar de werking van de Arbeidstijdenwet in de praktijk.

Download:Volledig advies (2510 kB)Samenvatting (87 kB)

Samenvatting


In 2001, vijf jaar na de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet 1996 (ATW), is een evaluatieonderzoek afgerond naar de werking van deze wet in de praktijk. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in april 2002 het advies van de raad gevraagd over voorstellen voor een aanpassing van de ATW.
Tijdens de voorbereiding van het advies bereikte de raad een adviesaanvraag van de Eerste Kamer over het initiatiefwetsvoorstel Bussemaker / Van Dijke, dat strekt tot verruiming van de zeggenschap van werknemers over arbeidstijden. Om het parlementaire besluitvormingsproces over dat wetsvoorstel niet onnodig lang te onderbreken, heeft de raad die adviesaanvraag met voorrang behandeld en op 18 oktober 2002 zijn advies aan de Eerste Kamer uitgebracht (SER 02/14).

De adviesaanvraag van de minister van SZW legt de volgende vijf voorstellen tot wijziging van de ATW aan de raad ter beoordeling voor:
  1. vereenvoudiging van het dubbele normenstelsel (standaard- en overlegregeling) via een aanpassing van artikel 1:4 ATW, waardoor het mogelijk wordt op ondernemingsniveau gebruik te maken van de overlegregeling;
  2. afschaffen van de mogelijkheid om op verzoek van partijen bij een collectieve regeling vrijstelling te verlenen van de wettelijke normen ten aanzien van arbeids- en rusttijden;
  3. opnemen van de (bestaande) verplichting voor de werkgever om in zijn arbeids- en rusttijdenbeleid rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemers als een aparte beleidsnorm;
  4. uitbreiden van de informatieverplichting van de werkgever aan de ondernemingsraad (OR) met de verplichting dat expliciet aandacht wordt geschonken aan het arbeids- en rusttijdenbeleid;
  5. bieden van de mogelijkheid aan de OR of personeelsvertegenwoordiging (pvt) kennis te nemen van de inhoud van de verplichte arbeidstijdenregistratie in de onderneming.
Bij de voorbereiding van het advies is vanuit de geledingen van werkgevers en werknemers binnen de raad aandacht gevraagd voor een aantal andere onderwerpen in het kader van de evaluatie van de ATW, die door hen eerder in brieven aan de Tweede Kamer aan de orde waren gesteld. De raad heeft ervan afgezien over die onderwerpen standpunten te formuleren omwille van de door de minister van SZW gewenste spoedige beantwoording van de adviesaanvraag. De raad gaat ervan uit dat het kabinet die commentaren zal betrekken bij de verdere politieke besluitvorming naar aanleiding van de evaluatie van de ATW.

De raad komt in zijn advies tot een unanieme beantwoording van de voorgelegde vragen.

Het eerste voorstel houdt in dat de huidige systematiek van de ATW, waarin de CAO bepalend is voor de vraag of op ondernemingsniveau van de wettelijke standaardregeling ten aanzien van de arbeids- en rusttijden mag worden afgeweken, komt te vervallen. Door de voorgestelde schrapping van het tweede lid van artikel 1:4 ATW wordt afwijken van de standaardnorm (binnen de normen van de overlegregeling) rechtstreeks mogelijk in overleg tussen werkgever en medezeggenschapsorgaan.
Uit het evaluatieonderzoek komt naar voren dat de huidige systematiek ingewikkeld wordt gevonden. De raad is met de minister van oordeel dat meer duidelijkheid is geboden over de systematiek van het maken van afspraken op ondernemingsniveau en van de gevolgen daarvan. Met het gedane voorstel wordt naar het oordeel van de raad de gewenste duidelijkheid bereikt. Hij kan derhalve met het voorstel instemmen.

Het tweede voorstel behelst de schrapping van artikel 5:13 ATW. Deze bepaling geeft de minister de mogelijkheid op verzoek van partijen bij een collectieve regeling onder bepaalde voorwaarden vrijstelling te verlenen van de regeling van arbeids- en rusttijden als opgenomen in paragraaf 5.2 van de ATW. Het artikel kan naar het oordeel van de minister worden geschrapt omdat het slechts sporadisch tot vrijstelling leidt en de feitelijk verleende vrijstellingen ook via het Arbeidstijdenbesluit (ATB) tot stand hadden kunnen komen; voorts zorgt het voor verwarring omdat het nogal eens wordt gezien als een mogelijkheid voor vrijstelling voor individuele ondernemingen.
De raad onderschrijft op juridische en wetshistorische gronden de opvatting van de minister dat de vrijstellingsregeling van artikel 5:13 slechts bedoeld kan zijn voor een pluraliteit van werkgevers die in soortgelijke omstandigheden verkeren om, indien zij niet aan de normstelling van de wet kunnen voldoen, van deze wettelijke normstelling te mogen afwijken via een door de minister van SZW verleende vrijstelling. Voorts biedt de ATB-procedure naar het oordeel van de raad voldoende en vergelijkbare mogelijkheden om af te wijken van paragraaf 5.2 ATW. Hiervan uitgaande meent de raad dat uit een oogpunt van duidelijkheid voor betrokkenen en eenduidigheid van regelgeving, schrapping van deze bepaling in de rede ligt.

Artikel 4:1 van de ATW bevat een tweeledige verplichting voor de werkgever: hij moet in zijn arbeids- en rusttijdenbeleid rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemers en hij moet dat beleid voeren in samenhang met het arbeidsomstandighedenbeleid. Met het derde voorstel van de adviesaanvraag wil de minister een meer prominente positie in het overleg op ondernemingsniveau voor de manier waarop de werkgever rekening moet houden met ‘persoonlijke omstandigheden’, door deze verplichting in een aparte beleidsbepaling in de wet op te nemen.
De raad constateert dat met het voorstel geen materiële wijziging is beoogd. Voorts leidt het naar zijn oordeel niet tot een verduidelijking of verbetering; hij acht het voornemen daarom nodig noch wenselijk.

Ingevolge artikel 31b van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) is de werkgever verplicht om tenminste eenmaal per jaar schriftelijk algemene gegevens te verstrekken over zijn gevoerde sociale beleid en in het bijzonder over bepaalde nader in de WOR genoemde aangelegenheden. Via zijn vierde voorstel wil de minister daaraan toevoegen dat ook aandacht moet worden geschonken aan het gevoerde beleid ten aanzien van arbeids- en rusttijden. Hiermee kan een impuls worden gegeven aan het overleg op ondernemingsniveau over arbeids- en rusttijdenbeleid.
De raad komt op grond van de wetsgeschiedenis van de WOR tot de conclusie dat de in artikel 31b WOR vervatte informatieplicht reeds de verplichting omvat die de minister voorstelt. De voorgestelde toevoeging acht hij dan ook overbodig. Wel acht hij een verduidelijking van de verplichtingen van de werkgever mogelijk door in de WOR het begrip ‘werktijdregeling’ te vervangen door het in de ATW gehanteerde begrip ‘regeling op het gebied van arbeids- en rusttijden’.

Ter versterking van de positie van de OR of pvt bij het overleg over arbeids- en rusttijden, wil de minister deze medezeggenschapsorganen de mogelijkheid bieden meer inzicht te krijgen in de feitelijke arbeids- en rusttijden in de onderneming. In het daartoe geformuleerde vijfde voorstel van de adviesaanvraag worden vier mogelijkheden geschetst om hieraan vorm te geven.
Na een analyse van de huidige terzake relevante bepalingen van de WOR komt de raad tot het oordeel dat OR en pvt reeds voldoende mogelijkheden hebben om alle benodigde informatie op het terrein van arbeid- en rusttijden, inclusief de benodigde gegevens uit de voor dat doel door de werkgever gevoerde registratie, te verkrijgen. Het door de minister voorgestelde ‘inzagerecht’ acht hij dan ook niet nodig.