Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1999 | Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000

Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000

Advies 1999/04 - 16 april 1999

Het kabinet heeft de raad gevraagd advies uit te brengen ten behoeve van het - in september 1999 - door de minister van OCenW uit te brengen ontwerp Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000. De adviesaanvraag is in algemene zin gericht op de vraag welke maatschappelijke ontwikkelingen gevolgen dienen te hebben voor het hoger onderwijs en welke die gevolgen zouden moeten zijn. Meer specifiek vraagt het kabinet de raad aandacht te besteden aan de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de gevolgen daarvan voor de vraag naar hoger onderwijs, de wenselijkheid van een sterkere marktoriëntatie van hogescholen en universiteiten mede in het licht van de ontwikkeling van Nederland tot kennissamenleving, en de vraag aan welke flexibiliteit van onderwijsprogramma's behoefte is.

Download:Volledig advies (416 kB)

Samenvatting


Heroriëntatie hoger onderwijs

In algemene zin is de uitdaging voor de universiteiten en hogescholen naar het oordeel van de raad, bezien vanuit sociaal-economisch perspectief, gelegen in de herdefiniëring van hun positie in de moderne, internationale kennismaatschappij. De kennissamenleving en de continu veranderende omgeving van het onderwijs stellen hoge eisen aan de kwaliteit en vernieuwingskracht van het hoger onderwijs. Deze eisen hangen samen met de vergrote behoefte aan een flexibel onderwijsaanbod, de aansluiting tussen onderwijs en (arbeids-) markt en het vermogen van het onderwijs om voldoende hoger opgeleiden te scholen om aan de kwantitatieve vraag naar personeel te voldoen. Deze laatste vraag is vooral actueel door het optreden van tekorten aan hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt. Tevens signaleert de raad dat de positie van universiteiten en hogescholen als toegankelijke en interactieve kennis- en onderwijscentra voor het bedrijfsleven moet worden verbeterd.


Tekorten aan hoger opgeleid personeel

De raad maakt zich grote zorgen over de verwachte tekorten aan hoger opgeleid personeel. Deze tekorten bedragen in de periode tot 2003 naar raming reeds 150.000 hbo'ers en 50.000 wo'ers en kunnen in de jaren daarna mogelijk nog verder oplopen tot in totaal bijna 400.000. Thans treden al voor bepaalde beroepsgroepen grote knelpunten op in de vacaturevoorziening, bijvoorbeeld binnen de ICT-sector, het onderwijs en de gezondheidszorg. Wat de knelpunten op de arbeidsmarkt betreft houdt de raad er rekening mee dat deze voor een deel zullen worden opgelost door het zelfstandig aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt. De verwachte tekorten hoeven zich niet of niet in de berekende omvang voor te doen doordat werkgevers en werknemers zich zullen aanpassen aan veranderde omstandigheden. De markt zal echter niet voor alle beroepsgroepen een oplossing kunnen bieden en ook niet steeds op de gewenste termijn. Daarom is volgens de raad beleid noodzakelijk. In de tekorten die op korte termijn ontstaan ziet de raad een heel duidelijke noodzaak van handelen, zowel voor de overheid als voor de sociale partners. De raad bepleit dat de overheid daarbij de regie neemt. Voor een beleid om de verwachte tekorten aan hoger opgeleiden het hoofd te bieden onderscheidt de raad twee sporen. Ten eerste de weg van het vergroten van de onderwijsdeelname en van de interne rendementen van de reguliere opleidingen. De mogelijkheden die hier liggen - bijvoorbeeld vergroting van de deelname van allochtonen aan hoger onderwijs, verbeteren van de aansluiting van het mbo op het hbo en duale leerwegen - moeten worden benut maar kunnen de tekorten niet oplossen, te meer niet omdat het 4 tot 6 jaar duurt voordat een student in het hoger onderwijs zijn diploma behaalt. Het tweede spoor betreft het op-, om- en bijscholen van de bestaande beroepsbevolking en biedt meer perspectieven. Belangrijkste invalshoeken zijn hier het langer actief houden van oudere werknemers en het opscholen van werkenden en werkzoekenden naar hoger niveau. Voor de opscholing van werkenden ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de bedrijven en de sociale partners. Van belang is hierbij ook de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor degenen die onderwijs moeten combineren met werk en eventuele zorgtaken. De raad meent dat de mogelijkheid om de verwachte tekorten aan hoger opgeleiden te verminderen door een vergrote participatie en voorkoming van uitval uit het arbeidsproces van ouderen zeer serieus genomen moet worden. Dit vergt een grote inspanning van overheid en sociale partners. Ten eerste om de waardering van ouderen binnen bedrijven te vergroten. Ten tweede om mogelijke regelingen die de positie van ouderen benadelen te wijzigen. Ten derde door voldoende te investeren in de employability van ouderen onder meer door de inzet van scholing en gebruikmaking van hun expertise en ervaring. Voor de tekorten die nu of op korte termijn optreden beveelt de raad aan de problematiek nauwkeurig in kaart te brengen en te onderzoeken of speciale actieprogramma's, die zich bijvoorbeeld richten op de niet-participerenden kunnen bijdragen aan een oplossing van de fricties. Het hoger onderwijs dient volgens de raad bij dit alles een belangrijke rol te spelen door het onderwijs inhoudelijk en organisatorisch op nieuwe groepen (vaak werkende) studenten toe te snijden en voor hen toegankelijker te maken: door het aanbieden van zowel integrale diplomaopleidingen als deelopleidingen, door het rekening houden met het kennisniveau van de individuele deelnemer, door het verlenen van vrijstellingen op basis van door ervaring verkregen kwalificaties of competenties en door het vergroten van de combineerbaarheid van scholing met werk en zorgtaken (bijvoorbeeld: aanpassing van instroommomenten en toepassing van teleleren). Daarnaast zullen universiteiten en hogescholen zich actiever dan voorheen moeten richten op het in samenspraak met bedrijven en instellingen groepsgewijs op-, om- en bijscholen. Universiteiten en hogescholen moeten zich daarbij herkenbaar en op toegankelijke wijze presenteren als de kennis- en onderwijscentra voor het (regionale) bedrijfsleven, respectievelijk als vraagbaak en steunpunt voor bedrijven en instellingen.


Marktoriëntatie

Innovatie betekent voor de instellingen dat ze naast flexibel ook marktgericht werken. Marktgerichtheid is door de raad op twee manieren uitgelegd. Allereerst als een basishouding van instellingen waarbij zij steeds informatie uit hun omgeving betrekken bij het nemen van beslissingen. In deze zin ziet de raad alleen maar positieve kanten aan een verdere versterking van de marktoriëntatie. Marktoriëntatie kan ook tot gevolg hebben dat universiteiten en hogescholen taken uitvoeren die met concurrentieverhoudingen gepaard gaan. Wat de uitvoering van contractonderwijs en contactonderzoek betreft onderschrijft de raad dat de uitvoering van contracttaken voor synergie kan zorgen en daarmee voor kwaliteitsverbeteringen bij de primaire taakuitvoering. Bovendien kan dit bijdragen aan het oplossen - via contractonderwijs - van arbeidsmarkttekorten en aan de samenwerking tussen het hoger onderwijs en innoverende bedrijven en instellingen via contactonderzoek en partnerships. Daarbij stelt de raad wel als voorwaarden dat de uitvoering van contracttaken niet ten koste mag gaan van de primaire taken van het hoger onderwijs maar daar juist bij dient aan te sluiten, waardoor synergie en kruisbestuiving kunnen optreden, en voorts dat de instellingen ook de werkelijke kosten aan opdrachtgevers in rekening brengen. Een gedragscode kan hierbij goede diensten bewijzen. Voor de raad is evenwel niet de creatie van markten het doel maar het bevorderen van een open verkeer van kennis en ideeën tussen universiteiten, beroepsopleidingen, bedrijven, overheden en maatschappelijke instellingen. Een regionale inbedding van het hoger onderwijs is daarbij van groot belang.


Randvoorwaarden: mensen, middelen en mogelijkheden

De raad signaleert dat de universiteiten en hogescholen op zichzelf genomen zeer wel bereid zijn om een actievere rol te spelen, maar dat dan wel van groot belang is dat zij kunnen beschikken over de juiste mensen, middelen en mogelijkheden. Wat de mogelijkheden betreft acht de raad een verdergaande deregulering noodzakelijk. Vanwege de arbeidsmarkttekorten is thans nodig dat het beleid gericht is op het geven van ruimte. De raad beveelt aan om bestaande restricties in regelgeving die flexibele en klantgerichte scholingsarrangementen hinderen kritisch te bekijken. Belangrijk is ook om te kijken naar regelgeving die thans juist ontbreekt en de totstandkoming van flexibele arrangementen zou kunnen faciliteren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gestandaardiseerde regelingen voor de vaststelling en erkenning van door ervaring verkregen kwalificaties en competenties (EVK's en EVC's) bij werknemers. De raad meent dat bij flexibilisering een aantal verworvenheden van het huidige onderwijs moet worden gerespecteerd. Dit betekent dat flexibilisering:
    geen afbreuk mag doen aan de bestaande hoofdstructuur van het hoger onderwijs;
    geen afbreuk mag doen aan het civiel effect van diploma's in het initiële onderwijs. Voor een civiel effect dient het onderwijsprogramma samen-hangend te zijn en zoveel mogelijk afgestemd op beroeps- en functie-eisen;
    geen afbreuk mag doen aan de transparantie van het onderwijsaanbod die de afgelopen jaren, mede op verzoek van het afnemend veld, tot stand is gebracht.
In dit kader wil de raad ook wijzen op het internationale aspect en aandacht vragen voor een duidelijker positionering van de Nederlandse diploma's in het hoger onderwijs ten opzichte van gangbare buitenlandse graden, met name het Angelsaksische Bachelor-Master-systeem.


Bekostiging

Wat de middelen betreft signaleert de raad dat de bezuinigingen binnen het hbo en wo hebben geleid tot een ongewenste verzwakking van de positie van waaruit het hoger onderwijs op nieuwe ontwikkelingen moet reageren. In het huidige beleid dalen de uitgaven per student waarbij nog geen rekening is gehouden met de extra instroom, in vergelijking met de referentieramingen, in het hbo en een toename van op-, om- en bijscholing (voor een deel initieel onderwijs). De raad meent dat gelet op de eisen die aan het hoger onderwijs worden gesteld een heroverweging van de bekostigingssystematiek nodig is. Daarvoor is het nodig dat de overheid goed aangeeft wat de publieke en primaire taken van het hoger onderwijs zijn en deze adequaat financiert, zodat de marktactiviteiten in het hoger onderwijs in aanvulling op en naast de primaire taken kunnen bestaan en deze kunnen versterken. Daarbij mogen de contractinkomsten geen aanleiding zijn om te korten op de bekostiging van het initiële onderwijs en onderzoek. Voor een adequate financiering van het initiële onderwijs is het nodig dat middelen die worden uitgetrokken voor het hoger onderwijs worden afgestemd op taken die het hoger onderwijs moet vervullen. Van het hoger onderwijs wordt gevraagd zich aan te passen aan de snel veranderende omgeving, de marktoriëntatie te versterken, de flexibiliteit van het onderwijs te vergroten, de scholing van het personeel te intensiveren, goed nieuw personeel aan te trekken en te behouden en niet op de laatste plaats om meer studenten op te vangen, mede om de tekorten op de arbeidsmarkt te bestrijden. De raad meent dat het belang van het voorkomen van arbeidsmarktknelpunten tot uiting moet komen in het macrobudget voor het hoger onderwijs. De extra vraag naar scholing vraagt om een flexibele bekostiging én een aanvullend budget, mede in verband met de overgangskosten die gepaard gaan met deze noodzakelijke veranderingen. Om deze redenen bepleit de raad een heroverweging van de thans voor het hoger onderwijs geldende bezuinigingen. Daarnaast ondersteunen de plannen voor een nieuwe studiefinanciering de wenselijkheid van een nieuwe, flexibelere bekostigingsmethodiek. Thans is de verdeling van de beschikbare middelen over de instellingen afhankelijk van enkele factoren zoals het aantal ingeschreven en afstuderende studenten. Meer flexibiliteit kan volgens de raad gevonden worden in het directer koppelen van de rijksbekostiging aan de geleverde onderwijsdiensten; mogelijkheden zijn het koppelen van de bekostiging aan onderdelen van opleidingen (meerdere meetpunten, modulesysteem) of door de bekostiging via de student te laten verlopen. In het voorgaande is aandacht gevraagd voor de bekostiging vanuit het Ministerie van OCenW. De raad acht het wat de beschikbare middelen betreft ten slotte ook noodzakelijk dat zo spoedig mogelijk, in samenspraak tussen alle betrokken partijen (ministerie(s), instellingen en (georganiseerd) bedrijfsleven), afspraken tot stand komen over de financiering van de extra inspanningen van hogescholen en universiteiten ten behoeve van het individueel en groepsgewijs bijscholen van diverse nieuwe groepen studenten die in het licht van de dreigende tekorten aan hoger opgeleiden noodzakelijk zijn. Daarbij kan gedacht worden aan financiering vanuit de Ministeries van Economische Zaken, van Landbouw Natuurbeheer en Visserij en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en vanuit Arbeidsvoorziening. Sociale partners kunnen in deze ontwikkeling een rol spelen door bij de te maken scholingsafspraken ook het hoger onderwijs te betrekken.