Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1999 | Bevordering arbeidsdeelname ouderen

Bevordering arbeidsdeelname ouderen

Advies 1999/18 - 17 december 1999 

Het kabinet heeft op 12 mei 1999 de Sociaal-economische Raad (SER) gevraagd advies uit te brengen over het beleid ter bevordering van de arbeidsdeelname van ouderen. Achtergrond van de adviesaanvraag is dat nog slechts ruim een kwart van de huidige 55-plussers op dit moment betaalde arbeid verricht. Dit is ook in vergelijking tot andere landen laag.

Download:Volledig advies (1941 kB)

Adviesaanvraag
Het kabinet heeft op 12 mei 1999 de Sociaal-Economische Raad (SER) gevraagd advies uit te brengen over het beleid ter bevordering van de arbeidsdeelname van ouderen. Achtergrond van de adviesaanvraag is dat nog slechts ruim een kwart van de huidige 55-plussers op dit moment betaalde arbeid verricht. Dit is ook in vergelijking tot andere landen laag. Het kabinet acht verhoging van de arbeidsdeelname van ouderen van belang, mede in het licht van de verdere vergrijzing en ontgroening. De verhoging is nodig om te kunnen voldoen aan de vraag naar gekwalificeerde arbeid en een voldoende draagvlak voor het sociale stelsel te kunnen handhaven. Stap voor stap zou bereikt moeten worden dat in het jaar 2030 weer de helft van 55-plussers actief is in betaald werk. Daartoe is volgens het kabinet allereerst een mentaliteitsomslag nodig.
Werkgevers dienen rekening te houden met een toenemende noodzaak om oudere werknemers inzetbaar te houden en voor werknemers dient het vanzelfsprekender te worden om tot een hogere leeftijd door te werken. Het moet dan voor ouderen wel mogelijk en aantrekkelijk zijn om te blijven werken. Dit betekent dat bestaand beleid dat vervroegde uitreding door werknemers stimuleert dient te worden herzien, dat onvrijwillige uittreding (via WW en WAO) zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat de reïntegratie in het arbeidsproces van werkzoekende ouderen moet worden bevorderd. Het kabinet benoemt in de adviesaanvraag een groot aantal denkbare maatregelen zonder daarin keuzes te maken, die zowel betrekking hebben op het sociaal beleid van ondernemingen, als op ondersteunende maatregelen waarvoor de overheid (onder meer via wetgeving en voorlichting) zorg dient te dragen.

Oorzaken lage participatie
De raad heeft zich in aanvulling op de analyse van het kabinet de vraag gesteld, welke factoren ten grondslag liggen aan de huidige lage arbeidsdeelname van ouderen. De raad concludeert dat de huidige lage arbeidsdeelname van ouderen in belangrijke mate het gevolg is van bewust gevoerd en institutioneel ingebed beleid. In reactie op de groeiende werkloosheid in de jaren zeventig en tachtig zijn de mogelijkheden voor oudere werknemers om vervroegd uit te treden verruimd. Veel werknemers hebben het arbeidsproces vroegtijdig kunnen verlaten via VUT-regelingen. Maar ook de WAO en de WW hebben gefungeerd als uittredingsroute. De WAO vooral door een ruimhartig toelatings- en uitkeringsbeleid en de WW onder meer door toepassing van de ouderenrichtlijn, waardoor oudere werknemers bij voorrang konden worden ontslagen. Naast het bestaan van uittredingsroutes blijken ook individuele omstandigheden (met name de gezondheidssituatie en de huishoudensituatie), en ten dele ook werkgerelateerde factoren, een belangrijke rol te spelen bij vervroegde uittreding. Verder zijn te noemen de negatieve beeldvorming ten aanzien van oudere werknemers en de invloed van de calculerende werkgever voor wie de gemiddeld gezien hogere kosten van lonen, pensioenen en andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen van oudere werknemers, een factor van betekenis kunnen zijn. De raad stelt vast dat het beleid effectief dient aan te grijpen bij de oorzaken van de huidige lage arbeidsdeelname van ouderen.

Algemene visie van de raad
Verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen is noodzakelijk; niet alleen vanwege de actuele tekorten op de arbeidsmarkt, maar ook vanwege de structurele vergrijzing van de Nederlandse bevolking en de daarmee samenhangende waarborging van een voldoende draagvlak voor het sociale stelsel. Ook is het beter en langer benutten van opgebouwde expertise van belang voor een goed renderende arbeidsmarkt.

De afgelopen jaren is de arbeidsdeelname van ouderen weer licht toegenomen. De raad verwacht dat door de krapte op en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt voor ouderen, het aantrekkelijker zal worden (gemaakt) om langer te blijven werken. De raad acht de stijging echter fragiel. Versterking van de in gang gezette stijging is noodzakelijk en noopt tot extra inspanningen.
Uitgangspunt dient te zijn dat in beginsel alle arbeidsgeschikte personen jonger dan 60 jaar deelnemen aan het arbeidsproces. Daarbij is uitdrukkelijk aandacht nodig voor intensivering van het beleid gericht op een beperking van de instroom in de WAO en de reïntegratie van WAO-uitkeringsgerechtigden. In dit verband verwijst de raad naar aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid (1).
Ook de arbeidsdeelname van personen van 60 jaar en ouder dient te worden verhoogd, waarbij in veel gevallen niet een volledige participatie aan de orde is, maar van een proces van geleidelijke uittreding op basis van individuele preferenties mogelijk moet worden gemaakt. De omzetting van VUT-regelingen in flexibele pensioenregelingen is hierbij van groot belang. In het algemeen dient het beleid gericht te zijn op een normalisering van de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers; bestaande beschermingsarrangementen die in de context van de jaren zeventig en tachtig sociaal-politiek verantwoord waren, zijn toe aan een heroverweging.

In de beleidsvorming onderscheidt de raad twee hoofdsporen. Ten eerste gaat het om de voortzetting en waar nodig verdere ontwikkeling van een adequaat leeftijdsbewust personeelsbeleid binnen ondernemingen. Ten tweede gaat het om verbetering van de incentivestructuur van arbeidsvoorwaardelijke en uittredingsregelingen. In de hoofdstukken 5 tot en met 8 weegt de raad de concrete beleidsmogelijkheden op het terrein van respectievelijk het sociaal beleid van ondernemingen, het arbeidsmarktbeleid, de sociale zekerheid, belastingen en de pensioenen. In hoofdstuk 9 van dit advies heeft de raad zijn aanbevelingen samengevat. Op deze plaats wordt kortheidshalve naar dit hoofdstuk verwezen.

  1. Stichting van de Arbeid, Beperking ziekteverzuim en instroom in de WAO, publicatienr. 5/99, Den Haag 1999.