Home | Publicaties | SER-adviezen | 2000 - 2009 | 2000 | Bevordering arbeidsdeelname etnische minderheden

Kansen geven, kansen nemen : bevordering arbeidsdeelname etnische minderheden

Advies 2000/03 - 28 april 2000

Download:Volledig advies (1731 kB)

Samenvatting

De adviesaanvraag

Eind 1999 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, de raad een adviesaanvraag gestuurd over de intensivering van het arbeidsmarktbeleid voor etnische minderheden.
In de adviesaanvraag constateert het kabinet dat de werkgelegenheid onder etnische minderheden is toegenomen. De werkloosheid is echter nog steeds ongeveer viermaal zo hoog als onder de autochtone bevolkingsgroep. Een veel te groot verschil.

Halvering van het verschil
De uiteindelijke arbeidsmarktdoelstelling van het kabinet is een (netto)arbeidsdeelname van minderheden evenredig aan hun aandeel in de beroepsbevolking. Het kabinet heeft zich voorgenomen op relatief korte termijn te komen tot een halvering van het werkloosheidsverschil tussen minderheden en autochtonen. Dat komt neer op 35.000 extra banen voor minderheden voor eind 2002.

Kernvraag: profiteren van het algemene beleid
In de adviesaanvraag wordt de vraag gesteld of het huidig instrumentarium nog wel toereikend is om de werkgelegenheid van minderheden te bevorderen en zo dit niet het geval is, welke alternatieven voorhanden zijn. Al met al stelt het kabinet een groot aantal specifieke vragen aan de raad, onder meer over de betekenis van ‘best practices’. Kernvraag is evenwel hoe kan worden gewaarborgd dat etnische minderheden voldoende profiteren van het algemene beleid.

De raad heeft het antwoord op die vraag uitgewerkt in de hoofdstukken over arbeidsmarktbeleid en het beleid voor subgroepen. Hij heeft dit gedaan tegen de achtergrond van de uitgangspunten die de overheid met betrekking tot het integratiebeleid heeft gevoerd. Daarop wordt in de volgende paragraaf kort ingegaan.

Het integratiebeleid

Actief burgerschap
Het onderwijs(achterstanden)beleid, het inburgeringsbeleid en het arbeidsmarktbeleid gericht op etnische minderheden zijn onderdeel van het integratiebeleid van de overheid. Het integratiebeleid is gericht op de bevordering van actief burgerschap in een democratische samenleving. Het integratiebeleid dient de ontplooiing van individuen en de emancipatie van achtergebleven groepen. Speerpunten van beleid zijn naar de opvatting van het kabinet werk, onderwijs en scholing en een ongedwongen omgang van burgers met elkaar.

Kansen krijgen is kansen pakken
In de Nota ‘Kansen krijgen, kansen pakken’ stelt het kabinet dat een nieuw elan nodig is om de burgers die tot de zogeheten oudere en nieuwere minderheidsgroepen behoren, hun talenten te laten ontplooien. De raad steunt dit uitgangspunt. Er is een activerend beleid nodig waarvan de kenmerken zijn: een heldere verwoording van uitgangspunten en van rechten en plichten van uitvoerders en cliënten, een resultaatgerichte werkwijze ondersteund door deugdelijke instrumenten, samenhang in de uitvoering en samenwerking van uitvoerders met andere betrokkenen waaronder de minderhedenorganisaties en sociale partners in sectoren, bedrijven en instellingen. Zowel het grote-stedenbeleid als het sectorale arbeidsmarktbeleid zijn belangrijke kaders om aan die samenwerking gestalte te geven.

Advieskader

De aandacht van de raad heeft zich geconcentreerd op drie pijlers van het integratiebeleid te weten het onderwijsbeleid dat sterk in het teken moet staan van het wegwerken van achterstanden, het inburgeringsbeleid dat uitgaat van een structurele en consequente kennismaking van nieuwkomers met de Nederlandse samenleving en het arbeidsmarktbeleid dat erop gericht moet zijn dat minderheden volwaardig in de samenleving kunnen participeren. De adviesaanvraag van het kabinet is vooral gericht op een nadere precisering van wat het arbeidsmarktbeleid aan instrumenten te bieden moet hebben. De raad is bij de beantwoording niet ingegaan op alle details van de vraagstelling, maar heeft zich gericht op de hoofdlijnen van het beleid. Dat betekent dat de raad niet alle vragen die daarin zijn gesteld in dit advies heeft beantwoord. De raad gaat er daarbij van uit dat de Stichting van de Arbeid in de komende evaluatie van het tweede Minderhedenakkoord zal nagaan hoe de doorwerking van dit akkoord in bedrijven en instellingen kan worden versneld. Wel is in ruime mate het kader geschetst waarbinnen de beleidsontwikkeling dient plaats te vinden en waarbinnen specifieke problemen moeten worden opgelost.

Onderwijsbeleid

Kernproblemen
De raad onderscheidt met betrekking tot het onderwijs twee kernproblemen. Ten eerste beginnen relatief veel kinderen uit de minderheden met een taal- en ontwikkelingsachterstand aan het onderwijs. Ten tweede blijven deze achterstanden veelal bestaan tot het einde van de onderwijsloopbaan. Om de onderwijs- en arbeidsmarktpositie van leerlingen uit de minderheden te verbeteren doet de raad de volgende aanbevelingen:

Voorschoolse diagnose
Voor de voorschoolse fase bepleit de raad de noodzaak om één instelling de hoofdverantwoordelijkheid te geven voor de monitoring en indicatiestelling van jonge kinderen met taal- en ontwikkelingsachterstand. De raad denkt hierbij aan de consultatiebureaus, waarbij het bereik van de consultatiebureaus onder kinderen uit de minderheden gemaximaliseerd dient te worden. Een door het consultatiebureau voorgestelde deelname aan een educatieve voorziening dient, in ieder geval voor gezinnen met een laag inkomen, gratis te zijn. Verplichting tot deelname aan een voorziening voor kinderen tot 4 jaar acht de raad niet realistisch.

Kwaliteitsstrategie
Wat het basis- en voortgezet onderwijs betreft vindt de raad het noodzakelijk om zo spoedig mogelijk op alle scholen met achterstandsleerlingen samen te werken aan kwaliteitsverbeteringen. Dit kan op verschillende manieren:
  • Bevorder dat personen met ervaring met de implementatie van succesvolle onderwijsmethoden zoveel mogelijk scholen opzoeken. Betrek hierbij ook de bestaande expertisecentra zoals de schoolbegeleidingsdiensten.
  • Bevorder dat per school een verantwoordelijk projectleider wordt aangesteld.
  • Formuleer landelijk (via het landelijk beleidskader) strakkere en concretere aanwijzingen en waarborg dat achterstandsmiddelen gerichter en effectiever worden ingezet.
De raad staat voorts positief tegenover invoering van leerstandaarden en nodigt het kabinet uit dit element te betrekken bij de concretisering van het plan Onderwijskansen .
Ook de brede school kan bijdragen aan wegwerken van onderwijsachterstanden, mits er sprake is van een duidelijke prioriteitenstelling en een heldere doelstelling. Van alle mogelijke doelen van de brede school acht de raad het wegwerken van onderwijsachterstanden de belangrijkste.

Om gemeenten en scholen te ondersteunen, onderschrijft de raad het streven uit het plan Onderwijskansen voor een intensieve kennis- en informatie-uitwisseling zowel gericht op scholen als gemeenten; de raad beveelt aan te onderzoeken in hoeverre er verbeteringen mogelijk zijn in de bestaande structuur van expertisecentra.

Ten minste een startkwalificatie
In het beroepsonderwijs staat voor de raad het behalen van een startkwalificatie voorop bij de omgang met risicoleerlingen. Voor sommige leerlingen, voor wie een startkwalificatie niet haalbaar is, zijn specifieke trajecten nodig die leiden naar een passende, blijvende positie op de arbeidsmarkt, met zo mogelijk (bij)scholing op de werkplek. Initiatieven als de ArenA Academie, waarin werken en leren worden gecombineerd en leerlingen in samenwerking met het regionale bedrijfsleven worden voorbereid op specifieke functies, kunnen in aanvulling op reguliere onderwijstrajecten uitkomst bieden. Wel dienen dergelijk initiatieven op een zorgvuldige manier met (aankomende) leerlingen om te gaan; leerlingen die kansrijk voor een regulier onderwijstraject zijn moeten in principe worden geweigerd, en wél toegelaten leerlingen dienen tot een zo hoog mogelijk beroepsniveau te worden opgeleid vooraleer zij voltijds aan het werk gaan.

Versterking secundair beroepsonderwijs
Verder beveelt de raad met het oog op de versterking van de positie van leerlingen uit minderheidsgroepen het volgende aan:
  • Zorg voor een goede aansluiting tussen vmbo en de bbl.
  • Zorg voor goede voorlichting en verbeter de beschikbaarheid van beroeps-praktijkvormingsplaatsen opdat leerlingen binnen het beroepsonderwijs in een vroeger stadium de juiste keuze maken tussen de bbl en de bol.
  • Begeleid leerlingen uit de minderheden actief en help voor hen betaalde beroepspraktijkvormingsplaatsen te ontsluiten. Stel mentoren en tutoren uit de minderheden aan.
  • Zorg voor actieve begeleiding bij een overstap van de bol naar de bbl.
  • Bereid onder meer via goed begeleide en geëvalueerde stages en het besteden van aandacht aan sociale en communicatieve vaardigheden in de curricula, etnische leerlingen beter voor op de Nederlandse arbeidsverhoudingen en omgangsvormen.
  • Maak het voor bedrijven, in aanvulling op de bestaande fiscale faciliteit, aantrekkelijker om etnische minderheden een beroepspraktijkvormingsplaats te bieden.
  • Stimuleer een actieve opstelling van scholen bij de verbetering van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor etnische leerlingen.

Voortijdig schoolverlaten
Wat de problematiek van het voortijdig schoolverlaten betreft, beveelt de raad het volgende aan:
  • Geef de Regionale Meld- en Coördinatiepunten (RMC’s) ook een rol bij het actief leiden van jongeren naar kwalificerende (leerwerk)trajecten.
  • Houd nadrukkelijk rekening met culturele verschillen in de benadering van drop-outs uit de minderheden.
  • Zet bij daadwerkelijke onwilligheid van de kant van de betrokken jongere steeds de beschikbare sanctiemogelijkheden in.
  • Zoek ook naar manieren om met positieve prikkels het voor schooluitvallers aantrekkelijk te maken om bijvoorbeeld via een leerwerktraject alsnog een startkwalificatie te behalen.

Inburgeringsbeleid

Nieuwkomers en inburgeringsbeleid
Het inburgeringsbeleid beoogt nieuwkomers instrumenten aan te reiken om hen in staat te stellen zo spoedig mogelijk een zelfstandig bestaan op te bouwen. Het inburgeringsbeleid is gestart in 1996 en heeft in 1998 vorm gekregen in de Wet inburgering nieuwkomers (WIN). De wet verplicht de gemeenten nieuwkomers een inburgeringsonderzoek en -programma aan te bieden en verplicht de nieuwkomers daaraan deel te nemen. Het volledige inburgeringstraject bestaat uit een onderzoek, een inburgeringsprogramma met Nederlands als tweede taal, maatschappelijke en beroepsoriëntatie en ten slotte een fase waarin wordt doorgeleid naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt. De totale duur van het traject is maximaal vier plus twaalf plus zes maanden. Zowel over de nieuwkomers als over de resultaten van de WIN zijn weinig gegevens beschikbaar.

De nieuwkomer centraal
De WIN vervult zijn beoogde rol op dit moment nog onvoldoende. Om de nieuwkomer een echte kans te geven op inburgering is het nodig de nieuwkomer centraal te stellen in het inburgeringsbeleid. Dit betekent dat de inburgeringstrajecten en de daarbij behorende educatieve trajecten maatwerk moeten zijn. Bij de invulling van de trajecten zal rekening gehouden moeten worden met de verschillen tussen de nieuwkomers (naar geboorteland, geloof, cultuur en in dat kader ook naar sekse) en in het bijzonder met de verschillen in opleiding.

Regie, samenwerking, registratie
De WIN vraagt samenwerking: binnen gemeentes en tussen gemeentes, regionale opleidingscentra (ROC’s) en arbeidsvoorziening. Het blijkt dat de gemeenten, maar ook de andere partijen, op dit moment onvoldoende in staat zijn de daarvoor benodigde regie, samenwerking en gegevensuitwisseling te organiseren. Een middel om dit te verbeteren kan zijn het aanbieden van modellen voor bijvoorbeeld registratie, administratie en regie aan gemeenten en ROC’s. Initiatieven daartoe zijn reeds genomen. Daarenboven dient ook de vraag onder ogen gezien te worden of het inburgeringsbeleid niet te ver kan zijn door gedecentraliseerd en dat een aantal gemeenten met dit beleid zal blijven worstelen. Uitval Over uitval tijdens het inburgeringsproces is weinig bekend. Uitval kan vele redenen hebben. Als het te maken heeft met onwil moeten, zo meent de raad, de sanctiemogelijkheden waarin de WIN voorziet ook worden toegepast.

Taalverwerving
Het taalniveau dat bereikt moet worden blijkt een knelpunt. De beschikbare hoeveelheid tijd is in veel gevallen niet voldoende. Een verlenging lijkt niet wenselijk; het inburgeringstraject duurt al lang. De raad doet hier een drietal aanbevelingen. Ten eerste maatwerk: het daadwerkelijk aanbieden van taalonderwijs dat aansluit bij (het opleidingsniveau van) de nieuwkomer. Ten tweede moet worden bezien of het samenballen van het taalonderwijs in een korte periode een bijdrage kan leveren. Ten derde moet de vraag worden gesteld of strikt moet worden vastgehouden aan de taaleisen of dat snellere arbeidsbemiddeling en het leren op de werkvloer een alternatief kan zijn. Daarbij moeten de mogelijkheden die de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het inburgeringsproces kan bieden, worden benut. Voor de inburgering is het van belang tijdig stappen te nemen om te komen tot diploma-erkenning en tot het erkennen/waarderen van in het land van herkomst of elders verworven competenties/kwalificaties.

Eerdere start inburgering
Nieuwkomers verblijven vaak al een aantal jaren in Nederland voordat zij in aanmerking komen voor het volgen van inburgeringstrajecten. De raad meent dat het overweging verdient de dagstructurering (in asielzoekerscentra) onderdeel te maken van de inburgering en asielzoekers na verloop van enige tijd, maar nog tijdens de asielprocedure deel te laten nemen aan inburgeringstrajecten. Bij dit alles wijst de raad erop dat het, om een aantal redenen, van wezenlijk belang is de proceduretijden en het verblijf in de opvang te verkorten. Een van die redenen is dat een dergelijke versnelling ten goede zal komen aan de inburgering.

Arbeidsmarktbeleid

Naar een gedifferentieerde aanpak
De arbeidsmarktpositie van etnische minderheden is vergeleken met een tiental jaren geleden sterk verbeterd. De arbeidsdeelname van etnische minderheden is toegenomen, zelfs sterker dan die van autochtonen. Desalniettemin is de werkloosheid onder minderheden onevenredig hoog. Belangrijk is ook de constatering dat tussen etnische minderheden grote verschillen zijn in participatie en werkloosheid. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen zoals verschil in taalvaardigheid, opleidingsniveau en migratiegeschiedenis. Culturele verschillen vormen de verklaring voor de zeer lage participatie van Marokkaanse en Turkse vrouwen. Voor de verklaring van de slechte arbeids-marktpositie zijn dus per categorie steeds andere factoren relevant en dus zal het integratiebeleid een variëteit aan instrumenten en aanpak moeten hanteren. Dat neemt niet weg dat het opleidingsniveau steeds weer van doorslaggevend belang blijkt te zijn.

Positief in de geschetste ontwikkelingen is dat de uit Suriname afkomstige bevolkingsgroep nauwelijks meer een probleemcategorie is. Negatief is de tendens dat juist onder een aantal categorieën jongeren de werkloosheid toeneemt. Dat duidt op een tekortschietende onderwijsdeelname en onvoldoende rendement van de sluitende aanpak voor jongeren.

Beleidskader en budget
Het algemene beleidskader van de overheid bevat een aantal belangrijke instrumenten. Aan de reïntegratietrajecten die gefinancierd worden uit bijvoorbeeld de prestatiebudgetten van de uitvoerders van de sociale zekerheid, het ESF of de sluitende aanpak wordt (het scholings- en activeringsbudget van de WIW meegerekend) 2½ miljard gulden uitgegeven. De gesubsidieerde banen, zoals de WIW-dienstbetrekkingen, de I/D-banen, de WSW-banen, kosten samen ruim 7 miljard. De basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening kost een half miljard gulden en voorts worden fiscale afdrachtskortingen gegeven (WVA en SPAK) tot een bedrag van 3 miljard gulden. In totaal is dus ruim 13 miljard gulden voor het actief arbeidsmarkbeleid beschikbaar (begroting voor het jaar 2000).

Werkt het beleid?
De raad meent dat het algemene arbeidsmarktinstrumentarium toereikend moet worden geacht om het leeuwendeel van alle werkzoekenden op korte of wat langere termijn aan een baan te helpen. Met het instrumentarium zullen altijd specifieke toepassingen voor groepen en individueel maatwerk mogelijk moeten zijn. Dat kan ook betekenen dat onder invloed van de aantrekkende arbeidsmarkt, reïntegratietrajecten belangrijker worden dan gesubsidieerde arbeid en dat gemeenten de doorstroom uit gesubsidieerde arbeid sterker bevorderen. Flexibiliteit is vereist.

Over de vraag of het beleid tot nu toe voor minderheden succesvol is geweest valt in zijn algemeenheid helaas weinig te zeggen. In de eerste plaats is de beschikbare informatie niet toereikend. In de tweede plaats heeft de raad sterk de indruk dat de bestaande beleidsmogelijkheden nog onvoldoende worden benut. Het gaat daarbij concreet om de uitvoering van het beleid in de directe contacten tussen de uitvoeringsinstellingen en de (uitkeringsgerechtigde) werkloze werkzoekende en om de (vaak ontbrekende) samenwerking tussen de verschillende instanties die betrokken zijn bij de uitkeringsverschaffing (Uvi of gemeente) en de reïntegratie (Arbeidsvoorziening, opleidings- en scholings-instellingen, eventuele andere hulpverleners). Verbetering van de samenwerking gericht op duidelijke reïntegratiedoelstellingen is een eerste vereiste.

Kwalificatieverhoging van werkzoekenden…
Het oplossen van knelpunten in de personeelsvoorziening vraagt een aanzienlijke kwalificatieverbetering aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zowel bij werkenden als bij werkzoekenden. De raad staat positief tegenover de start-kwalificatie-initiatieven die overheid en sociale partners samen momenteel nemen onder de paraplu van de tripartiete Employability-Agenda .

De raad acht een extra impuls aan de startkwalificatietrajecten echter noodzakelijk, speciaal voor de doelgroep die niet via het reguliere secundair beroepsonderwijs (noch via de bbl noch via de bol) tot dit kwalificatieniveau kan worden gebracht. Gedacht wordt aan mensen boven de 27 jaar, die geen startkwalificatieniveau hebben maar wel gemotiveerd zijn en de potentie hebben om die te halen. Hiertoe zullen relatief veel personen van een etnische minderheid behoren.
Bij dit soort trajecten gaat het om maatwerk, gebaseerd op de erkenning van reeds verworven competenties en waarbij het leren bij voorkeur in een werkomgeving plaatsvindt, met het perspectief om in te stromen in vacatures waarvoor een startkwalificatieniveau vereist is. De raad stelt voor om in het platform Employability-Agenda te komen tot een verdere uitwerking van deze leertrajecten.
 
…en van werkenden
Naast startkwalificatietrajecten voor de onderkant van de arbeidsmarkt dient er aandacht te zijn voor scholing voor werkenden om (onder veranderende omstandigheden) het eigen werk te kunnen blijven uitoefenen of om door te kunnen stromen naar werk van een hoger niveau (trek in de schoorsteen). Gegeven het feit dat voor veel mensen geldt dat de feitelijke potenties groter zijn dan het formeel behaalde kwalificatieniveau is het tegen de achtergrond van de schaarste op de arbeidsmarkt van belang die potenties beter te benutten. De huidige scholingsaftrek blijkt nog tot onvoldoende vooruitgang te leiden, zeker bij de doorstroming van minderheden naar hogere functies. De raad stelt voor om bij de fiscale scholingsaftrek ook voor de opscholing naar het reguliere basisberoepsniveau een aftrek van 40 procent in te voeren. Veel personen van etnische minderheden zullen daarvan profiteren. Tevens vraagt de raad aandacht voor het ontwikkelen van financiële tegemoetkomingen voor werknemers bij scholing (in spaarloonregelingen en/of fiscale aftrek). Voorts dient het kabinet ertoe te besluiten om in de non-profitsector gerichte voorlichting over de scholingsaftrek te geven.

Minderhedenbeleid versterken met sectorbeleid
De raad bepleit versterking van het sectorbeleid van Arbeidsvoorziening. In dit beleid is een aantal goede instrumenten opgenomen dat de transparantie van de arbeidsmarkt bevordert (bijvoorbeeld de sectormonitors) en een gerichte aanpak van de vacaturevervulling mogelijk maakt. Arbeidsvoorziening beschikt over aantrekkelijke voorzieningen, waaronder de BAMmers, om aan een vraaggerichte (sectorale) benadering vorm te geven. De effectiviteit van het sectorbeleid ten behoeve van minderheden is echter nog te gering. Van groot belang is nu dat het sectorbeleid daadwerkelijk zwaluwstaart met het minderhedenbeleid. Uit de evaluatie van de Wet Samen is gebleken dat er bij Arbeidsvoorziening onvoldoende capaciteit is (onder meer in het aantal BAMmers) om adequaat te reageren op reacties uit het bedrijfsleven. Daardoor blijven mogelijkheden onbenut.

Werving versterken, zoekgedrag verbeteren
De gebruikelijke wervingskanalen van werkgevers en de zoekkanalen van minderheden sluiten niet op elkaar aan. Nieuwe wegen moeten worden bewandeld om werkzoekenden uit minderheidsgroepen op het spoor te komen. De inschakeling van contactpersonen uit de sfeer van de etnische minderheden zelf lijkt daarbij vaak succesvol (barefoot recruitement).
Minderhedenorganisaties kunnen hierbij behulpzaam zijn. Belangrijk is ook dat personeelsafdelingen medewerkers van etnische afkomst hebben. Meer in het algemeen acht de raad het van belang dat het management van bedrijven en instellingen de instrumenten van het sociaal beleid, meer dan tot nu toe reeds gebeurt, toepast ten behoeve van diversiteitsbeleid (inclusief intercultureel personeelsbeleid) en instrumenten zoekt om werknemers afkomstig uit etnische minderheden binnen te halen en binnen te houden. Ook dienen werkzoekende minderheden via de basisdienstverlening van het arbeidsbureau te worden geholpen bij het actief en gericht zoeken naar een baan. In het verlengde hiervan meent de raad dat met de toepassing van de sluitende aanpak binnen één jaar nadat een persoon werkloos is geworden, een te ruime termijn is gekozen.

Beleid moet leren van best practices
De behoefte aan reïntegratietrajecten uitgevoerd door zelfstandige intermediairs is toegenomen. Daarmee is ook meer bekend geworden over succes- en faalfactoren bij integratietrajecten. Best practices geven een indicatie van de eisen die aan effectieve reïntegratie moet worden gesteld. Die komen neer op een goede diagnose van de belemmeringen in de vraag- en aanbodkant, de noodzaak van een integrale aanpak en ondersteuning door een trajectbegeleider (mentor). De raad verbindt hieraan de volgende conclusies:
  • De reïntegratieproblematiek wordt sterk onderschat. Dat komt met name tot uitdrukking in de gebrekkige samenwerking tussen de betrokken instanties. Vooral de samenwerking tussen de uitkeringsinstantie en het reïntegratiebedrijf vraagt meer structuur.
  • Het ondersteuningsaanbod in de sluitende aanpak moet sneller tot stand komen, zeker als het gaat om taalvaardigheidverbetering ten behoeve van ‘oudkomers’.
  • Uitkeringsgerechtigde werkzoekenden dienen te voldoen aan de wettelijke verplichtingen die het ontvangen van een uitkering met zich mee brengt. In het verlengde daarvan zijn werkzoekenden er mee gediend indien bij de intake de te volgen aanpak expliciet wordt gemaakt en schriftelijk vastgelegd.
  • De uitkeringsinstantie die tevens verantwoordelijk is voor de reïntegratie, dient een contactpersoon aan te stellen die het gehele reïntegratieproces overziet en als casemanager de primaire verantwoordelijkheid voor het integratieproces draagt.
  • In veel situaties zal het aanwijzen van een mentor een goede ondersteuning van het reïntegratieproces zijn.
Rol van de onderneming is doorslaggevend
De rol van de onderneming voor een op minderheden gericht arbeidsmarktbeleid is van doorslaggevende betekenis. De raad dringt aan op het ontwikkelen van intercultureel personeelsbeleid en management en het ‘cultuur-neutraal’ maken van werving en selectie. Bijscholing op deze aspecten is van groot belang. Daarbij kan ook ondersteuning vanuit brancheorganisaties, zeker voor MKB-bedrijven niet gemist worden. Brancheorganisaties kunnen inspringen bij: de werving en instroom van minderheden, (bij)scholing van (oudere) werknemers, het scheppen van opleidingsmogelijkheden ‘off-the-job’, het verbeteren van het imago van de sectoren en de samenwerking met Arbeidsvoorziening. Branches kunnen reïntegratietrajecten entameren, zoals de ‘Krachtig Ondernemen met Minderheden’ (KOM-)projecten en zij zijn betrokken bij de implementatie van de stichtingsaanbevelingen. Een actieve rol van brancheorganisaties kan het voor bedrijven en instellingen gemakkelijker maken zich op de niet-traditionele doelgroepen te richten. Hetzelfde geldt in vergelijkbare mate voor de steun die gemeenten in regionale samenwerking aan het bedrijfsleven kunnen verlenen. Meer integrale aandacht van gemeenten voor de minderhedenproblematiek in het grotestedenbeleid kan daarbij behulpzaam zijn.

De Wet Samen
De Wet Samen lijkt, volgens de evaluatie van de wet, niet wezenlijk bij te dragen tot verhoging van de arbeidsdeelname van etnische minderheden. De wet biedt een kader voor overleg op ondernemingsniveau en geeft handvatten voor ondernemingsraden en maatschappelijke organisaties om het beleid van ondernemingen kritisch te volgen. De raad betreurt die geringe invloed. Hij meent dat ondernemingsraden en medezeggenschapsorganen zich op dit punt meer moeten laten gelden. De vakorganisaties dienen hun voorlichting hierop sterker te richten.

De raad wil er geen twijfel over laten bestaan dat hij meent dat de Wet Samen moet worden nageleefd. Maar met betrekking tot de effecten moeten de verwachtingen niet te hoog gespannen zijn. De wet heeft bijgedragen aan de bewustwording van de problematiek en de meningsvorming in het bedrijfsleven en vervult onder meer ten behoeve van de uitvoering van het beleid een ondersteunende functie. Al met al meent de raad dat continuering van deze (tijdelijke) wet tot 2003 zin heeft.

Taskforce Minderheden en Arbeidsmarkt
De raad onderschrijft in grote lijnen de aanbevelingen van de Taskforce (zie bijlage 3).

Beleid voor subgroepen

Doelgroepenbeleid blijft nodig. De raad is van mening dat binnen het kader van het algemene beleid het arbeidsmarktbeleid toegespitst dient te worden op subgroepen. Zo kan beter worden ingespeeld op de omstandigheden waarin mensen verkeren en een antwoord worden gegeven op de specifieke problemen die zij op de arbeidsmarkt ondervinden.

Vrouwen
De algemene conclusie uit het SCP-rapport Variatie in participatie (gebaseerd op onderzoek onder de vier omvangrijkste etnische groepen van het minderhedenbeleid) is dat de trend van toenemende economische zelfstandigheid niet voor alle vrouwen in Nederland geldt en dat tussen de verschillende groepen allochtone vrouwen een grote variatie in arbeidsparticipatie bestaat. Binnen de beroepsbevolking zijn de verschillen tussen Surinaamse en Antilliaanse/Arubaanse vrouwen enerzijds en autochtone vrouwen anderzijds het kleinst. Bij de Turkse en Marokkaanse vrouwen is daarentegen slechts sprake van een relatief kleine groep werkenden. De raad realiseert zich dat het hebben van kinderen voor allochtone vrouwen de arbeidsdeelname moeilijker maakt, net als voor autochtone vrouwen, dat de migratiegeschiedenis telt en dat het patroon van gezinsvorming (zoals de gemiddeld jonge leeftijd bij de geboorte van het eerste kind en eenouderschap) mede bepalend is. Bij de beslissing al dan niet deel te nemen aan het arbeidsproces spelen ook culturele factoren. In bepaalde gevallen komt die eigenheid de arbeidsparticipatie ten goede en in andere gevallen niet.

De raad meent dat steeds moet worden nagegaan hoe het beleid juist ook zijn betekenis kan krijgen voor specifieke categorieën van de bevolking. Inzet van het emancipatiebeleid ten aanzien van werk, zorg en inkomen is het bereiken van een duurzame situatie waarin zoveel mogelijk mensen gedurende hun levensloop een economisch zelfstandig bestaan met zorgverantwoordelijkheid kunnen combineren.

Voor het bereiken van deze doelstelling is deelname aan de betaalde arbeid van belang. Dit geldt ook voor allochtone vrouwen. Een deel van hen heeft, zeker in vergelijking met autochtone vrouwen, nog een te grote afstand tot de arbeidsmark. De raad is zich er overigens van bewust dat er in Nederland nog vele andere, uit heel diverse landen afkomstige, allochtone vrouwen wonen. Daaronder bevinden zich ook veel vluchtelingen. De raad onderschrijft de belangrijkste aanbevelingen uit het SCP-rapport Variatie in participatie. Deze aanbevelingen zijn gericht op inburgeringsprogramma’s met moedervriendelijke agenda’s (waar de lestijden aansluiten bij schooltijden en er voorzieningen zijn voor opvang van de jongere kinderen) en een gericht aanbod voor kinderopvang en speciale herintredingsprogramma’s.
Ook voor allochtone vrouwen geldt dat de beste garantie voor een baan een goede opleiding is.

Ouderen
Het kabinet heeft de raad de vraag voorgelegd welke maatregelen kunnen worden genomen om de kansen van oudere allochtonen (40-plussers) op de arbeidsmarkt te verbeteren.
De raad meent dat de uitgangspunten die zijn geformuleerd in het SER-advies Bevordering arbeidsdeelname ouderen onverkort op oudere allochtone werkzoekenden van toepassing zijn. De raad onderkent met betrekking tot oudere allochtonen drie beleidssporen. In de eerste plaats zijn remigratiemogelijkheden door de recent vernieuwde Remigratiewet (50-plussers) toegenomen. In de tweede plaats zal een effectief activeringsbeleid gevoerd moeten worden voor de werkloze werkzoekende allochtonen waarbij plaatsing in arbeid op redelijke termijn het perspectief moet zijn. In de derde plaats zal, voor een aantal allochtone werkzoekenden, gekozen moeten worden voor een spoor dat sociale activering (bijvoorbeeld door inschakeling van zelforganisaties van minderheden en vrijwilligerswerk) voorop stelt. Bij sociale activering blijft deelname aan betaalde arbeid een toekomsperspectief.

Hoger opgeleide allochtonen
Hoger opgeleide allochtonen hebben een aanzienlijk betere arbeidsmarktpositie dan hun lager opgeleide landgenoten, maar ook zij ondervinden meer moeite op de arbeidsmarkt dan allochtonen. Het verschil hangt samen met de migratiegeschiedenis, het zoekgedrag, de werking van intermediairs en het wervingsgedrag. De verklarende waarde van de factoren is per etnische categorie verschillend.

Op alle vier genoemde factoren kan beleid worden ontwikkeld: bijvoorbeeld door meer informatie over buitenlandse diploma’s of door het ontwikkelen van betere assessmentmogelijkheden, door bijsturing van het zoekgedrag, het aanboren van netwerken buiten de eigen allochtone kring, het benutten van gespecialiseerde intermediairs en door het aanpakken van vooroordelen die samenhangen met cultureel bepaalde waarderingen van gedrag en uiterlijkheden. Dit beleid is algemeen van aard maar heeft, bij toepassing voor hoger opgeleiden een specifieke uitwerking nodig. De raad pleit ervoor programma’s te ontwikkelen waarbij etnische minderheden beter in staat worden gesteld (door stages of andere duale trajecten) kennis te nemen van de cultuur van het bedrijfsleven en de overheid.