Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2002 | Koersen op vernieuwing

Koersen op vernieuwing : Advies over macrodoelmatigheid, innovatiebeleid en beroepspraktijkvorming in het (middelbaar) beroepsonderwijs

Advies 2002/12 - 18 oktober 2002

Er is dringende behoefte aan een budget voor experimenten met innovaties in het beroepsonderwijs. Het onderwijs en het bedrijfsleven moeten deze experimenten samen opzetten, vindt de SER.

In het advies Koersen op vernieuwing adviseert de raad de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (OCenW) over drie onderwerpen:

  • Macrodoelmatigeheid. Hoe kan vorm worden gegeven aan de toetsing van de landelijke afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van het middelbaar beroepsonderwijs?
  • Innovatie. Op welke wijze kan de kennisuitwisseling tussen het onderwijs en het bedrijfsleven worden vergroot, zodat het innovatief vermogen van zowel het bedrijfsleven als het onderwijs toeneemt?
  • Beroepspraktijkvorming. Welke knelpunten doen zich voor in de interactie tussen onderwijsinstellingen en leerbedrijven in de beroepspraktijkvorming en welke oplossingen zijn daarvoor denkbaar.

Download:Volledig advies (1651 kB)Samenvatting (64 kB)Verkorte samenvatting (14 kB)

Samenvatting

In Koersen op vernieuwing adviseert de SER het kabinet over drie onderwerpen:

  • de landelijke afstemming tussen vraag en aanbod van middelbaar beroepsonderwijs (macrodoelmatigheid);
  • de beroepspraktijkvorming in het middelbaar beroepsonderwijs;
  • en het innovatiebeleid voor het gehele beroepsonderwijs.
De SER pleit ervoor de landelijke afstemming tussen vraag en aanbod van middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren. Deze afstemming vindt nu onvoldoende plaats. Mede daardoor ontstaat er nu op bepaalde gebieden te veel en op andere te weinig aanbod. Zonder een perfecte match van vraag en aanbod na te streven vindt de raad dat substantiële verschillen daartussen niet nodig zijn en voorkomen kunnen worden.
De SER wil de verantwoordelijkheid voor het verbeteren van de landelijke afstemming bij de onderwijsinstellingen laten liggen. Dit neemt niet weg dat de minister van onderwijs uiteindelijk de verantwoordelijkheid draagt voor het uit publieke middelen bekostigde beroepsonderwijs. Dit impliceert dat de overheid zich in bijzondere situaties kan bemoeien met de landelijke afstemming van vraag en aanbod van middelbaar beroepsonderwijs.
De SER stelt voor een betere landelijke afstemming langs twee lijnen te bereiken:
  • Via wettelijke prikkels voor onderwijsinstellingen om een betere landelijke afstemming te realiseren. Zij worden verplicht met elkaar en met het bedrijfsleven te overleggen over aanpassing van de opleidingscapaciteit. Daarnaast ontvangen zij voor nieuwe opleidingen of uitbreidingen van opleidingen eerst een voorlopige bekostiging, die later -– als blijkt dat de opleiding aansluit op de vraag – omgezet kan worden in reguliere bekostiging.
  • Via een toets op de landelijke afstemming door de onderwijsinstellingen, uit te voeren door een onafhankelijke commissie. De commissie werkt op basis van signalen uit de praktijk over knelpunten (piepsysteem). Zij onderzoekt deze signalen en adviseert de minister van onderwijs over het te voeren beleid. De minister verbindt daar vervolgens conclusies aan.

Daarnaast pleit de SER ervoor dat het kabinet, de onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven de verbetering van de beroepspraktijkvorming met voortvarendheid aanpakken. De evaluatie van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs heeft een aantal actuele knelpunten aan het licht gebracht, zoals de begeleiding van deelnemers. De aanpak daarvan moet volgens de raad op korte termijn tot verbeteringen leiden.
De overheid, de onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven kunnen echter niet volstaan met het oplossen van alleen de actuele problemen in de beroepspraktijkvorming. Zij moeten volgens de SER meer gaan inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen, zoals een ‘leven lang leren’. Dit veronderstelt dat alle partijen een responsieve en innovatieve houding aannemen. Daarnaast verlangen maatschappelijke ontwikkelingen dat de arbeidsloopbaan van de leerling centraal komt te staan in het beleid en in de vormgeving van het beroepsonderwijs. Deze ontwikkelingen dwingen ook tot nadenken over de balans tussen maatwerk en standaardisatie, tussen kennis en vaardigheden, tussen beroepsvorming en algemene vorming en tussen werken en leren.

Ten slotte adviseert de SER het kabinet op een serieuze wijze vorm en inhoud te geven aan de innovatie in en rond het beroepsonderwijs. Hij constateert op dit terrein verschillende tekortkomingen. Zo werkt regelgeving vaak beperkend in plaats van stimulerend en is het beleid versnipperd. Ook werken onderwijsinstellingen en bedrijven onvoldoende samen en worden innovaties nog te weinig verspreid. Daarnaast is er volgens de raad meer financiële armslag nodig voor innovatie om op langere termijn de gestelde ambities voor de kenniseconomie waar te maken. De raad stelt het kabinet voor een integraal innovatiebeleid te voeren dat gebaseerd is op het stimuleren van innovatie van onderop en dat ruimte biedt voor differentiatie op regionaal en sectoraal niveau. Dit beleid wordt rond drie pijlers vormgegeven. De eerste is een basisstrategie. Deze strategie is gericht op het onderhouden en optimaliseren van het primaire proces van instellingen via de reguliere bekostiging (lumpsum). De tweede pijler is een breedtestrategie. Deze strategie is gericht op het verspreiden en toepassen van innovaties door middel van impulsen in de versterking van het gehele beroepsonderwijs op instellingsniveau (impulsmiddelen). En de derde pijler is een dieptestrategie. Deze strategie is gericht op het ontwikkelen van innovaties door middel van experimenten op regionaal of sectoraal niveau (landelijk innovatiebudget).