Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2003 | de toekomst van Europa

Advies over de Conventie over de toekomst van Europa

Advies 2003/01 - 11 februari 2003

Slagvaardigheid, doorzichtigheid en democratische controle zijn voor de toekomst van de Europese integratie – en daarmee voor de welvaart in Nederland – van vitaal belang. Wat harmonisatie van wetgeving betreft, is de SER daarom voorstander van een sterke rol van de Commissie, meerderheidsbesluitvorming in de Raad en co-decisie door het Europees Parlement.

Download:Volledig advies (917 kB)

Inleiding


De regering schrijft in de recente Staat van de Europese Unie dat “de aanstaande uitbreiding en de discussie over de toekomst van Europa (…) niet zouden moeten passeren zonder levendig maatschappelijk debat” (1).
Met dit bondige advies wil de Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden (ISEA) van de SER hieraan een bijdrage leveren, vanuit het besef dat de toekomstige architectuur van Europa niet alleen van grote betekenis is voor het verdere verloop van het integratieproces, maar mede daardoor ook volop van belang is voor de toekomstige positie van de Nederlandse economie. Met het oog op de komende uitbreiding van de EU - die zowel het aantal lidstaten als de mate van heterogeniteit sterk zal doen toenemen - is het van vitaal belang om nu een toekomstbestendige structuur voor het Europese integratieproces neer te leggen; een structuur bovendien die voldoende waarborgen biedt voor de positie van kleine(re) lidstaten en voor de rechtszekerheid van burgers en bedrijven.

De toekomst van Europa wordt sinds maart 2002 besproken in de zogenoemde Conventie. Deze is ingesteld door de Europese Raad van Laken (december 2001). De Europese Raad van Laken heeft vastgesteld dat de Europese Unie een antwoord moet vinden op drie fundamentele uitdagingen:
  • Hoe de Unie dichterbij de burger te brengen?
  • Hoe de Unie voor te bereiden op de uitbreiding?
  • Hoe de Unie uit te bouwen tot een stabiliserende factor in een multipolaire wereld?
In de Verklaring van Laken zijn deze algemene vraagstukken ‘vertaald’ in reeksen meer concrete vragen. Deze zijn geordend naar de volgende vier aandachtsgebieden:
  • een betere verdeling en omschrijving van de bevoegdheden in de Europese Unie;
  • de vereenvoudiging van de instrumenten van de Unie;
  • meer democratie, transparantie en efficiëntie in de Europese Unie; de weg naar een grondwet voor de Europese burgers.
Deze vragen zijn vervolgens voorgelegd aan een Conventie bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, nationale parlementen, het Europees Parlement (EP) en de Europese Commissie. De Conventie staat onder voorzitterschap van de Franse oud-president Giscard d’Estaing.
De werkzaamheden van de Conventie zullen uitmonden in een voorstel voor een basisverdrag (waarin de constitutionele architectuur van de Unie wordt vastgelegd) en een tweede deel met de bepalingen over het beleid van de Unie. Dit voorstel zal naar verwachting in juni 2003 worden gepresenteerd. Het is de bedoeling dat het voorstel vervolgens via een Intergouvernementele Conferentie (IGC) zal neerslaan in aanpassingen van de Europese verdragen. De Nederlandse regering heeft inmiddels vastgesteld dat de dynamiek in de Conventie en de ambitie van haar voorzitter het waarschijnlijk maken dat “het resultaat van de Conventie richtinggevend zal zijn voor de Intergouvernementele Conferentie die gaat volgen. (2)

De Conventie komt in een beslissende fase. Om goed in te kunnen spelen up deze dynamiek heeft de Commissie ISEA op 9 december 2002 een consultatief overleg gevoerd met de regeringsvertegenwoordiger in de Conventie, de heer G. de Vries. De heer De Vries heeft in dat verband niet alleen nader inzicht gegeven in de ontwikkelingen binnen de Conventie en in de opstelling van de Nederlandse regering, maar ook de SER uitgenodigd om op een aantal specifieke punten (zoals ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling op fiscaal terrein) op korte termijn tot een nadere advisering te komen.

Door dit advies wil de Commissie ISEA de uitnodiging van de regeringsvertegenwoordiger beantwoorden. Het advies bestrijkt de vier bovengenoemde aandachtsgebieden van de Conventie. Het richt zich daarbij - gelet op het werkterrein en de deskundigheid van de SER - vooral op een aantal vraagstukken die voor de verdere Europese integratie op sociaal-economisch terrein van belang zijn. De betrokkenheid van sociale partners bij de Europese besluitvorming vormt daarbij een bijzonder aandachtspunt.
Het verdere verloop van de Conventie valt niet precies te voorzien. Er kunnen onverwachte ontwikkelingen optreden; in onderhandelingen zullen ongetwijfeld ook compromissen moeten worden gesloten. Door een grondige verkenning van verschillende oplossingsrichtingen kan men zich voorbereiden op een goede beoordeling van steeds weer nieuwe voorstellen. De Commissie ISEA wil met dit advies een bijdrage leveren aan de verdere positiebepaling van Nederland in de onderhandelingen over een toekomstbestendige architectuur van Europa en daarbij ook mogelijke terugvalposities aanreiken: “Wil een land als Nederland de invloed die het kan hebben in de. Europese besluitvorming benutten, dan zal het moeten meedenken, niet bijna iedere verandering moeten afwijzen, en alternatieven moeten aandragen die zijn gebaseerd op een duidelijke Nederlandse visie. (3)

Het advies is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 formuleert een aantal belangrijke uitgangspunten voor de standpuntbepaling. In dit verband wordt het belang van de zogenoemde communautaire methode voor de besluitvorming over harmonisatie van Europese wet- en regelgeving beklemtoond. Hoofdstuk 3 bevat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen. Deze hebben in het bijzonder betrekking op:
  • Een aanscherping van de subsidiariteitstoets bij de voorbereiding van nieuwe EU- wetgeving.
  • Een verruiming van meerderheidsbesluitvorming op bepaalde onderdelen van het sociale en fiscale beleid.
  • Een vergroting van effectiviteit, transparantie en democratisch gehalte van de drie coördinatiemethoden op sociaal-economisch terrein door: als regel bij harmonisatie van wetgeving meerderheidsbesluitvorming en co-decisie toe te passen; bij de handhaving van het Groei- en Stabiliteitspact de positie van de Europese Commissie te versterken; de terugkoppeling van de opencoördinatieprocessen naar nationale beleidsdiscussies te versterken.
  • De inhoud van het zogenoemde Basisverdrag: in het bijzonder de wijze waarop het Handvest Grondrechten daarin kan worden opgenomen en de verankering van de Europese Sociale Dialoog.
De conclusies en aanbevelingen zijn in bijlage 1 van een uitgebreide onderbouwing voorzien.

Dit advies is voorbereid door de Werkgroep Internationale Zaken, onder voorzitterschap van profmr. P.J. Slot (zie voor de samenstelling van de werkgroep en van de Commissie TSEA bijlage 2). Het is vastgesteld door de Commissie ISEA in haar vergadering van 11 februari 2003.

De verwijzingen naar de Verdragen van de Europese Unie (VEU) en de Europese Gemeenschap (VEG) zijn gebaseerd op de geconsolideerde versie na aanvaarding van het Verdrag van Nice (4).
  1. Staat van de Europese Unie 2003, Kamerstuk 2002-2003, 28 604, nr. 1, p.5.
  2. Europa in de steigers. De Nederlandse inbreng in de volgende fase van de Conventie over de toekomst van Europa, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 604 en 28 473, nr. 3, p. 2.
  3. L.A. Geelhoud, H. Hijmans, Laat de bouw van Europa niet aan anderen over, NRC Handelsblad, 14 oktober 2002, p. 8.
  4. Zie: Publicatieblad C 325 van 24 december 2002.