Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1999 | Wijziging Wet Bpf

Wijziging Wet Bpf

Advies 1999/07 - 18 juni 1999

In dit advies geeft de raad zijn opvattingen over de kabinetsvoorstellen tot wijziging van de Wet betreffende de verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Wet Bpf), waarover de staatssecretaris op 23 februari 1999 advies heeft gevraagd. Daarbij gaat het om de procedure van verplichtstelling, het tijdstip van inwerkingtreding van wijzigingen van statuten en reglementen van een bedrijfspensioenfonds, de reikwijdte van de verplichtstelling, vrijstellingen bij fusies en dergelijke en voorstellen in de sfeer van markt en overheid. Meer in het algemeen staat de raad eerst stil bij het instrument van verplichtstelling als zodanig.

Download:Volledig advies (344 kB)

Samenvatting


Inleiding

In dit advies geeft de raad zijn opvattingen over de kabinetsvoorstellen tot wijziging van de Wet betreffende de verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Wet Bpf), waarover de staatssecretaris op 23 februari 1999 advies heeft gevraagd. Daarbij gaat het om de procedure van verplichtstelling, het tijdstip van inwerkingtreding van wijzigingen van statuten en reglementen van een bedrijfspensioenfonds, de reikwijdte van de verplichtstelling, vrijstellingen bij fusies en dergelijke en voorstellen in de sfeer van markt en overheid. Meer in het algemeen staat de raad eerst stil bij het instrument van verplichtstelling als zodanig.


Verplichtstelling

Over het verplichtstellingsinstrument als zodanig heeft de raad zich eerder uitgesproken, namelijk in zijn in 1997 uitgebrachte advies Werken aan zekerheid. Hij kwam daarin tot de conclusie dat dit instrument per saldo positief moet worden gewaardeerd. Na een analyse van enkele aspecten van de sociaal-politieke discussie over de verplichtstelling en de daarbij aangevoerde voor- en nadelen, wees de raad er in het bijzonder op dat de verplichtstelling voorkomt dat ondernemingen onderling kunnen concurreren op pensioenregelingen als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, dat verplichtstelling zorgt voor een bedrijfstakbrede solidariteit en dat deze voorts bijdraagt tot het voorkomen van witte vlekken op pensioengebied. Voorts beoordeelde de raadde verplichtstelling positief met het oog op de arbeidsparticipatie van ouderewerknemers en van werknemers met een hoog invaliditeitsrisico. Hij ging dan ook voor de langere termijn uit van handhaving van de mogelijkheid van verplichtstelling als zodanig. Deze opvattingen over de verplichtstelling acht de raad nog steeds actueel. Daarnaast acht hij van betekenis dat thans op korte termijn een uitspraak te verwachten is van het Europese Hof van Justitie overeen drietal Nederlandse zaken waarbij de verplichtstelling en de verenigbaarheid daarvan met het Europese mededingingsrecht in het geding is. In het voorliggende advies gaat de raad ervan uit dat de verplichtstelling als zodanig in stand kan blijven.

De raad heeft er voorts kennis van genomen dat het punt van de verenigbaarheid van de verplichtstelling met het Europese mededingingsrecht voor het kabinet aanleiding vormt om bedrijfspensioenfondsen te verplichten hun collectieve basisregeling te financieren op basis van een doorsneepremie. Dit voornemen, dat via een wijziging van de Wet Bpf vorm zou dienen te krijgen, is niet in de adviesaanvraag opgenomen, maar is verwoord in het recent bekendgemaakte kabinetsstandpunt over de taakafbakening tussen pensioenfondsenen verzekeraars. Met betrekking tot het voornemen van de doorsneepremie constateert de raad dat hiermee vooruit wordt gelopen op een uitspraak van het Europese Hof van Justitie over de verenigbaarheid van de verplichtstelling met het Europese mededingingsrecht. De raad acht dit voornemen thans dan ook prematuur.


Verplichtstellingsprocedure

Ten aanzien van het kabinetsvoorstel om de procedures voor verplichtstelling zoveel mogelijk te laten aansluiten bij die voor het algemeen verbindend verklaren van CAO-bepalingen, constateert de raad dat dit in het bijzonder betrekking heeft op de wijze waarop het draagvlak voor de verplichtstelling wordt bepaald. Waar thans de door de raad gehanteerde representativiteitscriteria een belangrijke rol spelen, is het voorstel dat de criteria die in de afgelopen jarenzijn ontwikkeld in het kader van het avv-beleid (de invulling van het belangrijke meerderheidsvereiste in de Wet avv) zullen worden gebruikt. Deze criteria zien met name op de organisatiegraad aan werkgeverszijde, namelijk via het aantal werknemers dat in dienst is van de werkgevers die lid zijn van de werkgeversorganisaties die de verplichtstelling aanvragen.

Blijkens de toelichting op dit voorstel door het Ministerie van SZW zal daarnaast óók in de nieuwe situatie het uitgangspunt blijven dat een verzoek om verplichtstelling alleen kan worden gehonoreerd indien hiervoor ook aan de zijde van de georganiseerde werknemers voldoende draagvlak bestaat. De raad heeft voorts kennisgenomen van de mededeling van het Ministerie van SZW dat de voorgestelde aanpassing van de verplichtstellingsprocedure voor het overgrote deel van de thans verplichtgestelde bedrijfspensioenfondsen geen materiële consequenties zal hebben.

Mede ook gezien de door het Ministerie van SZW verstrekte toelichting op het kabinetsvoorstel acht de raad de voorgestelde aanpassing van de verplichtstellingsprocedure per saldo aanvaardbaar. Hij kan er voorts mee instemmen dat dan de Stichting van de Arbeid als adviesinstantie zal optreden waar het gaat om de beoordeling van het draagvlak voor verplichtstelling, aangezien de Stichting de minister ook adviseert over verzoeken om avv en de daarbij aan de orde zijnde representativiteitskwesties. Ten aanzien van de verzoeken waar-over in het kader van de Wet Bpf advies wordt gevraagd, acht de raad het wenselijk dat ook verzoeken om een nieuwe verplichtstelling steeds voor advies aan de Stichting van de Arbeid worden voorgelegd.

Ten aanzien van het kabinetsvoorstel voor een periodieke toets van het draagvlak voor verplichtgestelde bedrijfspensioenfondsen, kan de raad zich vinden in de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat een verplichtstelling niet kan blijven voortbestaan indien daarvoor in de bedrijfstak onvoldoende draagvlak bestaat. Fluctuaties op het punt van het draagvlak mogen echter niet zonder meer doorwerken naar de verplichtstelling. De raad pleit dan ook voor een zorgvuldige procedure waarbij een intrekking eerst aan de orde kan zijn wanneer bij een herhaalde toets (na bijvoorbeeld twee jaar) het draagvlak nog steeds onvoldoende is en waarbij ook afwikkelingsaspecten worden betrokken.


Tijdstip inwerkingtreding statuten en reglementen

Het kabinetsvoorstel om wijzigingen van statuten en reglementen van een verplichtgesteld bedrijfspensioenfonds eerst in werking te laten treden ná de afgifte van de verklaring van geen bezwaar door de minister, kan de raad in zijn algemeenheid niet onderschrijven.

Voor zover de raad heeft kunnen nagaan, levert de huidige praktijk - waarbij de wijzigingen ingaan op een door het fondsbestuur te bepalen datum - slechts in een beperkt aantal situaties problemen op. Het gaat daarbij vrijwel uitsluitend om wijzigingen die een uitbreiding van de verplichtingen voorwerkgevers inhouden, bijvoorbeeld de invoering van prepensioen. De overige wijzigingen kunnen naar het voorkomt probleemloos (ook ten aanzien van ongeorganiseerde werkgevers en gedispenseerde werkgevers) worden doorgevoerd en lijken derhalve geen aanleiding te vormen tot het aanbrengen van veranderingen in de gegroeide praktijk.
De raad pleit er dan ook voor de categorie van wijzigingen die eerst kan ingaan na de afgifte van de verklaring van geen bezwaar, te beperken tot verbeteringen van de regeling die leiden tot een lastenverzwaring (financieel en/of administratief). In samenhang hiermee bepleit hij een aanzienlijke versnelling van de procedure inzake de afgifte van de verklaring van geen bezwaar. De gedachten gaan daarbij uit naar een afhandelingstermijn van in beginsel vier weken. Met het stellen van een dergelijke termijn kan mogelijk ook worden voorkomen dat bedrijfspensioenfondsen zich gedwongen voelen bepaalde elementen in de regeling die gevoelig zijn voor wijzigingen, op een minder feitelijke wijze te omschrijven. Een dergelijke handelwijze zou er immers toe kunnen leiden dat de transparantie van de pensioenregeling voor de betrokken werkgevers en werknemers afneemt. Dit laatste acht de raad ongewenst, met name omdat pensioenen over het algemeen al als een moeilijk te doorgronden materie worden ervaren.


Reikwijdte verplichtstelling

Het kabinetsvoorstel inzake de reikwijdte van de verplichtstelling komt erop neer dat op grond van de nieuwe Wet Bpf de verplichtstelling kan worden beperkt tot bepaalde onderdelen van de pensioenregeling. De raad wijst in dit verband op de verantwoordelijkheidsverdeling op het terrein van de arbeidspensioenregelingen. Als zijn zienswijze ter zake heeft hij in zijn eerder genoemde advies Werken aan zekerheid reeds geformuleerd dat het primair de gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid van sociale partners is om pensioenvoorzieningen tot stand te brengen en de inhoud daarvan te bepalen. Hij stelde zich daarbij op het standpunt dat de besluitvorming terzake onderdeel vormt van het arbeidsvoorwaardenbeleid en dat het overheidsoptreden op pensioenterrein primair gericht dient te blijven op het conditioneren van een evenwichtig besluitvormingsproces en op een adequate bescherming van de werknemers in die zin, dat de hun toegezegde pensioenaanspraken worden gewaarborgd. De raad gaf in genoemd advies voorts aan het wenselijk te achten dat de overheid een voorwaardenscheppend beleid voert, onder meer in de sfeer van wetgeving die sociale partners een instrumentarium verstrekt gericht op vergroting van de reikwijdte van gemaakte afspraken. Hij wees in dit verband voorts op het belang van de voorwaardenscheppende rol van de overheid in de sfeer van de fiscale begeleiding van pensioenregelingen. Zijn in 1997 geformuleerde opvattingen ten aanzien van de verantwoordelijkheidsverdeling op het terrein van de arbeidspensioenregelingen acht de raad nog steeds actueel.

De raad stelt verder vast dat deze opvattingen op gespannen voet staan met het inzetten van het instrument van de verplichtstelling om beleidsinhoudelijke doelstellingen te realiseren. Verder impliceren zij dat een inhoudelijke beoordeling en beleidsmatige beïnvloeding door de overheid van (onderdelen van de) arbeidspensioenregeling haaks staan op de primaire verantwoordelijkheid van sociale partners. Hij wijst in dit verband voorts op de gang van zaken bij het algemeen verbindend verklaren van cao-bepalingen, waarbij kan worden geconstateerd dat voorgelegde bepalingen niet op beleidsinhoudelijke gronden worden uitgesloten van avv.

De raad heeft ook om andere redenen twijfels over het kabinetsvoorstel, dat is toegespitst op door de individuele deelnemer op vrijwillige basis te gebruiken keuzemodules in de vorm van aanvullingen op de collectieve basisverzekering. Zo vraagt de raad zich af of deze modules in uitvoeringstechnische zin kunnen worden onderscheiden van bijvoorbeeld keuzemodules in de vorm van uitruilmogelijkheden binnen de collectieve regeling die volgens de adviesaanvraag wel binnen de reikwijdte van de verplichtstelling zouden blijven.

Volgens de raad zou datgene wat pensioenfondsen volgens de voorgenomen taakafbakening mogen uitvoeren, in beginsel ook voor verplichtstelling in aanmerking moeten kunnen komen; hij gaat er daarbij van uit dat op basis van de taakafbakening een voldoende mate van solidariteit aanwezig zal zijn bij de producten van pensioenfondsen. Waar het gaat om vrijwillige, individuele aanvullingen op de collectieve basisregeling, betekent verplichtstelling vanzelfsprekend niet dat de deelnemer aldus verplicht zou worden voor deze aanvulling te kiezen. Wel strekt de verplichtstelling ertoe dat werknemers in dienst van niet-georganiseerde werkgevers op dit punt in een gelijke positie verkeren als werknemers in dienst van georganiseerde werkgevers (bijvoorbeeld op het punt van de werkgeversbijdrage in de premie). Dit is ook in lijn met de doelstelling van de Wet Bpf terzake van het tegengaan van concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Een en ander overziende, komt de raad tot een afwijzing van het kabinetsvoorstel voor een beperking van de reikwijdte van de verplichtstelling, waarbij hij ervan uitgaat dat datgene wat via de taakafbakening zal worden aangemerkt als hetgeen pensioenfondsen mogen uitvoeren en waarbij derhalve een voldoende mate van solidariteit aanwezig zal zijn, in beginsel ook voor verplichtstelling in aanmerking moet kunnen komen.


Vrijstellingen bij fusies en dergelijke

De in de adviesaanvraag gesignaleerde onduidelijkheid in de sfeer van vrijstellingen bij fusies, bedrijfsovernames, splitsingen en dergelijke heeft betrekking op verplicht verleende collectieve vrijstellingen. Bij het formuleren van criteriavoor het omgaan met dergelijke vrijstellingen, zou naar het oordeel van de raad als algemeen uitgangspunt kunnen gelden dat de omvang van de groepwerknemers voor wie de vrijstelling geldt, zoveel mogelijk intact dient te blijven.

Hiervan uitgaande dient naar het oordeel van de raad een vrijstelling behouden te blijven bij fusies, in het geval dat de twee (of meer) betrokken ondernemingen reeds een vrijstelling hebben. In de situatie dat een van de fuserende ondernemingen een vrijstelling heeft en de andere niet, zou de desbetreffende vrijstelling desgewenst omgezet moeten kunnen worden in een afwikkelingsdispensatie (waarbij vrijstelling geldt voor de werknemers die vóór de fusie waren vrijgesteld van de verplichte deelneming). In geval van splitsing betekent bovengenoemd uitgangspunt dat de vrijstelling blijft gelden voor de nieuwe ondernemingen. Ten aanzien van een bedrijfsovername in de zin van een doorstart na faillissement meent de raad dat de vrijstelling eveneens behouden dient te blijven, mits aan nadere voorwaarden is voldaan.

Het kabinetsvoornemen om de term 'bedrijfsgenoot' in de vrijstellingsregelingen in de wet zelf opnieuw te bezien, geniet de instemming van de raad. Gelet op de verwarring waartoe deze aanduiding in de praktijk leidt, is een duidelijker terminologie gewenst.


Markt en overheid

De kabinetsvoorstellen in de sfeer van markt en overheid betreffen spelregelsten aanzien van het gebruik van gegevensbestanden van bedrijfspensioenfondsen en de naam en het beeldmerk van een bedrijfspensioenfonds. De raad onderschrijft de hiermee beoogde doelstelling, waarbij het in de kern gaat om het bevorderen van meer gelijke concurrentieverhoudingen tussen verplichtgestelde bedrijfspensioenfondsen en verzekeraars. Tevens onderschrijft de raadde wenselijkheid van op de verplichtgestelde bedrijfspensioenfondsen gerichte maatregelen ter bewerkstelliging van deze beleidsdoelstelling, vooruitlopenden in aanvulling op een algemene wettelijke regeling voor het marktoptreden van de overheid en ondernemingen die een band met de overheid hebben; en waarover thans een adviesaanvraag bij de raad in behandeling is. De raad beveelt aan bij de verdere uitwerking van de voorstellen de samenhang in het oog te houden met de voorgenomen algemene wettelijke regeling, opdat de regelgeving in de sfeer van de bedrijfspensioenfondsen hiermee in overeenstemming is.

Ten aanzien van het kabinetsvoorstel voor de gegevensverstrekking door bedrijfspensioenfondsen aan verzekeraars heeft de raad twijfels op het punt van de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid. Hij wijst erop dat het in de praktijk lastig is uit te voeren en voorts met de nodige kosten gepaard zal gaan. Gezien zijn twijfels ten aanzien van de vormgeving van het kabinetsvoorstel, acht de raad het wenselijk dat het kabinet ook andere wegen betrekt bij de realisering van de door de raad onderschreven doelstelling van meer gelijke concurrentieverhoudingen. Hij wijst in dit verband op alternatieven zoals die in paragraaf 3.6.2 bij wijze van een eerste oriëntatie zijn geschetst en op de mogelijkheid dat de overheid via overleg met verzekeraars en bedrijfspensioenfondsen mogelijke alternatieven nader onderzoekt. Wat het kabinetsvoorstel inzake het gebruik van naam en beeldmerk van het pensioenfonds betreft, geeft de raad in overweging na te gaan of het daarmee beoogde doel ook kan worden bereikt via vormen van zelfregulering. In het bijzonder denkt de raad aan het opstellen van gedragscodes dienaangaande door bedrijfspensioenfondsen en verzekeraars, die kunnen worden vastgelegd in een convenant tussen de desbetreffende partijen en de overheid.