Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2002 | Zeggenschap werknemers over arbeidstijden

Zeggenschap werknemers over arbeidstijden (Wetsvoorstel verruiming zeggenschap werknemers over arbeidstijden)

Advies 2002/14 - 18 oktober 2002

In de SER wordt verschillend gedacht over het initiatiefwetsvoorstel-Bussemaker/Van Dijke tot verruiming van de zeggenschap van werknemers over arbeidstijden.

Download:Volledig advies (3001 kB)Samenvatting (55 kB)

Samenvatting

Op 18 juni 2002 heeft de Eerste Kamer het advies van de Sociaal-Economische Raad gevraagd over het initiatiefwetsvoorstel-Bussemaker / Van Dijke, dat strekt tot verruiming van de zeggenschap van werknemers over arbeidstijden. Bij de ontvangst van de adviesaanvraag was bij de raad een andere adviesaanvraag over de Arbeidstijdenwet (ATW) in behandeling. Het betreft de adviesaanvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van 3 april 2002 over voorstellen tot aanpassing van de ATW naar aanleiding van een evaluatieonderzoek naar de effecten van de ATW in de praktijk. De raad heeft de adviesaanvraag van de Eerste Kamer met voorrang in behandeling genomen om het parlementaire besluitvormingsproces niet onnodig lang te onderbreken. In een later uit te brengen afzonderlijk advies zal de raad de adviesaanvraag van de minister van SZW beantwoorden.

De kern van dit initiatiefwetsvoorstel wordt gevormd door twee thema’s: in de eerste plaats de positie van de werkgever en van de individuele werknemer bij noodzakelijk geachte arbeid op zondag wegens bedrijfsomstandigheden en in de tweede plaats de vraag in hoeverre de werkgever bij de vaststelling van het arbeidspatroon van de individuele werknemer (meer dan thans) rekening moet houden met diens ‘persoonlijke omstandigheden’. Concreet voegt het wetsvoorstel aan de bestaande regeling over zondagsarbeid toe dat voor arbeid op zondag wegens bedrijfsomstandigheden instemming van de werknemer nodig is en dat de werknemer die daarmee niet instemt, niet kan worden ontslagen. Voorts voorziet het wetsvoorstel in een nadere explicitering van de bestaande bepaling in de ATW dat de werkgever bij het vaststellen van de arbeidstijden rekening moet houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer buiten de arbeid.

In de adviesaanvraag vraagt de Eerste Kamer de raad te adviseren over het initiatiefwetsvoorstel en in ieder geval een zestal vragen te beantwoorden. In het advies maakt de raad door de beantwoording van die zes vragen zijn standpunt(en) kenbaar over het wetsvoorstel. Hij beziet daarbij de eerste drie vragen in onderlinge samenhang omdat deze de algemene waardering van het wetsvoorstel betreffen. De eerste vraag gaat over het evenwicht in de eisen die enerzijds de economie en anderzijds de samenleving stellen aan flexibilisering; de tweede vraag gaat over de ‘speelruimte’ voor werkgever en werknemers op ondernemingsniveau en de derde vraag over de relatie tussen de uitkomsten van de evaluatie van de ATW en de voorstellen in het wetsvoorstel over (de bescherming van) zondagsarbeid.
Het oordeel van de raad over de wenselijkheid van het wetsvoorstel is verdeeld.

Een deel van de raad is het eens met het initiatiefwetsvoorstel. De bestaande wetgeving biedt volgens dit deel onvoldoende waarborg dat met de persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden en kan ertoe leiden dat werknemers onder druk komen te staan om op zondag te werken.
Dit deel van de raad vindt dat de werkgever ook op individueel niveau rekening moet houden met de (gewijzigde) persoonlijke omstandigheden van een werknemer. Een verzoek tot aanpassing van de arbeidstijden mag een werkgever slechts afwijzen als aanvaarding ervan in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd.
Verder meent dit deel dat de werknemer in het arbeidsrecht steun moet vinden voor het beleven van de zondag als een dag van rust of bezinning of voor met anderen gedeelde ontspanning. De werknemer behoeft alleen op zondag te werken als hij daarmee instemt. Dat de werkgever dan bij incidentele bedrijfsomstandigheden is aangewezen op de vrijwillige medewerking van de werknemers of op uitzend- en detacheringbedrijven, plaatst de werkgever niet in een onmogelijke positie. Meestal dienen zich voldoende werknemers aan voor het werken op zondag.
Een ander deel van de raad is van mening dat in de geldende ATW van 1996 een uitgewogen balans tot stand is gebracht tussen de behoeften van bedrijven aan meer flexibiliteit en de bescherming van werknemers. Volgens dit deel van de raad wordt met het wetsvoorstel, door de juridische positie van werknemers bij de vaststelling van werktijden te versterken en hun in geval van zondagsarbeid een individueel instemmingsrecht te geven, het genoemde evenwicht ernstig verstoord.
Dit deel van de raad wijst erop dat bij het evaluatieonderzoek van de Arbeidstijdenwet naar voren is gekomen dat de ondervraagde werkgevers, ondernemingsraden en werknemers van oordeel zijn dat er bij de vaststelling van de arbeidstijden over het algemeen rekening wordt gehouden met de belangen en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Het vergroten van de individuele zeggenschap van werknemers over arbeidstijden brengt de kwaliteit van de organisatie van de arbeid in gevaar en kan leiden tot een ongelijke verdeling van lusten en lasten omdat inwilliging van de wensen van de ene werknemer immers vaak negatieve gevolgen heeft voor andere werknemers.
Weer een ander deel van de raad is niet tegen verruiming van zeggenschap van werknemers over hun arbeidstijden maar komt tot het oordeel dat de maatschappelijke problematiek die ten grondslag ligt aan het initiatiefwetsvoorstel – vooralsnog – niet noopt tot nadere gedetailleerde voorzieningen in de generieke wetgeving. Hoewel dit deel sympathie kan opbrengen voor de overwegingen bij het wetsvoorstel, meent het dat eventuele problemen rond persoonlijke omstandigheden of zondagsarbeid binnen de bestaande sociale verhoudingen en wetgeving kunnen en dienen te worden opgelost: in het overleg tussen werkgevers en werknemers zowel op collectief als op individueel niveau.

Bij het werken op zondag wegens bedrijfsomstandigheden is overeenstemming tussen het medezeggenschapsorgaan en de werkgever vereist. De vierde vraag van de adviesaanvraag van de Eerste Kamer is of die overeenstemming doorwerkt naar het arbeidscontract van de individuele werknemer.
Voor een deel van de raad staat vast dat er geen sprake is van rechtstreekse doorwerking in het individuele contract, maar is de overeenstemming in de praktijk niet zonder effect. Omdat het geldende arbeidsovereenkomstenrecht op het punt van de werktijden niet de zekerheid brengt die voor de zondagsarbeid gewenst is en daardoor de werknemer onvoldoende bescherming biedt, meent dit deel dat de expliciete instemming van de werknemer met werken op zondag zoals neergelegd in het wetsvoorstel, bepaald niet overbodig is.
Een ander deel van de raad vindt dat de zeggenschap over arbeidstijden, inclusief de zondagsarbeid, wordt bepaald door de contractsvrijheid tussen werkgever en werknemer. Is over werken op zondag geen specifieke afspraak opgenomen, dan is zondagsarbeid mogelijk via de instructiebevoegdheid van de werkgever, begrensd in de norm van goed werkgeverschap, waarvoor de rechter een extra zware toets hanteert. Gelet op de bestaande bepaling van de ATW, die voldoende tegemoet komt aan de belangen van de werknemer, acht dit deel afzonderlijke instemming van de werknemer in de situatie van de zondagsarbeid wenselijk noch noodzakelijk.

Vraag vijf betreft de bruikbaarheid van het onderscheid tussen zondagsarbeid die ‘uit de aard van de arbeid’ voortvloeit en die waartoe de ‘bedrijfsomstandigheden’ nopen. Deze begrippen komen ook al voor in de huidige ATW.

Een deel van de raad acht het onderscheid bruikbaar. Bij zondagsarbeid die voortvloeit uit de aard van de arbeid gaat het om arbeid die is geïndiceerd door de maatschappelijke functie ervan, door technisch-organisatorische factoren in het productieproces of door de specifieke inhoud van de functie van de werknemer. Het begrip ‘bedrijfsomstandigheden’ moet in het wettelijk stelsel afgezet worden tegen ‘de aard van de arbeid’. Het gaat dan om alle andere gevallen dan die waarin zondagsarbeid kan worden verricht wegens de aard van de arbeid op grond van een daartoe strekkend contractueel beding.
Een ander deel van de raad vindt het onderscheid tussen beide begrippen vaag en legt ‘aard van de arbeid’ ruim uit zodat daaronder ook vallen: zondagsarbeid om bedrijfseconomische redenen en wegens wenselijk te achten dienstverlening aan het publiek. Dit deel vraagt zich af in hoeverre het verstandig is deze begrippen en de daaraan verbonden rechtsgevolgen te blijven gebruiken.

Het wetsvoorstel bevat een niet-limitatieve opsomming van hetgeen onder ‘persoonlijke omstandigheden’ is te verstaan: ‘maatschappelijke verantwoordelijkheden’, ‘afhankelijke familieleden’, ‘verwanten’ en ‘naasten’. Vraag zes ziet op dit begrippenkader en de raad wordt gevraagd daarop expliciet in te gaan.
Een deel van de raad meent dat het weinig zin heeft te streven naar een nauwgezette afbakening van de genoemde begrippen. Daarbij neemt dit deel mede in aanmerking dat de voorgestelde wettelijke norm een voorwaardelijk karakter heeft omdat de werkgever rekening moet houden met de ‘persoonlijke omstandigheden’ van de werknemer voorzover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Er is dus altijd sprake van een belangenafweging waarbij niet op voorhand vaststaat welke rol en welk gewicht toekomt aan elk van de factoren die tot de persoonlijke omstandigheden moeten worden gerekend. Dit deel acht het overigens gewenst onder ‘persoonlijke omstandigheden’ mede te begrijpen de persoonlijke gezondheidstoestand en de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de werknemer.
Een ander deel van de raad acht het voorgestelde wetsartikel, dat niet anders doet dan het nader expliciteren van het goed werkgeverschap met enkele voorbeelden, overbodig en onwenselijk. Volstaan kan worden met de algemene open norm van goed werkgeverschap. De toetsing kan aan de rechter worden overgelaten aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.