Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1999 | Bijzondere aanpassing minimumloon

Bijzondere aanpassing minimumloon

Advies 1999/11 - 17 september 1999

Bij brief van 9 februari 1999 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de Sociaal-Economische Raad (SER) uitgenodigd een advies te geven over de vraag of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere aanpassing van het minimumloon en de daaraan via de netto-netto-koppeling gerelateerde minimum-uitkeringen wenselijk maken. Daarbij kan het zowel om een neerwaartse als een opwaartse aanpassing gaan.
Zelf is het kabinet van mening dat zich dergelijke omstandigheden niet voordoen. Een bijzondere verhoging van het minimumloon zou volgens het kabinet de werkgelegenheidswinst aan de onderkant van de arbeidsmarkt die na jarenlange beleidsinspanningen is geboekt in de waagschaal stellen. Daar waar tegemoetkoming geboden is voor mensen die mede door (langdurig) lagere inkomens in benarde omstandigheden geraken, zijn volgens het kabinet gerichtere maatregelen op hun plaats dan door een generieke verhoging van het minimumloon.

Download:Volledig advies (1189 kB)

Samenvatting

Inleiding

Bij brief van 9 februari 1999 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de Sociaal-Economische Raad (SER) uitgenodigd een advies te geven over de vraag of er omstandigheden aanwezig zijn die een bijzondere aanpassing van het minimumloon en de daaraan via de netto-netto-koppeling gerelateerde minimumuitkeringen wenselijk maken. Daarbij kan het zowel om een neerwaartse als een opwaartse aanpassing gaan. Zelf is het kabinet van mening dat zich dergelijke omstandigheden niet voordoen. Een bijzondere verhoging van het minimumloon zou volgens het kabinet de werkgelegenheidswinst aan de onderkant van de arbeidsmarkt die na jarenlange beleidsinspanningen is geboekt in de waagschaal stellen. Daar waar tegemoetkoming geboden is voor mensen die mede door (langdurig) lagere inkomens in benarde omstandigheden geraken, zijn volgens het kabinet gerichtere maatregelen op hun plaats dan door een generieke verhoging van het minimumloon.

Standpunt van de raad

De raad plaatst de beantwoording van de vraag of een bijzondere aanpassing van het minimumloon wenselijk is in een breder perspectief. Daarbij komen de toepassing van de i/a-ratio, de afstand tussen het minimumloon en de laagste loonschalen aan de orde.

Bijzondere aanpassing van het minimumloon
De raad constateert dat in de tweede vierjaarlijkse periode sinds de inwerkingtreding van de WKA elk jaar is gekoppeld en dat derhalve de ontwikkeling van het minimumloon vrijwel gelijk op is gegaan met die van de gemiddelde contractlonen. Het verschil hangt samen met de ontkoppeling in 1995 (geen overloop van 1995 naar 1996) en de naijling (als gevolg van de koppelingssystematiek) bij een opgaande loonontwikkeling. Vergelijkt men de ontwikkeling van het minimumloon met die van de gemiddelde verdiende lonen in dezelfde periode dan is het verschil groter. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan structuureffecten. De loondrift blijkt in die periode beperkt te zijn. De raad ziet in de verschillen in ontwikkeling tussen het minimumloon enerzijds en de gemiddelde contractlonen en verdiende lonen anderzijds niet voldoende aanleiding te pleiten voor een bijzondere brutoverhoging van het minimumloon. Het corrigeren van deze verschillen weegt namelijk niet op tegen de te verwachten negatieve effecten van een bijzondere verhoging van het brutominimumloon voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Tegelijkertijd stelt de raad vast dat het verschil in welvaartsontwikkeling tussen huishoudens van actieven en die van inactieven duidelijk is toegenomen. Dit hangt met name samen met het feit dat de dynamiek in de inkomensontwikkeling van de huishoudens van werkenden groter is dan die van niet-werkenden. Belangrijke factoren die daarbij een rol spelen zijn onder meer de toename van het aantal huishoudens met tweeverdieners en de toename van het aantal uren dat deze tweeverdieners werken. Dit effect komt niet tot uitdrukking in de koppeling: deze is afgeleid van de gemiddelde contractloonontwikkeling van een individuele werknemer. Het verschil in welvaartsontwikkeling tussen huishoudens van actieven en die van inactieven wringt vooral bij huishoudens met kinderen die op een minimumuitkering zijn aangewezen en huishoudens die langdurig zijn aangewezen op een uitkering op minimumniveau.

In het advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 , heeft de raad aangegeven dat – in aanvulling op het scheppen van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt – de armoede van huishoudens die langdurig zijn aangewezen op een minimumuitkering moet worden bestreden via gerichte maatregelen.(1)
De raad constateert dat op dit terrein in de beschouwde periode in aanvulling op de koppeling al veel is gebeurd, hetgeen deels tot uitdrukking komt in de koopkrachtplaatjes. Het bovengenoemde verschil in dynamiek in de inkomensontwikkeling van huishoudens van werkenden en die van niet-werkenden laat zich echter moeilijk vangen in koopkrachtplaatjes. Om ook met dit verschil in dynamiek rekening te houden acht de raad een extra inkomensondersteuning vooral noodzakelijk voor huishoudens met kinderen die op een minimumuitkering zijn aangewezen en huishoudens die langdurig zijn aangewezen op een uitkering op minimumniveau.
De raad denkt daarbij aan een extra koopkrachtondersteuning van 1 procent voor vooral deze minima.

Deze extra koopkrachtondersteuning kan naar de mening van de raad het beste vorm worden gegeven door in het bruto-netto-traject lastenverlichtende fiscale maatregelen te nemen en andere maatregelen te treffen die vooral een gunstige uitwerking hebben op de inkomenspositie van de bovengenoemde minima. Voor de financiering van deze maatregelen denkt de raad aan het benutten van de budgettaire ruimte die in deze kabinetsperiode beschikbaar is en nog beschikbaar zal komen.

i/a-ratio
De raad is van mening dat bij de beantwoording van de vraag of volgens de WKA kan worden ontkoppeld, eerst en vooral de twee in de wet genoemde afwijzingsgronden bepalend zijn. Hij heeft herhaaldelijk zijn bezwaren tegen het (uitsluitend) hanteren van de i/a-ratio als officiële afwijkingsgrond naar voren gebracht. Desondanks hebben de achtereenvolgende kabinetten geen afstand genomen van de i/a-ratio als officiële afwijkingsgrond en van de norm die in de memorie van toelichting van de WKA voor de i/a-ratio is vastgesteld. Wel moet worden geconstateerd dat bij de start van de kabinetten Paars I en Paars II ervan is afgezien om de norm voor de i/a-ratio te actualiseren. Sinds 1996 is de i/a-ratio tot ver onder de norm gedaald. Door deze daling is de kans toegenomen dat de wettelijke afwijkingsgronden actueel kunnen zijn zonder dat de norm wordt overschreden, hetgeen om redenen van uitgavenbeheersing als een risico moet worden beschouwd. Een dergelijk grote discrepantie tussen de wijze van toepassing van de i/a-ratio als officiële afwijkingsgrond enerzijds en de twee wettelijke afwijkingsgronden anderzijds, is volgens de raad niet in overeenstemming met de doelstellingen van de WKA. Dit pleit er eens te meer voor dat bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald jaar kan worden ontkoppeld eerst en vooral de twee in de wet genoemde afwijkingsgronden bepalend zijn.

Afstand minimumloon en laagste loonschalen
De raad acht het van groot belang dat de sociale partners in hun cao-beleid, daar waar dat nog aan de orde is en nodig is, blijven werken aan een verkleining van het verschil tussen het minimumloon en de laagste loonschalen.

(1) SER-advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 , publicatienr. 98/08, Den Haag 1998, pp. 108 en 109.