Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2002 | Nieuwe Pensioenwet

Aanvullend advies Nieuwe Pensioenwet

Adviesnr. 2002/01 - 15 februari 2002

In zijn advies Nieuwe Pensioenwet van mei 2001 heeft de raad aangekondigd over de volgende twee onderwerpen een aanvullend advies uit te brengen: de positie van pensioenfondsen in de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) en pensioenfondsen 'aan de top van een holding' (1) . Met betrekking tot de positie van pensioenfondsen in de PSW heeft de raad in het advies Nieuwe Pensioenwet een voorlopig standpunt ingenomen. Ten aanzien van pensioenfondsen 'aan de top van een holding' heeft de raad in dat advies een aantal uitgangspunten geformuleerd waarop hij zijn definitieve advies wil baseren. Het nu voorliggende advies bevat de standpunten van de raad over beide onderwerpen.

Download:Volledig advies (5340 kB)Samenvatting (58 kB)

Samenvatting

 
In zijn advies Nieuwe Pensioenwet van mei 2001 heeft de raad aangekondigd over de volgende twee onderwerpen een aanvullend advies uit te brengen: de positie van pensioenfondsen in de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) en pensioenfondsen 'aan de top van een holding' (1). Met betrekking tot de positie van pensioenfondsen in de PSW heeft de raad in het advies Nieuwe Pensioenwet een voorlopig standpunt ingenomen. Ten aanzien van pensioenfondsen 'aan de top van een holding' heeft de raad in dat advies een aantal uitgangspunten geformuleerd waarop hij zijn definitieve advies wil baseren. Het nu voorliggende advies bevat de standpunten van de raad over beide onderwerpen.

De positie van pensioenfondsen in de PSW
De raad meent dat in het kader van de modernisering van de PSW de positie van de pensioenfondsen actualisering behoeft. In het bijzonder de herverzekeringsplicht past niet meer bij het instituut pensioenfonds zoals dat zich sinds 1952 heeft ontwikkeld. De PSW bepaalt dat de voor pensioen bestemde gelden van pensioenfondsen in beginsel moeten worden aangewend voor het herverzekeren bij een verzekeraar. Daarmee gaat de herverzekeringsplicht over het zekerstellen van pensioengelden. Uitgangspunt daarbij is de discontinuïteit van het fonds en de eis dat het fonds te allen tijde aan zijn verplichtingen kan voldoen. Deze eis is in zijn algemeenheid te stringent, zo meent de raad. Het hiermee beoogde zekerheidsniveau is voorts dermate kostbaar dat dit de mogelijkheden tot het voeren van een indexatiebeleid beperkt. De voorkeur van de raad gaat dan ook uit naar een zekerheidseis die uitgaat van de continuïteit van het fonds en de zekerheid dat de uitkering te zijner tijd kan worden gedaan. Dit betekent dat de huidige herverzekeringsplicht moet worden afgeschaft en vervangen door een eigen solvabiliteitstoets voor pensioenfondsen. Een dergelijke solvabiliteitstoets moet rekening kunnen houden met de specifieke kenmerken (bijvoorbeeld omvang fonds, samenstelling van deelnemersbestand) en omstandigheden van het fonds dat beoordeeld wordt. Dit betekent dat het toezicht en met name de eisen vanuit het toezicht kunnen variëren. De raad onderkent dat de nieuwe zekerheidseis in bijzondere omstandigheden bij een fonds kan leiden tot een situatie waarbij de aanspraken sterk zouden moeten worden aangetast. Hij acht een dergelijk risico, hoe beperkt ook, niet wenselijk. Daarom is de raad van oordeel dat bij de introductie van een nieuwe zekerheidseis de pensioenfondsen in verband met dit soort risico’s een discontinuïteitsverzekering moeten overeenkomen.
De raad bepleit ook het vraagstuk van de waardering expliciet te betrekken in de discussie over de zekerheidsnorm.
De raad constateert dat er nog veel vragen beantwoord moeten worden voordat een eigen solvabiliteitstoets voor pensioenfondsen daadwerkelijk gestalte kan krijgen. Het is van groot belang dat deze vragen voortvarend worden opgepakt en de overheid met sociale partners beziet hoe, via een eigen solvabiliteitstoets, moderne en betaalbare pensioenen gecombineerd kunnen worden met voldoende zekerheid.

Pensioenfondsen ‘aan de top van een holding’
Het kabinet stelt de vraag of de ontwikkeling dat een aantal pensioenfondsen trekken gaat vertonen van een conglomeraat of een houdstermaatschappij wenselijk is.

Het in de adviesaanvraag aan de orde gestelde thema van ‘conglomeraatvorming’ is complex. Dat geldt zowel voor de oorzaken van deze ontwikkelingen als voor de gevolgen die eraan verbonden zijn. Het geldt ook voor vragen als: wat zijn voor een pensioenfonds bedrijfsvreemde activiteiten; wanneer gaat beleggen over in ondernemen; zijn er voor sociale partners alternatieven die de mogelijkheden tot coördinatie van de arbeidsvoorwaarde pensioen en de daaraan gerelateerde producten en diensten intact laten?
Met betrekking tot het handelen van pensioenfondsen heeft de raad in het advies Nieuwe Pensioenwet een aantal uitgangspunten geformuleerd. Deze worden in dit advies toegelicht.

De raad meent dat de door het kabinet gesignaleerde ontwikkelingen met betrekking tot de conglomeraatvorming en de positie van pensioenfondsen ‘aan de top van een holding’ – ook al betreffen deze ontwikkelingen slechts een beperkt aantal fondsen – reden geven tot zorg over de positie van de pensioenfondsen, maar hij heeft niet vastgesteld dat deze ontwikkelingen hebben geleid tot overtreding van de bestaande wet- en regelgeving. Eerder heeft de PVK aangegeven dat geen grenzen zijn overschreden (2). Wel zijn er signalen dat met betrekking tot de nieuwe wetgeving (Wet Bpf 2000) in een enkel geval sprake zou zijn van wat wel wordt genoemd ‘grensverkennend gedrag’ (3).

De zorg van de raad komt eruit voort dat de geschetste ontwikkelingen onduidelijkheid creëren over het doen en laten van pensioenfondsen; over hun activiteiten en met name ook over het eventueel aansturen vanuit pensioenfondsen van activiteiten van derden. Deze onduidelijkheid zou kunnen leiden tot het ter discussie stellen van het instituut pensioenfonds of in ieder geval van de bijzondere positie van deze fondsen.

De raad acht een dergelijke discussie niet in het belang van het instituut pensioenfonds. Hij wil de pensioenfondsen – die hij ziet als een verantwoorde en gewaardeerde mogelijkheid om collectieve pensioenregelingen uit te voeren – als belangrijke pijler van het Nederlandse pensioenstelsel en met de behandeling zoals die voortvloeit uit hun bijzondere karakter, handhaven.
Daartoe is het van belang dat eventuele onduidelijkheid over wat wel en wat niet behoort tot de kerntaken van pensioenfondsen wordt weggenomen.

Ten aanzien van de wijze waarop deze onduidelijkheid moet worden weggenomen meent de raad, dat het formuleren van algemene uitgangspunten en vruchtbaarder aanpak is dan het komen met een casuïstiek van al dan niet toegestane activiteiten. Vertrekpunt dient te zijn de erkenning dat het bestaansrecht van pensioenfondsen is gelegen in het organiseren van collectiviteiten op basis van solidariteit. De activiteiten die een pensioenfonds in dat kader uitoefent moeten zich beperken tot de kerntaken en direct daarmee samenhangende activiteiten. De kerntaken betreffen de functies van administratie, informatievoorziening aan deelnemers en beleggen. Met de woorden “en direct daarmee samenhangende activiteiten” wordt beoogd pensioenfondsen binnen de gestelde kaders enige ruimte te bieden om te kunnen reageren op ontwikkelingen in de (pensioen)omgeving, in het bijzonder wat betreft de ontwikkelingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen en de uitvoering daarvan (inclusief het vermogensbeheer).

De raad adviseert tot het instellen van een gerichte monitor, gedurende een periode van 2 of 3 jaar, teneinde recente ontwikkelingen te kunnen toetsen, nieuwe ontwikkelingen kritisch te kunnen volgen en ongewenste ontwikkelingen te kunnen voorkomen. Voorts is de raad van mening dat aan de monitor de mogelijkheid moet worden verbonden dat de toezichthouder, gehoord de Stichting van de Arbeid, kan besluiten – zonodig ook tijdens de periode van monitoring – tot bijsturen en/of ingrijpen. Werkende weg zal aldus binnen enkele jaren meer duidelijkheid ontstaan over de toe te passen criteria en over de wenselijkheid of de noodzaak deze criteria in wetgeving te verankeren.
  1. SER-advies Nieuwe Pensioenwet, publicatienr. 01/06, Den Haag, 18 mei 2001.
  2. PVK, Jaarverslag Verzekeringskamer 1999, Apeldoorn 2000, pp. 20, 21.
  3. Met betrekking tot de regels over het gebruik van naam en beeldmerk in de Wet Bpf 2000 is een aanscherping voorzien.