Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2000 | Toekomstgericht woonbeleid

Toekomstgericht woonbeleid

Advies 2000/10 - 15 september 2000

Dit advies is een reactie op de Ontwerpnota Wonen. Het is toegespitst op de inkomens(distributieve)aspecten van het wonen en op de instrumenten die daarvoor kunnen worden ingezet; daarbij wordt in het bijzonder aandacht gegeven aan mensen in kwetsbare posities.

Download:Volledig advies (495 kB)Samenvatting (19 kB)

Samenvatting


Dit advies is een reactie op de Ontwerpnota Wonen. Het is toegespitst op de inkomens(distributieve)aspecten van het wonen en op de instrumenten die daarvoor kunnen worden ingezet; daarbij wordt in het bijzonder aandacht gegeven aan mensen in kwetsbare posities.

De raad vindt het belangrijk dat de Ontwerpnota de burger centraal stelt en onderschrijft de drie principes eruit: meer keuzevrijheid; aandacht voor maatschappelijke waarden en een betrokken overheid bij een beheerste marktwerking. Een belangrijke uitdaging zal zijn individuele woonwensen en maatschappelijke belangen en waarden op een goede manier met elkaar te verenigen.Kwaliteit en toekomstwaarde moeten daarbij een belangrijk richtsnoer vormen.

De SER heeft eerder uitgesproken een huurwoning en een koopwoning als gelijkwaardige alternatieven te beschouwen en een evenwichtige behandeling van huurders en kopers van groot belang te achten. Dit principiële uitgangspunt blijkt in de praktijk niet gemakkelijk te operationaliseren. De raad roept het kabinet op tot bezinning op de betekenis van een evenwichtige behandeling van huren en kopen.
In de Ontwerpnota wordt voor een vergelijking tussen de behandeling van huren en kopen een macrobenadering gehanteerd waarbij het budgettair beslag van financiële regelingen voor huurders en eigenaar-bewoners wordt vergeleken. Internationaal is het gebruikelijk ook een vergelijking op micro-niveau, van gebruikskosten voor de individuele burger, te maken.

Bij het centraal stellen van de individuele keuzevrijheid past terughoudendheid bij het hanteren van macrostreefcijfers voor het eigenwoningbezit. Een kwalitatief goede en voldoende omvangrijke huursector blijft gewenst, niet alleen voor mensen in kwetsbare posities. De woningcorporaties hebben hierin een belangrijke taak,waarvoor zij ook in de toekomst goed toegerust moeten zijn.
De raad beveelt aan terughoudend te zijn met kwantitatieve doelstellingen voor de verkoop van corporatiewoningen en ruimte te laten voor marktwerking. De raad plaatst daarmee ook enige kanttekeningen bij de beoordeling van de vermogenspositie van corporaties. Het streven naar de inzet van de vermogens van corporaties voor hun maatschappelijke taken ondersteunt de raad. Matching van taken en middelen moet bij voorkeur vrijwillig plaatsvinden, via samenwerking tussen corporaties.
De raad ziet tussenvormen van huren en kopen als goed alternatief voor volledig eigendom,vooral voor mensen uit de lagere inkomensgroepen.Tussenvormen kunnen onder meer de risico ’s op het gebied van groot onderhoud reduceren.

De raad ondersteunt het voorstel voor een gemiddeld inflatievolgend huurprijsbeleid, mits een voldoende bandbreedte rond het gemiddelde differentiatie naar lokale verhoudingen mogelijk maakt. Bovendien moet er bij een verhoging van de kwaliteit van het aanbod ruimte bestaan voor een huurprijsstijging buiten de bandbreedte.De raad adviseert het huurprijsbeleid niet vast te leggen voor tien jaar,zoals de Ontwerpnota Wonen voorstelt, maar per kabinetsperiode te enten op verwachte economische ontwikkelingen.

De raad is het met de Ontwerpnota eens dat de huursubsidie kerninstrument is en moet blijven om mensen met een laag inkomen goede huisvesting te garanderen.Aan de huidige huursubsidieregeling kleven echter ook nadelen, zoals de bijdrage aan de armoedeval,de stijgende uitgaven en de verstoorde (woning)marktwerking.Mede daarom is een verkenning van de vormgeving van toekomstige woonlastensubsidiëring gewenst. Daarin past een analyse van een vouchersysteem.Een woonvoucher is een genormeerd bedrag dat de houder naar eigen inzicht aan wonen kan besteden.

Vouchers versterken,in vergelijking met de huidige huursubsidie,het profijtbeginsel en daarmee de marktwerking op de woningmarkt. Dit belangrijke voordeel kan in beginsel ook worden gerealiseerd door het verhogen van de kwaliteitskorting in de huidige huursubsidiesystematiek.Het is niet duidelijk,mede gelet op de mogelijk hoge overgangskosten, of een vouchersysteem per saldo meer te bieden heeft dan de huursubsidie.Vrijwillige experimenten met vouchers kunnen evenwel nuttig zijn.